donderdag 17 augustus 2017

Streepjes hier en daar




Exact een jaar geleden voltooide Wessel te Gussinklo De Weergekeerde Bloem. Zo leert althans de ondertekening van deze roman: Noord-Beveland, 17 augustus 2016. Wanneer begon hij eraan te werken? Een rare vraag misschien, maar het boek zou gaan over zijn verbroken vriendschap in de jaren zestig met Kees Ouwens (1944-2004). En na diens uitvaart publiceerde Te Gussinklo een afscheidsrede waarin hij memoreerde dat ze elkaar eindeloos thuisbrachten terwijl de roman tot tweemaal toe beweert dat ze elkaar louter zagen in de studentenkamer van Ouwens – die in De Weergekeerde Bloem Marcel van Beek heet, mogelijk naar de bundel Als een beek (1975).
Grofweg stelt de roman een dubbel verraad aan de kaak. Marcel hecht geloof aan de bewering van zijn vriendin Lisette dat Hajé Gerritsen, zoals Te Gussinklo’s alter ego heet, avances heeft gemaakt naar haar. In de roman is de toenaderingsrichting echter omgekeerd, maar Hajé verklapt dat niet aan zijn vriend. En in eerste instantie had Marcel hem zijn vriendin doodleuk aangeboden.
Ook stelt De Weergekeerde Bloem Hajé voor als mentor in het schrijversvak wiens oeverloze monologen razendsnel in een roman worden geplagieerd door de sponsachtige debutant Marcel. Bovendien krijgt dit Gewaand bezit terstond een ‘homoseksuele uitgever’, die Hajés voorspelling waarmaakt: de man, met het voorkomen van een kameel, valt hooguit voor Van Beeks engelachtige uiterlijk. Deze had wel volhardende pogingen gewaagd bij literaire tijdschriften die hij, als alles, nauwlettend volgt, terwijl Hajé al een hoofdstuk voorpubliceerde van een roman.
Hier geeft de literatuurgeschiedenis van Ouwens De strategie (1968) en van Te Gussinklo het onvoltooide De expeditie. Een halve eeuw later wordt het decor van Ouwens’ debuut nogmaals zichtbaar (Helenaheuvel, het landhuis). En wanneer in De Weergekeerde Bloem Hajé zich ten slotte wil wraken door in een bordeel Lisette te bestellen, verschijnt ‘een plomp uitgevoerd boerenmeisje’. Zij zou de fameuze ‘naakte meid’ uit De strategie kunnen zijn.

Is De Weergekeerde Bloem een tragedie of komedie?
Marcel heet dan wel ‘de beginneling, de nieuwkomer’, maar ook ‘de begenadigde’. Evenzo beseft Hajé dat hij een afwijkende stijl heeft (‘Zinnen die elastisch rekten, vertragend, over bijzinnen en tussenzinnen, streepjes hier en daar, haakjes soms, en dan weer kort en snel zoals de beelden, de voorvallen het ingaven’) die principieel verschilt van het ‘onderwijzersproza’ van zijn vriend. Maar Gewaand bezit beschouwt Hajé technisch als voorbeeld. Marcel wordt nota bene opgevoerd als fanate lezer die wil leren, zijn vriend denkt juist autonoom te laveren.
De Weergekeerde Bloem pendelt dan ook tussen nederigheid en arrogantie: ‘En je schreef dezelfde woorden, dezelfde zinnen, je schreef zelfs betere als [sic] die andere bewonderde en succesvolle schrijvers, maar bij hen gloeiden de zinnen op door die kleine wending in de tekst, het ritme in de zinnen, dat was hun adem, dat waren zijzelf’.
Marcels souplesse steekt. In amper drie maanden voltooit hij op 23-jarige leeftijd zijn debuutroman, ‘alsof het al klaarligt, ik hoef het alleen maar op te schrijven’. Volgens Te Gussinklo’s versie zou er een fragment uit voorgepubliceerd zijn. Daarvan is mij niets bekend, wel dat Ouwens’ tempo nog hoger lag, getuige zijn historische ondertekening die wél begin en eind indiceert: oktober - december 1967. Ik kan de bron niet meer vinden, maar het schrijven van De strategie zou zes weken hebben gevergd. Zelf had Te Gussinklo drie maanden nodig, toen hij als 22-jarige De expeditie voltooide. Dat moet in 1963 gebeurd zijn.
In De Weergekeerde Bloem zijn beide personages zo geobsedeerd door literatuur dat ze permeabel worden.
Ouwens’ titel valt tijdens Hajés oraties over het vak driemaal. Deze neemt zich voor krachten te beschrijven die op een individu inwerken en waarop het reageert: ‘De strategieën daarin, het pareren, het judoën; al die pogingen tot overweldigen, alles heeft een reden, betekent iets.’ Over beelden en voorstellingen bij honger, dorst, macht en seks beweert hij een verhaal te kunnen maken: ‘Daar zit een intrige in, een strategie.’ En over onechte mensen die, juist bij hun meeloperij tegen ‘führertjes en duces en andere dictatortypjes’, niet eens in de smiezen hebben hoe machtsbelust ze zelf zijn, adviseert Hajé: ‘die strategie met rollen en beelden, de handigheid, het talent daarvoor, daarover zou je moeten schrijven’.
Tussendoor doemt een andere Ouwens-roman op, uit 1994. Dat gebeurt wanneer Hajé smaalt over zelfverklaarde vernieuwers die van de zin ‘hij ging de trap af’ een grafisch kunstwerk maken. Ze laten van links naar rechts telkens een regel verspringen ‘een, twee, drie, vier…’ Onderdrukt triomfaal maakt De Weergekeerde Bloem melding van Marcels writer’s block. Na zijn debuut raakt deze plotgewijs niet verder dan een man die gaat wandelen, plus inderdaad iemand die een trap afkomt. Ouwens kende het probleem – naast al de euforie die hij bij tijd en wijle in fenomenale taal wist te vangen. 

De Weergekeerde Bloem geeft enige biografische bijzonderheden: Ouwens zat eerst op ‘de pedagogische academie’ (destijds: de kweekschool) en stond af en toe als vervanger voor de klas. Daarna studeerde hij psychologie. Om precies te zijn stond hij ingeschreven, volgde geen college en deed geen tentamens. De geprangde ouderkind-verhoudingen in zijn oeuvre concretiseren Te Gussinklos personages met zijdelingse getuigenissen over een koesterende moeder en ‘dwingerige gewelddadige vader’ die hem meermaals in elkaar geslagen heeft, waarbij moeder zou hebben gesmeekt ‘het hoofdje’ te ontzien.
In hoeverre de waarheid hier gestand wordt gedaan, kan ik niet beoordelen. Te Gussinklo springt op andere, verifieerbare momenten zowel zorgvuldig als slordig om met de geschiedenis. Zo foetert Marcel dat hij de debutantenprijs ‘toch niet gekregen’ heeft. De Reina Prinsen Geerligsprijs ging destijds naar Een warm hemd voor de winter van Hans Vlek, en Ouwens moest het doen met een eervolle vermelding. Anderzijds verzwijgt De Weergekeerde Bloem dat Ouwens simultaan met De strategie de dichtbundel Arcadia uitbracht. Mogelijk probeerde Te Gussinklo zo de balans in de vriendschapsconcurrentie beter te bewaren – proza tegen proza!
Onduidelijk voor mij is dan weer dat de invloed van Reve en Hermans op de jonge Ouwens uitentreuren wordt belicht, maar niet die van Witold Gombrowicz. Diens vertaler wordt wel, indien mijn decoderingen kloppen, in het redacteurspersonage van Paul van het tijdschrift De Prosector als ruggengraatloos neergezet.
Bij de presentatie van Gewaand bezit laat Te Gussinklo Marcel de invloed noemen van Nabokov. Ik kan alleen bedenken dat deze niet de favoriet was van Maarten ’t Hart, die evenmin heel erg dol was van Gombrowicz. Ik kom ineens met ’T Hart op de proppen omdat Marcel in De Weergekeerde Bloem een vriend Maarten krijgt toegeschreven volgens wie holle, geconstrueerde boeken zijn als ‘kroonluchters die niet kunnen branden’. Die vergelijking stamt toch werkelijk van een decennium later.
Ronduit onnavolgbaar is De Weergekeerde Bloem over de rijpheid van de twee auteurs. Het was namelijk Ouwens die vóór zijn debuut aan tijdschriften had bijgedragen. Aan Podium in 1965 (als C. Ouwens en als Cees Ouwens) en 1966, en in 1967 aan Barbarber en De Gids. Het gangbare relaas dat de piepjonge Te Gussinklo zijn romanfragment uit De expeditie had gepubliceerd in Maatstaf en Literair akkoord krijg ik niet bevestigd, althans niet daar en evenmin hier.
Volgens mij ter beschikking staande bronnen op internet kwam Te Gussinklo tijdschriftgewijs juist na Ouwens. In 1969 had hij ‘De kleine welp in De Gids, met deze auteursinformatie: ‘Geb. 1944. Studeerde enige jaren psychologie. Debuteert in dit nummer met een fragment uit de roman De kleine welp.’ Ik vind het mooi dat dit geboortejaar evenmin klopt, want van Ouwens is.
Inderdaad noemt deze vlak na verschijnen van De strategie in een interview met Lidy van Marissing zijn drie jaar oudere vriend als geestverwant. ‘Hij is 28. In “De Gids” verschijnt een romanfragment van hem. Verder is er nog niets van hem gepubliceerd. Hij is de enige schrijver die met hetzelfde bezig is als ik.’

Voor mij blijven Wessel te Gussinklo en Kees Ouwens congeniaal. Sowieso lijken de auteurs op elkaar in hun extremisme: you love them or hate them. Ik meen dat ze writer’s writers worden genoemd, wat dat ook moge betekenen. Hun valt hooguit erkenning ten deel van zogeheten vakjury’s.
Mij beviel De Weergekeerde Bloem buitengewoon. Te Gussinklos aparte, al aangehaalde stijl is best te volgen. Zwenkingen in de taal lopen parallel aan die in Hajés gemoed. Misschien lucht me dit extra op wegens wat er in de Lage Landen inmiddels voor literatuur doorgaat. Kort gezegd, zonder in herhaling te willen vallen, is door de invasie van journalisten en wetenschappers, pakweg sinds de jaren negentig, die non-fictie bedrijven ten koste van het essay, stijl geen doel op zich meer maar voertuig voor informatie en lezerscoiffering. Afwijkend stileren vergroot het risico op de rol van risee wegens vermeende pretenties.
Ik meen dat die taal wat existentiëler van aard is. De Weergekeerde Bloem typeert Marcel door hem steeds zowel voeten als keel te laten schrapen. Toch is hij zelfs voor Hajé niet altijd verstaanbaar, laat staan begrijpelijk. Het spraakresultaat van Marcels soms radicale introversie stond ooit al aangeduid in De strategie: ‘”K, k, k”, zei ik.’ Taal moet op het lichaam worden veroverd. En wie de stijl van De Weergekeerde Bloem pulserend noemt, constateert een onregelmatige hartslag tegenover alle fenomenen van de wereld.
In die zin is de vernedering waaraan Hajé/Te Gussinklo zich blootgesteld voelt begrijpelijk. Waande hij zich eind jaren zestig al uit zijn tijd gevallen, de omstandigheden zijn niet verbeterd. Toen in 2001 commercieel interessante schrijver-netwerkers een bordkartonnen toneelstuk opvoerden bij uitgeverij Meulenhoff door voor hun zelfstandigheid naar een ander concern te gaan, bleven de meeste belangrijke auteurs, zoals Ouwens, bij dit fonds. Zij kregen daar natuurlijk ook meer ruimte dan voorheen. Maar de naam van Te Gussinklo (of Wim van de Woestijne, et cet) werd, voor zover ik me herinner, niet eens genoemd.
Is zijn werk louter stilistisch te precair? In De Weergekeerde Bloem onderscheidt Marcel nota bene ‘creatief proza’ van ‘essayistisch proza’, tot ontsteltenis van Hajé. En wellicht kunnen nuances in de stemming louter feilloos worden weergegeven door een combinatie van de twee. Toch lijkt het laatste prozatype onder de druk van de markt bezweken. En omdat zowel Ouwens als Te Gussinklo het niet van een spectaculaire plot moeten hebben, mag ik hopen dat hun teksten ergens toch blijven voortredeneren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen