zondag 2 december 2012

Opwaarts en niet deleten

Haal gauw die rosjfoe-ko erbij –‘vaak is men standvastig uit zwakte en moedig uit bedeesdheid’. Ontnuchterend onderzoek uit Nederland. Zowel volgens Gabriël van den Brink als volgens Mark Bovens zoekt de middenklasse sinds enige tijd via ‘opleidingshomogamie’ niet alleen intern soelaas, maar selecteert daarbij ook etnisch. Verse gettovorming: autochtone ‘hooggeschoolden’, wat dat nog moge betekenen, scheppen hun eigen universum.
Het afzetpunt moet snel veranderd zijn. In 2000 kon Meindert Fennema empirisch bewijzen dat bij politici de integratie bijna was gepiept. Van samenwonende allochtone raadsleden had een derde een Nederlandse partner, en bijna de helft had één tot zes familieleden met een Nederlandse partner.
Ik heb reeds mijn ten berge rijzende haardos trachten te evoceren bij de muiterij tegen de eerste versie van het regeerakkoord, het Telegraaf-Wiegel-oproer voor eigen geldelijke glorie zeg maar. Dit zou nu plausibel zijn: men verdedigde veroverde posities. Ongemakkelijk is dan dat mijn eigen beroepsgroep in België zich niet meer tevreden stelt met de status van ‘arm maar sexy’ (Klaus Wowereit, geciteerd uit Koen Haegens’ Neem de tijd) maar zich deze week betuigd liet na de nakende verhoging op de ‘bevrijdende roerende auteursrechtenvoorheffing’. Voor ons maandinkomen, uitzonderingen daargelaten, kan een consultant nog geen halve sheet out of zijn box toveren. Toch zal een werknemer van een ngo in ontwikkelingswerk nooit bij elkaar gelobbyd krijgen wat kunstenaars wisten te bereikten. Ik vrees wel dat ze gratis stemmen hebben binnengehaald voor de N-VA door Lampedusa in Artistikistan te situeren. Het is dan ook niet voor iedere sterveling weggelegd om in een verstandshuwelijk met de media via het sjibbolet ‘creatief’ weer een antagonisme te scheppen met barbarisme – het besparingsplan was in drie dagen van de baan.
Bovenal heb ik met mijn open mind, desnoods te legitimeren met dikke boeken in meer talen waaronder soms Frans zonder Google Translate (‘on est souvent ferme par faiblesse, et audacieux par timidité’), bemerkt dat ik aan het nieuwe middenklassenprofiel voldoe. Ook de kennissenkring blijkt, even empirisch gestaafd, keurig opgeleid en in melk gedoopt. Bankiers ken ik dan weer niet. Kleurlingen met wie ik geregeld contact heb, zijn winkeliers, schoonmakers of crèchepersoneel.
Nog treuriger. Het taalkundig genie zit op een gemengde kleuterschool en begint zich wat te vervelen. Daarom mag ze meedoen aan een zogeheten kangoeroegroepje, met nog vier kindjes uit haar jaar – allen blank, allen van hoogopgeleide ouders. Hopelijk ervaart het peloton schooltaal niet als berg.
Hoe overleeft dan mijn medium, altijd in voor iets?
Een bekend programma op Poetry International, een festival dat zeker geen xenofobie celebreert, heet Het juiste woord. Daarin gaat het om interpretatieproblemen en oplossingen bij het omzetten van poëzie uit de hele wereld naar het Nederlands. Maar wacht even, dan spreken vertalers, over hún vondsten, vaak wel met bereidwillige medewerking van de maker van het origineel.
In een ander succesnummer, Doorfluisteringen, wordt een gedicht van een deelnemer door collega’s omgezet in telkens een andere taal, totdat de oorspronkelijke taal terug is en het ontstane verschil blijkt. Maar wacht, dan blijven de beslissingen in het proces onbelicht en is het louter lachen om het resultaat, vaak wel onder een vriendelijke blik van de bedenker van het origineel.
Misschien iets neutralers, een interview. Dan zit de dichter gewoon achter een tafel en kan hij vertellen over zijn praktijk in het land van herkomst. Maar dan moet er een bemiddelende taal worden gesproken, bij voorkeur Engels, voor het publiek natuurlijk én omdat er in dit format meestal twee dichters tegelijk aan de tand worden gevoeld, over een thema als ‘humor’ of ‘nieuwe media’. Wel luisteren ze vaak beleefd naar elkaar.
Afgelopen jaar kon ik op de openingsavond ternauwernood voorkomen dat achter de naam van Jan Lauwereyns behalve zijn geboorteland België ook zijn huidige woon- en werkland Japan op het meeleesscherm werd geprojecteerd. Waarom was een collega-emigrant als Leo Vroman (of desnoods ik) dan exclusief een Nederlander? Beheerste Lauwereyns de uitheemse taal beter? In De smaak van het geluid van het hart vertelde hij te ploeteren met kanji’s, de voor westerlingen extreem ingewikkelde ideogrammen. Om Lauwereyns’ publicaties in het Engels, waarin hij het kangoeroestadium al heeft bereikt, zouden zijn vorige pleisterplaatsen de Verenigde Staten of Nieuw-Zeeland passender geweest zijn.
Dat de rest van de week de fout in ere werd hersteld, had ik kunnen weten. Eens mochten voor een programma over Herman Gorter buitenlandse dichters in vijf minuten hun mening geven over een vertaald fragment uit Mei. Eigenlijk viel het mee dat dit culmineerde in een door publiekshandgeklap ondersteunde rappoging van een zestigjarige dichteres. Op basis van het aangeleverde materiaal viel immers niets te zeggen. Het ging om de daad van het zeggen, over een streekproduct.
De schermprojectie bij Lauwereyns zei onbeschroomder dat ‘Japan’, veel meer dan ‘Nieuw-Zeeland’ of ‘de Verenigde Staten’, zelfgecertificeerde ontvankelijkheid voor andere culturen behelst. Bij Franse dichters uit (half-)Afrikaanse ouders wordt het betreffende land van dat niet-westerse continent eveneens vermeld.
Rond dergelijk narcistisch exotisme zijn in België onlangs ferme uitspraken gedaan, ook naar aanleiding van literatuur. Rachida Lamrabets debuut zou veel verzet hebben ontmoet in de kritiek omdat daar een oude masculiene blanke overmacht zou zijn. Ik keek daar een beetje van op. Ten eerste denk ik dat dit getalsmatig onwaar is, ten tweede lijkt in de Lage Landen juist exotisme cultureelindustrieel rendabel, en ten derde leid ik uit lezing van de betreffende roman af dat die mannen als poëticaal ideaal nog immer het modernisme zouden voeren. Gelukkig is Lambaret nu breed geaccepteerd en boekt ook iemand als Chika Unigwe triomfen.
Misschien was mijn verlangen te groot iets geweldigs te ontdekken in hun romandebuten. Bij veel Afrikaanse en soms Zuid-Amerikaanse poëzie ben ik op dezelfde barrière gestuit. In elk geval overtuigt bij westerse schrijvers een soortgelijke stijl me als teken van een beperkte ambachtelijkheid.
Is er een punt denkbaar, waarop een middenklasse ‘open kan staan’? Komt het ‘downdaten’ vanzelf terug? Of kangoeroes nu ver- of hoogspringers zijn, eens landen ze (daar weet ik een leuke studie over, met een lapjesdier in de hoofdrol).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen