zaterdag 10 juni 2017

Van onze neokritische verslaggever


Iets is misgegaan in mijn debat met Gijsbert Pols. Resoluut beëindigde hij het, omdat ik in mijn kritiek op zijn kritiek op het Boekenweekgeschenk hem bleek te ‘discrediteren’. Onder meer door zijn medium De Reactor ‘neoliberale collaboratie’ te verwijten.
Wadde? Dat zijn morele termen. En omdat Pols’ exercitie volgens mij in laatste instantie misplaatst was wegens groepsverheffing, krijg ik dat punt in mijn gezicht terug.
Ons engagement en politieke overtuiging, is mijn indruk, liggen nochtans dicht bij elkaar, dus speelt hier een verschil in tactiek of karakters? Pols geeft me de begrippen ‘uitwisseling’ en ‘handreiking’ mee. Daar ga ik inderdaad pas toe over indien ik overtuigd word van mijn ongelijk.
Voor derden moet het debat, al voordat het abrupt afbrak, bizar zijn geweest. Ik speurend over oppervlakten, halsstarrig zoekend naar meer argumenten, confronterend en vittend over tegenspraak; daarboven Pols over principes en algemeenheden, galant ontwijkend en inperkend, reagerend op metaniveau. En alle woorden bij elkaar, zeker door wat ik nu nog waag toe te voegen, overtreffen de lengte van Pols’ recensie waarmee het debat ontbrandde.
Bij zijn afscheid rangschikt Pols mijn teksten onder ‘neokritiek’. Voor niet-ingewijden: dat is een begrip van Rudi Laermans uit 1997. Het begrip kwam pas in omloop dankzij Geert Buelens’ nawoord in het Nagelaten werk (2011) van Jeroen Mettes. Sindsdien wordt het met de grootste vanzelfsprekendheid door letterkundigen (inclusief ikzelf) toegepast op boze witte mannen. Afgelopen week nog door De Reactor.
Neokritiek is zoiets als de bubble: hij zit uitsluitend bij anderen. Zij vinden een machtiger gutmensch ‘hypocriet’, waarmee ze echter hooguit tonen dat ze zelf niet sporen. Neocritici, hinderlijke vliegjes eigenlijk, etaleren een kleinburgerlijk narcistisch ressentiment. Ze zijn, zoals dat ijzingwekkend heet, fout.

In Pols’ kritiek op het Boekenweekgeschenk zag ik drie kwestieuze aspecten: de geldigheid van zijn interpretatie, de context ervan, en het mechanisme dat hij aan de kaak stelde. Die drieslag geef ik alsnog, omdat ik Pols’ wens van politieke recensies genegen ben. Maar zodra ze niet doordacht zijn, bevestigen ze helaas de bestaande toestanden.
Genoeg is gezegd over Pols’ interpretatie. Ik vond haar een schitterende mislukking vanwege haar selectiviteit. Die indruk bevestigt Pols’ vonnis van mij als neocriticus, een menstype dat schijnheiligheid proeft in de reductie van de morele verontwaardiging. Bovendien schemerde door Pols’ reacties dat hij bewust een groot, niet-ingewijd publiek opzocht en niet op nuances zat te wachten, laat staan op elementaire informatieverschaffing.
Ook de context is grotendeels belicht. Dat Pols uitvaart tegen een bestsellerauteur is naar mijn idee conformisme jegens de twee zelfverklaard kritische organen (De Reactor en Knack) die zijn tekst publiceerden. Het cruciale verwijt van ongelijkheid in gender en kleur docht me zelfs meewarig, gelet op de praktijk bij die twee media.
Voor De Reactor gaf ik daar enige cijfers bij. Het blankmannelijk aandeel in besprekers en besprokenen is er torenhoog. Voor partner Knack kan men desgewenst turven via deze link. Meer over literatuur, maar dan op papier, biedt het blad in de bijlage Focus Knack, tussen columns, artiesteninterviews en een televisie-agenda.
In een van zijn schaarse concrete antwoorden vertelde Pols dat ik lezers had misleid. De Reactor zou haar ‘diversiteitsprobleem’ niet kunnen beheersen omdat ze afhankelijk was van wat sympathisanten vaak gratis toestuurden. Die werkelijkheid rijmde met Pols’ voorstelling van de site als neutraal ideëel medium. Met name bij het kwetsbare genre van poëzie, waar inderdaad wel erg veel belangrijke bundels onbesproken bleven, zou die beperking voelbaar zijn.
Aangezien Pols eveneens vaststelt dat mijn neokritiek helemaal geen machtsrelaties wil blootleggen, wijs ik er even op dat de enige dichtbundel die tussen 30 titels op de voorpagina wordt besproken, afkomstig is van iemand die, beschikbaar in vele vertalingen, imponeert door de grootte van zijn netwerk. Het strekt zich uit tot en met de Reactor-redactie en raad van bestuur.
Details staan in Dichters van het nieuwe millennium, een boek met een zware Reactor-inbreng waarin zijn werk ook al verkozen is voor ampel commentaar. Verder belicht deze studie de enige bundel van de recentste aanwinst in de Reactor-redactie. Zijn wijde contacten worden belicht, en vervolgens de verbazingwekkend vele besprekingen (waaronder op De Reactor). Daarna toont de analyse dat de bundel restloos het paradigma van het twintigste-eeuwse witte modernisme navolgt.
Dit klinkt insinuerend. Daarom koppel ik mijn mechanisme-evaluatie aan Pols’ weerzin van white privilege. Dan valt op dat de machteloosheid die hij waarneemt bij de keuze van besproken titels, De Reactor er niet van weerhouden heeft aan Knack – voor niet-abonnees onraadpleegbare – recensies te leveren over de poulain van de Knack-baas, over een project van een raad van bestuurslid, enz.
Maakt allemaal niet uit, maar misschien van belang om scherpere contouren te krijgen. De Reactor is van stonde af, niet altijd even terecht, beticht van zulke praktijken en wuifde die kanttekeningen als oninteressant weg. De vliegenmepper van de neokritiek was nog onvoldoende verspreid.
Na mijn laatste bijdrage aan het debat bracht De Reactor meer wittemannenrecensies over wittemannenboeken. Er zat iets adembenemends tussen, iets gedegens dat beantwoordde aan de kwaliteitsclaim. Verder bleek de verrassendste recensietitel, een brieveneditie, bezorgd door een Reactor-medewerker. Als enige gecopubliceerd in Knack werd een abominabel voelsprietstuk. Het was van een bekroond auteur die een veel gelezen column in een concurrerend medium heeft. Hij besprak tenminste wel een vrouw, al introduceerde hij haar en haar oeuvre niet, druk als hij was met zichzelf.
Of deze praktijk nu de logica volgt van maatwerk, tolerantie, neoliberalisme of cliëntelisme, het mechanisme vertoont fatale gelijkenis met white privilege. Alsof de duvel er (louter in het westen?) mee speelt, van Brussel tot en met Washington. Ondertussen verandert er niets aan de ongelijkheid in het parallelle universum dat de dagdagelijksheid blijkt. Om met Pols te spreken: ‘De vraag die nu relevant is, is in hoeverre die witte mannen bereid zijn hun macht te delen.’

Pols onthult dat ik makkelijk praten heb ‘vanuit de marge’ van mijn ‘particuliere blog’. De Reactor zou daarentegen concessies moeten doen. Ik waan me in de jaren negentig. Het ontbreekt er maar aan dat ik weer tot zelfverkozen avant-gardist met zuiverheidswaan word gebombardeerd. Maar omdat mijn Pols mijn commentaren ontmaskert als ‘retoriek’ kan ik lastig een jij-bak plaatsen.
Laat ik zeggen dat ik andere ervaringen heb. Deze digitale plek stichtte ik, ruim een halfjaar voor De Reactor, uit morele verplichting tot transparantie, omdat me een werkbeurs was toegekend. Zo zijn hier verslagen van arbeid te lezen, invallen, lectuur e.d. Wie wil, kan drie boeken hebben zien ontstaan. Men heeft teksten kunnen inzenden (tot op heden allemaal witten, onder wie slechts één vrouw).
Ofwel Pols doet gewichtig over De Reactor, ofwel ik doe dat over De honingpot, maar de luttele keren dat ik voor die recensiesite teksten mocht corrigeren voelden aan als warming-up vergeleken met de inspanningen en verantwoordelijkheid die mijn eigen blog vergt. Hier zal dat neokritisch narcisme debet aan zijn.
Pols wrijft me inconsistentie aan die ‘nogal hol’ is, omdat ik in mijn kritiek op De Reactor die site gebruik als ‘multiplicator’. Daarmee bedoelt hij vermoedelijk dat ik ter plekke hyperlinks heb gepost naar mijn drie commentaren hier. Die actie voldeed nochtans aan de missie dat discussie over de vooronderstellingen en de praktijk van de kritiek er een forum krijgt.
Belangrijker, voor mij, is een ethische reden: de openheid van het debat zelf. Ik ben onder meer niet geporteerd voor Facebook omdat over iemands rug heen ongetoetste kritiek kan worden geuit, ook nog voor een voorgeselecteerd publiek. Volgens mij is het minder misogyn om niet alleen over anderen spreken, maar hun ook de mogelijkheid te geven het woord te nemen. Maar nu ik snap daarmee iets onoorbaars te hebben gedaan, zal ik deze huidige posting voor De Reactor verzwijgen en voortdobberen in mijn eigen bubble.
Onverkort ben ik Pols dankbaar openbaar te hebben gereageerd. Ik vrees overgevoeligheid te hebben getoond bij een volkomen inadequaat Reactor-signalement van een postume Hans Groenewegen-titel (waar ik zelf mijn best voor had proberen te doen). Toch het lukt niet me daar als ‘handreiking’ voor te verontschuldigen. De site pronkt ter linkerzijde bij haar dienstmededelingen nog dagelijks met Groenewegens naam. Ook na hem, als gevolg van haar neutrale politiek, met de publicatie van het signalement een trap na te hebben gegeven.
Op zijn beurt verwijt Pols me geen ‘verontrusting’ te hebben getoond over de diversiteitsproblematiek. Hij bekent daarmee dat zijn Koch-interpretatie er met de haren bijgesleept is. En ik vraag mij af waar mijn commentaren anders over zijn gegaan dan over uitsluiting. En waar heb ik op mijn blog al die jaren over geschreven? Of sinds meer dan twee decennia in mijn boeken, waarin ik pluriformiteit onderzoek?
Ten prooi gevallen aan dwalingen wegens het narcisme en ressentiment dat de neocriticus aankleeft, heb ik kennelijk gefaald. Van Pols’ zes mysterieuze auteurs die voor een Boekenweekgeschenk geschikter zouden zijn, viel één naam weg. Inmiddels de mijne dus ook. De tijd zal leren of in dit tempo de dienstdoende autoriteiten rekening mogen houden met de overgebleven kandidaten.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen