woensdag 17 maart 2010

Naschrift

Ook politieke partijen die subsidie willen ‘afschaffen’ krijgen subsidie. Is kunst het enige veld waar de term een pejoratief is? Herman Brood kan zowaar een meerderheidsstandpunt hebben vertolkt: ‘Ik ben niet het soort kunstenaar dat een stoel maakt waarop niemand wil zitten. Zo iemand geven ze een vette subsidiekluif; weer een mongool behoed voor de sociale werkplaats’. Door nog een citaat uit dezelfde bron besefte ik dat dit inzicht familie heeft. Brood beweerde er namelijk ook: ‘Ik ga nog liever ouwe wijven neuken voor geld dan aankloppen bij de sociale dienst.’
De overlapping zit in ‘sociale’, dat ‘asociaal’ uitlokt wegens ‘profiteren’. Maar de tijdgeest bepaalt hoe erg dat is. Zo heette een bijstandsuitkering een ‘vangnet’ en bleek ze na kritiek een ‘hangmat’ die na beleidsvoornemens veranderde in een ‘trampoline’. Soms weten auteurs, na jaren werkbeurs, die sprong inderdaad te maken. Bij het literaire tijdschrift lijkt dat veel minder waarschijnlijk. Er is dan ook gepoogd het te herpositioneren door het letterkundige te koppelen aan iets attractievers (voetbal, wielrennen, schaatsen, true crime, culinaria, popmuziek en ‘literaire journalistiek’). Los van de vraag of dat geslaagde pogingen zijn vermijden ze een ontologische kwestie, die het medium in zijn onaangelengde vorm oproept en twee schijnbaar onverenigbare kampen aanricht: afwijzers tussen toorn en desinteresse versus omhelzers tussen dweepzucht en aanhankelijkheid.
Beide kampen weigeren de concrete context van het literaire tijdschrift te bekijken. Ook is voor beide het instrument subsidie onomstreden: ze zijn sec tegen of voor. Zo raken de antagonisten eigenlijk verwant, omdat ze putten uit hetzelfde discours, wat dan weer parallellen geeft met het politieke klimaat. Dat valt te illustreren met twee Vlaamse opiniestukken over Geert Wilders. In het ene lag de nadruk op onwelkome waarheden die ‘politiek correcte’ media negeren (op welk punt de Nederlands-Russisch-Ests-tataarse Sana Valiulina ook tegen een cordon literaire ageert). Het andere zag makkelijke onwaarheden aan Wilders en weet dat ‘er nauwelijks nog een gesprek mogelijk is. Ook hardwerkende en goedbedoelende politici zullen dit niet meteen veranderen. In debat gaan met Wilders of zijn kiezers heeft geen enkele zin.’
Mij lijken dit rituele manoeuvres, omdat hun fundament wordt miskend. In de ‘Wat nu’-reeks zal onder al de hyperlinks ten minste eentje in deel 10 bedolven zijn geraakt: Jan Blommaert trachtte in een terugblik op links gedachtegoed te tonen dat de val van de Muur dan wel cruciaal geweest is, maar om andere redenen dan opgeld doen. In plaats van zich te vernieuwen door analyse van de samenleving, paste links zich aan. Het gooide ideologie zogenaamd overboord, zodat in een neoliberaal paradigma structurele verandering kon vervangen door correcties in de esthetiek (waarbij de opiniepeiling de marges aangaf). Urgente systeemkritiek was, net als ‘het humanisme’, zo achterhaald dat ze meteen verzonk.
Blommaerts artikel stond op een site die aanvullend wil zijn op concernmedia, waar het drie à vier pagina’s zou beslaan. Ik constateer dat het door hem gehuldigde standpunt alvast niet totaal onterecht kan zijn: het wordt zelden gehoord. Er is dus wel een ander circuit, maar dat ligt buiten de reproductieschema’s voor principiële flexibiliteit. Tegelijk heeft de absorptie in de mainstream ertoe geleid dat opgeschoven links het contact verloor met de werkelijkheid (die het immers niet wil onderzoeken).
Twee trends demonstreren dat. Niet langer zou het economische belang de keuze voor een partij bepalen. Maar daarbij kende men louter een linkse variant met het milieu en gelijke rechten, terwijl de rechtse met angst voor desintegratie door criminaliteit obscuur bleef. Even hooghartig was de inzet van het epitheton ‘fascistisch’, dat alleen voor rechts leek – maar dat smijt die taart inmiddels terug.
Die wegmoffelingen kwamen boven door onontkoombaar populisme. Toen werd ‘de kloof tussen burger en politiek’ waargenomen. De strategie bleek overname van het populistische discours – meer bewijs voor de mainstream die slechts schijnbare antagonismen serveert. Ook over het wereldwijd toegankelijke web verlangt men mensen te bereiken.
Met name Femke Halsema van Groen Links ziet heil in het internet en vierde dat, mogelijk ingefluisterd door spindoctors, pontificaal. Haar feest wou de misvatting aangeven dat virtuele communicatie leeg is. Toch lijkt het me vreemd dat een groene politica dit medium zo uitbundig gebruikt: dit vergt extra stroom!
Uiteraard is Halsema niet de enige in haar branche die al twitterend de kloof met de burger tracht te dichten in maximaal 140 tekens. De kwalificatie ‘digitale kaasstolp’ lijkt vanuit de werkelijkheid gegeven. Het vertrek van een collega schept geen beraad over de eigen positie maar een mening over dat specifieke geval – alsof Twitter een boekenbijlage is.
Ik haal de literaire biotoop er nu expliciet bij, omdat burgers natuurlijk mede lezers zijn, maar vooral omdat ik van hen in de reeks ‘Wat nu?’ enige verwachtingen en projecties geschetst heb die faliekant verkeerd uitpakken. De vraag is dan simpel: hoe te handelen? In de politieke turbulentie van de afgelopen week kreeg Halsema ook te maken met een overlijden van een collega die, afkomstig uit een kring van intellectuelen die bezorgd waren ‘over de verwarring en de ondoorzichtigheid, de tanende invloed van de kiezers, over de ontoereikendheid van de oude politieke spelregels, over de onbeweeglijkheid en de verstarring van het partijenstelsel’, het politieke systeem wilde hervormen zodat het het gezag minder krampachtig zou reageren op vernieuwingsdrang.
‘Wat erg. Zulke goede herinneringen aan taartjes bij hem thuis, gesprekken her en der. Wat erg voor Connie’. Mij lijkt dat juist bij de burgers hier iets kan knakken – Grachtengordel onder elkaar! Zelf heb ik heb altijd ontzag voor Femke Halsema gehad en Twitter verlegt hooguit mijn verwonderingsdrempel, maar hier had ze misschien toch beter gezwegen.
Laat ik het goede voorbeeld geven. Om al de facetten aan het literaire tijdschrift die ik aan de orde heb proberen te stellen te nuanceren, corrigeren en aan te vullen, krijgen binnenkort gastbloggers het woord. Zij bekleden diverse posities in het veld en brengen, in een serie die gewichtig ‘coreferenties’ moet heten, ongetwijfeld nog wat licht.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen