zondag 9 december 2018

Ev'ry man a king




Eindelijk de veelbesproken studie van Arlie Russell Hochschild gelezen, in vertaling: Vreemdelingen in hun eigen land. Een reis door rechts Amerika. Het is minstens een ongebruikelijk boek, omdat de auteur niet alleen erkende in een bubbel te zitten maar er ook doelbewust uitstapte.
De welgestelde, zogeheten kosmopolitische Berkeley-sociologe trok naar het Zuiden van Amerika en praatte met arme, zogeheten provincialistische Tea-Party-aanhangers. Zelf stond ze er versteld van hoe verhelderend de gesprekken met die anderen waren – van het grootste ongeloof getuigt wellicht haar veelvuldig herhaalde opmerking dat ze met sommigen bevriend is geraakt.

Wat heeft mensen tot extreemrechtse ideeën gedreven? Soms zijn getallen instructief, en in dit geval was ik erdoor verrast. Bij alle vooruitgang die medische ontwikkelingen aan de wereld brengen, blijkt alleen de levensverwachting afgenomen van witte Amerikanen zonder middelbareschooldiploma (uit lagere sociale klassen). Met drie jaar. Sterk spul, dat maagzuur.
Ook tegenover hun geweeklaag over een volgevreten en verspillende overheid staan cijfers. In 2013 was 1,9% van het totaal aantal Amerikaanse werknemers in federale dienst en zat 1% bij het leger. En uitkeringen en toeslagen die volgens de Tea Party ongebreideld verstrekt werden aan al dan niet gekleurde of islamitische lamzakken, beslaan 8% van de begroting.

Wat was dan het probleem? De titel van Russell Hochschilds boek verwijst naar een gevoel dat een overtuiging is geworden: dat de hoogopgeleide ander altijd aan het woord komt in media en daarbij jou niet ziet staan, tenzij als racist, nationalist, achterlijke christen en homofoob. Dat gebrek aan waardering voelt men eveneens voor de arbeid. Wegens karig loon, en eerder ontslag dan opslag.
De presidentsverkiezingen moesten nog gehouden worden toen Russell Hochschild Vreemdelingen in hun eigen land publiceerde. Ze onderkende wel meteen dat Hillary Clinton met deplorables geen fijne term had gebruikt voor die witte massa. 

Logisch volgt die indruk al uit een verslag van een campagnebijeenkomst van Donald Trump. Uitgerekend hij geeft aan die mensen het gevoel hun way of life wel te erkennen, begrijpen en goed te keuren. Dat doet hij luidruchtig, niet bepaald volgens de notoire zwijgende meerderheid. Eén aanwezige ondergaat het wonder ‘alleen al in de buurt van deze man te mogen verkeren’! 
Om dat te volgen leent de sociologe de term ‘collectieve opwinding’ van Durkheim, die aan mensen de illusie van een biologische of morele stam geeft. En vooral: dat ze met velen zijn.
En dus gelijk hebben? De bubbel revisited.

Onwillekeurig moest ik denken aan triest nieuws: dat Seada Nourhussen haar actieradius beperkt tot One World omdat ze stopt als columniste bij het dagblad Trouw. Bij mij voelt dat aan als een nederlaag, omdat de teksten van Nourhussen informatie en inzichten geven die bijna nergens anders op te vangen zijn. Ze is zwart, en dat blijkt consequenties te hebben.
Zo’n afscheid onderstreept de ondraaglijkheid van het feit dat tergend veel witte mensen zich, al dan niet op verzoek, geroepen voelen overal hun mening over te geven. Op dit blog, en in mijn boek De ware marsrichting, heb ik, hoogopgeleide witte man, daar het nodige tegenin proberen te brengen. Vooral waar het literatoren betreft die met de hun kenmerkende nuance en stijl het debat menen te voeden.
Nourhussen kreeg bij haar terugtreden verweten in haar pleidooien voor ruimte en erkenning zelf niet altijd redelijk te zijn, maar wat is dat voor een eis aan wie vernederd wordt? Ik zou redelijkheid wel als criterium gebruiken voor witte mensen. Met hen bedoel ik niet alleen anonieme reaguurders die Nourhussen beledigden en bedreigden, maar evengoed medestanders die comfortabel en zelffeliciterend schermen met anglicismen als ‘eerstewereldproblemen’,‘institutioneel racisme’ en ‘dekolonisatie’.
Ook Hochschield laat zien dat de problematiek complexer is dan identiteitspolitiek alleen. Er hoort sociaaleconomische aandacht bij. De prachtige klimaatmars van vorige week was getalsmatig een succes, maar hoe langer ik wandelde, hoe sterker zich het besef opdrong dat het een compleet witte aangelegenheid was. Zouden simultaan de protesten van de gele hesjes wel gemengd zijn? Ik snap dat er neologismen werd bedacht als ‘dieselproletariaat’ en ‘kerosine-elite’.
Minstens ambivalent leek me de steun die Nourhussen, en Claire Gargard, kreeg in een NRC-petitie van bekende collega’s. Van hen was een aanzienlijk deel wit en actief in de media, dus precies van het ‘geprivilegieerde’ type dat bij achtergesteld zwart én wit onder vuur ligt. Misschien overtuigt het al meer wanneer De Standaard een toch wat bizarre samenwerking met NRC-baas Peter Vandermeersch in de vorm van een tweewekelijkse column aanbiedt aan Nourhussen, mocht ze kracht en zin hebben vanuit België te opereren. 

Een dieptepunt in deze affaire werd geleverd door Jamal Ouachichi, literair auteur met negentien à zesendertig Twittermeningen per uur, die aan Nourhussen verweet zelf racistisch te zijn. Nu is de jij-bak sowieso een van de naarste verwijten denkbaar (‘je bent precies je vader’), maar hier kende de misplaatstheid geen grenzen.
Nog los van het feit dat het belang van Nourhussens columns onnoemelijk is, bewezen alleen al de briesende comments op de afscheidsmelding door GeenStijl haar gelijk. Die mensen zou haar eigen verhaal rond het afscheid eens mogen lezen. Daarin toonde ze zich overigens teleurgesteld in het gebrek aan solidariteit bij de Trouw-redactie. Gepast lijkt me dan een onderscheid in morele steun en het instemmen met een opvatting. Dat laatste vraagt om een bubbel, het eerste om een safe space.
Ik denk dat Arlie Russell Hochschield bladzijde na bladzijde demonstreert dat bubbels waanzin zijn, maar ook dat een safe space beter niet in een bubbel verandert. Het blijkt gelukkig wel degelijk mogelijk samen te leven onder botsende opvattingen.
Verder moet mijn ego een saillante passage uit Vreemdelingen in hun eigen land kwijt, over Huey ‘Kingfish’ Long. Deze gouverneur van Louisiana hief in de crisisjaren aan oliemaatschappijen extra belastingen, waarvan de opbrengst naar de arme bevolking ging. Voor alfabetisering, studieboeken, scholen, wegen, bruggen, ziekenhuizen.
De man zit als het ware in mijn cultureel repertoire via Randy Newmans elpee Good Old Boys (1974). Daar wordt hij bezongen in het nummer Kingfish, komt het pre-Katrinaverhaal van het toenmalige Louisiana aan de orde in een lied dat ik nog steeds amper zonder tranen kan aanhoren, en zingt Newman zelf Longs campagnelied Ev’ry man a king.

Ik herinner me dat de regels ‘There's castles and clothing and food for all / All belongs to you / Ev'ry man a king, ev'ry man a king / For you can be a millionaire’ zo al in mij genesteld waren, toen Koot en Bie op de televisie kwamen met de vrije jongens Jacobse & Van Es. Huey Longs voluntarisme begon voor mij onmiddellijk te kleven aan hun partijslogan ‘Geen gezeik iedereen rijk’.
Russell Hochschild vermoedt dat Longs overheidsbeslag heden weinig sympathie zou verwekken. Ze contrasteert hem met de recente gouverneur ter plekke, die aan publieke instellingen juist geld onttrok als prikkel voor bedrijven die overwogen zich in deze loeiarme staat te vestigen. Pijnlijk.
Aan de andere kant ‘bezweek [Huey Long] aan de verlokkingen van het oliegeld’, al voordat hij werd vermoord. Toen en nu had hij dus gemakkelijk van hypocrisie kunnen worden beticht. Met meer of minder maagzuur?

1 opmerking:

  1. dank voor dit verhelderende stukje Marc, en de twee tips, het liedje van Newman heb ik inmiddels instemmend geluisterd, het boek van Russel Hochschild ga ik ook opsnorren.

    BeantwoordenVerwijderen