zondag 6 maart 2011

Brecht zegt (1)


Volgens Hannah Arendt kwam de ironie van de Dreigroschenoper niet helemaal aan. Eerbare zakenlieden zagen in het stuk, dat hen als gangsters opvoerde, diep inzicht over henzelf en het reilen en zeilen in de wereld. Gepeupel ervoer een sanctionering van het gangsterdom, terwijl de elite juichte dat hypocrisie superieur werd ontmaskerd. Met ‘Erst kommt das Fressen, dan kommt die Moral’ als correcte samenvatting lag de weg naar het populisme open, suggereert Arendt. Van het épater le bourgeois werd haars inziens de elite de klos.
Klinkt vertrouwd! Wel stamt Arendts opvatting uit de jaren vijftig en Bertolt Brechts gememoreerde totaaltheater uit 1928.
De draaischijf is verandering op basis van gemeenschappelijkheid. Recent wist ik me toch gesterkt door een carnavalsdag op de school van ons taalkundig genie: iedereen was vrolijk uitgedost en in elkaar geïnteresseerd. Behalve één meester die zijn kloffie had aangehouden en alleen stond met zijn wereldwijze theorie. Juist inzake haalbaarheid had hij wat kunnen opsteken van een kind dat, vernam ik, een zeerover was nadat het inzag onmogelijk gekleed te kunnen gaan als iPhone.
Veel is beweerd over carnaval, maar met het principe van de omgekeerde wereld toegepast op verandering raakt Arendts object nabij. Wat wou Brecht anders? Op het legendarische Parijse schrijverscongres in 1935 pleitte hij zelfs niet te ageren tegen nazistische barbarij zonder ‘de eigendomsverhoudingen’ intact te laten.
Nu heeft Brecht teksten gezweet. Maar voor Hollanders is al lang geselecteerd in de Dagboeken, zodat snel blijkt dat hij collega’s niet moest die schreven uit zelfverklaarde wereldvreemdheid. In een naar verluidt secure arbeiderische coiffure en outfit stortte Brecht zich in het leven, omdat hij ‘weinig bekwaamheden voor de literatuur’ zou bezitten (dikwijls klaagt hij over zijn onkunde met werkwoorden en hij wil ‘moderne jamben’ leren). Maar heeft de techniek ook gevolgen voor het veranderingseffect?
Brecht vindt dat mensen, lezers, slaven zijn zolang ze vreugdeloos moeten arbeiden. Hun brein wordt dan het enige middel waarmee ze kunnen ontsnappen. Daar moet de auteur toe willen doordringen. Maar ‘zowel het standpunt van de schrijver als zijn pogingen die ook aan de lezer op te dringen, zijn doorzichtig als glas. Er zijn geen geheimen, en waar geen geheimen zijn, is geen waarheid.’ Ook koesterde het publiek liever de illusie dan de door de auteur geambieerde verfremdung, en namen uitgerekend de nazi’s hem wel serieus, door zijn Duitse nationaliteit in te trekken vanwege regels als:

Met tsjingboemsasa en tot wederziens!
En vrouw en hond en paap!
En tussen hen in de dode soldaat
Als een bezopen aap.
(vert. Martin Mooij)

Die ambivalentie zit al vervat in de naam van Brechts fameuze (anti)personage Herr Keuner. Enerzijds is deze een ‘keiner’, anderzijds dient hij via de Griekse term ‘koinos’ het algemeen belang. Dit verzacht uit de lebmaag der receptie misschien zowel het zuur van de Leer als van salonsocialisme. In de laatste jaren klonk nog: ‘Principes worden in leven gehouden door ze te schenden.'
Desalniettemin beoogde Brecht zelfs voor poëzie een breder verband. In september 1920, hij is dan 22 jaar, verzucht hij dat er geen taal is die iedereen verstaat. ‘Beïnvloeding gaat langs een andere weg: ze overmeestert (hypnose)’. Dezelfde maand verwijst hij naar Rodins Burgers van Calais waarin een offer voor de gemeenschap wordt uitgedrukt. Het beeldhouwwerk, zegt Brecht, had van de maker op dusdanig lage sokkel mogen staan dat de levende burgers niet kleiner geweest zouden zijn. Zodat het offer vanuit hun midden plaatsgrijpt. ‘Op zo’n manier dienen de gedichten tussen de mensen te staan.’
Ik kwam deze passage ook tegen in een zalig Duits syllabusboekje met Brechts verspreide teksten over poëzie die, vermoedelijk vanwege het heikele onderwerp, ietwat stroefjes zijn geformuleerd. Gewapend met een woordenboek heb ik geprobeerd er enige te vertalen.


Over lyriek en de staat

Destructieve en anarchistische lyriek weerspiegelt zeker een destructieve en anarchistische maatschappelijke orde, wordt daardoor ‘aangestoken’, getuigt ervan – maar tegelijk vernietigt ze vaak deze destructieve maatschappelijke orde, die er immers van afhankelijk is om zich als constructief te presenteren, en de roep om ‘geen heerschappij’ kan in zoverre het bestaande ondersteunen dat hij de roep om iets beters overstemt, hoewel dat in elk geval een slechte dienst is, en de heersers nemen hem met genoegen aan.
Niet alle menselijke productiviteit wordt in de immers altijd beperkte productie opgenomen. De niet onmiddellijk binnenkomende elementen vallen niet ergens zo ongeveer ernaast, maar ze spreken tegen, zijn niet louter betekenisloos maar hinderlijk. Aldus kan alleen een erg ruim uitgemeten strijdperk rekening met hen houden, en voor het productieve zijn erg goede oren nodig. Het is een hele kunst om ze tegen vernietiging te beschermen, dus tegen dat ze vernietigen en tegen dat ze vernietigd worden.
De staat benadeelt de staatsvriendelijke literatuur, indien hij de staatsgevaarlijke literatuur onderdrukt, hij kortwiekt haar, maakt haar tandeloos, ontdoet haar van feiten.
[jaren dertig]


Uit: Realistische kritiek

Het is helemaal verkeerd om kritiek als iets doods, onproductiefs, zogezegd langbaardigs te beschouwen. Deze opvatting van kritiek wenst de heer Hitler te verbreiden. In werkelijkheid is de kritische houding de enig productieve, menswaardige. Ze betekent samenwerking, verdergaan, leven. Echt kunstgenot zonder een kritische houding is onmogelijk.

Tegenwoordig, nu ons naakte bestaan lang en breed tot een vraag voor de politiek is geworden, kan er al helemaal geen lyriek bestaan, als het maken en lezen van lyriek afhangt van criteria die ver afliggen van het verstand. Onze gevoelens (instinct, emotie) slibben volkomen dicht, ze zijn in een voortdurende strijd verwikkeld met onze naakte belangen.

De kritiek verhindert het genot geenszins, tenzij ze bestaat ze uit humeurige bedilzucht. Zonder de gave van het kritisch genieten kan het proletariaat al helemaal niet de nalatenschap van de burgerlijke cultuur aanvaarden. Historisch besef, waarzonder men niet kan genieten, drijft kritiek aan, zo zal duidelijk zijn. Daar moet de vroegere perfectie van een ding gevoeld worden die, ondertussen in een mindere veranderd, nergens meer in deze perfectie te aanschouwen is, voortaan ongenietbaar in de dodelijke betekenis van het woord geworden is.
[eind jaren dertig]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen