maandag 27 april 2020

Verloren gevlogen trekvogels?





Na een welkome voorpublicatie die het openingshoofdstuk bleek, verscheen in februari 2020 Het lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren van schrijver Pol Hoste. Hij baseerde deze roman op ervaringen uit 2003 in de genoemde Brusselse deelgemeente, toen hij er in opdracht van de KVS (Koninklijke Vlaamse Schouwburg) theaterteksten schreef met Belgische jongeren met een Marokkaanse achtergrond.
Sinds november 2015, met de aanslagen in Parijs en een klein halfjaar later in en rond Brussel zelf, is Molenbeek alom berucht en fungeert het als pars pro toto voor een hell hole. Daarbinnen onderging één jongerentype nog een reductie, als zijnde de aanstichters van het onheil, behorend tot ‘de’ islam. Momenteel heeft in Molenbeek 82% van bewoners een migratieachtergrond. Deze deelgemeente zou net zoals de Schilderwijk in Den Haag het failliet van de multiculturele samenleving tekenen.
De tweelandelijke parallel kan evengoed anders worden getrokken. Decennia voordien, toen de genoemde buurten werden bevolkt door zogenaamde autochtonen, vond je er geen dwarsdoorsnee van de bevolking. Welgestelden zaten elders. De buurten waren een toevluchtsoord voor minder gefortuneerden, wier kinderen evenmin een florissante opleiding genoten. Al in Het Belgisch labyrint vertelde Geert van Istendael over een hyperslim Molenbeeks jochie dat in zijn schoolloopbaan nog net niet werd gedwarsboomd door beschaafde Brusselaars, maar wel vernederd.
Dit sociaaleconomische licht werpt Hoste op de deelgemeente waar hij zijn opdracht krijgt, toen resulterend in de theatertekst La vie commence à Molenbeek. Anderhalve decennium later hekelt hij verkeerde investeringen. Niet aan criminaliteitsbestrijding, maar aan onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg mag van hem geld gespendeerd. Vanuit scheve kansen heeft Hoste ook ethische bedenkingen bij de wettelijkheid van straffen aan Molenbekers, die zelf legaal zouden zijn beroofd van lonkende vooruitzichten.
Het lag aan mijn opvoeding kiest evenmin de zijde van welzijnswerkers die ter plekke proberen goed te doen. Misschien staat hun discours Hoste niet aan, misschien hun inkapseling in maatschappelijke krachten waardoor ze even verlamd raken als ambtenaren die, zoals de roman meewarig beschrijft, absurde voorwaarden trachten toe te passen op aanvragen van een werkloosheidsuitkering.
Maar hoe lees ik nu? Ik doe aan classificatie door te reppen van een roman en leg die vervolgens onbekommerd op de werkelijkheid, terwijl de peritekst van Het lag aan mijn opvoeding geen genre geeft. Het enige verraad aan een opgelegde leeswijze komt onvermijdelijk van de NUR-code, hier 694, die blijkt te verwijzen naar ‘cultuur- en mentaliteitsgeschiedenis’. Ook stel ik de ik-verteller doodleuk gelijk aan de auteur. Zo vergaat het mij steevast bij dit oeuvre dat één grote figuur schept over wie ik me niet slaag uit te laten met gebruikmaking van comfortabele aanhalingstekens. Anders ligt dat bij de objecten van diens beweringen.
Tot op zekere hoogte identificeert Hoste zich met ‘zijn’ Belgisch-Marokkaanse jongens (aan het eind ontdekt hij niet te hebben samengewerkt met meisjes). Afkomstig uit de provinciestad Lokeren in het Waasland verhuist hij in de jaren zestig voor zijn studie naar Gent, waar dik tweehonderdduizend meer mensen wonen. Aan inburgering, een concept dat in deze roman als zijnde bruut assimilerend ter discussie staat, levert Hoste zich niet over. Veeleer waant hij zich ‘een vreemdeling in de vooruitstrevende en toekomstgerichte open stad Gent’. Identificatie grijpt bij hem ook plaats met ‘foute’ oorlogsvrijwilligers in de Eerste en de Tweede Wereldoorlog, en met Syriëstrijders.
De onvervaard kritische blik van de ‘Waaslandse vreemdeling’ bevordert evenmin zijn artistieke inburgering. Aan de zijlijn blijft ook de literaire schrijver Hoste. Hij bestaat volgens Het lag aan mijn opvoeding zonder werkbeurs van het dienstdoende fonds dat daartoe geen motivatie weet te geven, schetst het boek droog, terwijl zijn personage Karima op soortgelijke wijze constateert: ‘We worden gezien als iets uit het Noord-Afrikaanse verleden dat hier overleeft. Verloren gevlogen trekvogels?’ Aldus gaat dit boek over wat er zoal gebeurt wanneer mensen, met welke achtergrond dan ook, aan hun lot worden overgelaten.
Natuurlijk heeft Hoste de hoofdmoot van zijn boek gewijd aan Belgisch-Marokkaanse jongeren, die hun eigen stem van hem krijgen. Vermoedelijk lezen we niet de theatertekst La vie commence à Molenbeek, maar het voor- en na stadium ervan, het werkmateriaal plus overwegingen achteraf bij het schrijven, in onbewerkte taal. Bijna integraal worden we geconfronteerd met gesprekken die geen zelfcensuur toepassen. Wie een roman leest omwille van een plot, zal hier aan het verkeerde adres zijn. Wel dist Hoste energiek anekdotes op, door alles ‘recente gebeurtenissen’ te noemen zoals filosofen over ‘grote verhalen’ spreken.
Het is inzichtelijk te begrijpen wat ‘recent’ heeft ingehouden in de biotoop van de theateropdracht. Het KVS-project kaderde in een koerswijziging. Daar was in 2001 als artistiek leider Jan Goossens aangetreden, die het accent onder meer verlegde naar een ‘stedelijke werking’. Twee jaar eerder was de schouwburg onder Franz Marijnen verhuisd naar de Bottelarij in Molenbeek, van waaruit Hoste met zijn Belgisch-Marokkaanse jongens opereert. Zelf zeggen zij tegen hem: ‘Daarvoor hoefde men ons niet eens de toegang te verbieden. Er werd avant-garde theater gebracht voor net geklede dames en heren die hun dure auto’s in de straten van Molenbeek parkeerden. We staken de banden door, braken de spiegels af, sloegen de lichten stuk, gingen er met de autoradio’s vandoor.’
Voor Hostes oeuvre is zo’n observatie consequent. Reeds zijn debuut De veranderingen (1979) stelt lucide dat in openbare bibliotheken tijdschriften te vinden zijn met artikelen over de drempelvrees van arbeiderskinderen voor openbare bibliotheken. Dat leidt daar onder meer tot de conclusie dat boeken worden geschreven voor wie boeken schrijft. Ten tijde van de Molenbeek-opdracht zit de KVS vlak voor een verhuizing in 2004 naar de Arduinkaai, toen een paar panden vanaf dagblad De Morgen. Op 20 maart van dat jaar, vertelt een voetnoot in Het lag aan mijn opvoeding, viel de Verenigde Staten, gesteund door Engeland, manu militari Irak binnen. Aan hun bombardementen, gaat de noot verder, deed België mee. Als lid van een internationale vrijheidscoalitie.
Naar goede hostiaanse gewoonte herbergt Het lag aan mijn opvoeding tevens andere talen dan het Nederlands. Er zijn hele lappen Frans, een voertaal immers in Molenbeek, en soms Engels. Cynisch is de vraag van de jongens aan de auteur om alles op te schrijven wat ze zeggen, want de politie doet dat ook altijd. Existentiële dialogen dus, volgens de facilitator:

‘Iedereen kent je als degene die je bent. Niet zoals je voor jezelf bent, dat weet ik wel, maar als diegene die je voor hen bent. Misschien ben je zelfs voor iedereen iemand anders. Dat zou ook nog kunnen. Maar je bent altijd wel zoals je spreekt.’

Een krachtige passage. Het feit dat identiteiten geconstrueerd zijn, redeneerde socioloog Nathalie Heinich, maakt ze niet gelijk aan verzinsels, rijp voor de prullenbak. Hoste durft het aan voorbij die reflex te raken. Hij laat zowel overeenkomsten als verschillen klinken. Tegelijk zetten door hem getransponeerde stemmen redenaties en legitimaties op. Zijn het dan nog dialogen op basis van uitwisseling? Hoe dan ook argumenteren de personages uit Molenbeek, en dat is mijn belangrijkste motief om toch van een roman te spreken, erg hostiaans – zo pertinent en hardnekkig logisch dat ze een komisch effect sorteren bij tragische omstandigheden. Dat deze jongeren gehard lijken door het leven, doet niets af aan hun beroerde lot. En laat hen niet wezenlijk afwijken van hun gelegenheidsreporter.
Niet voor het eerst in zijn oeuvre vertelt Hoste over zijn eigen jeugd, als zoon van afgrondelijk onverschillige communistische ouders. Hij meldt dat het leger hem wel interessant vond omdat hij ‘karaktersterkte’ zou moeten bezitten, gekneed in hiërarchie en gehoorzaamheid. Gelukkig was Hoste, als bekend uit eerdere boeken, ook een kleinzoon van een liefdevolle selfmade vrouw, onwankelbaar onder beproevingen, wier naam Paula Saey blijkt en die door de buitenwereld Leineken genoemd werd. Wat deze grootmoeder bij wijze van herstelwerk expliciet ‘humanistisch’ betekende voor haar Pol, tracht de schrijver te zijn voor Belgisch-Marokkaanse jongens.
Hostes identificatie met hen heeft iets ironisch, omdat hij, geboren in 1947, hoort tot een generatie die, uitgezonderd nu tijdens de coronacrisis, door de tijd juist begunstigd is geweest. Zo beschrijft Het lag aan mijn opvoeding babyboomers ook, geëngageerd en gezond – én verwend tot en met verblijf op het authentieke Franse platteland, na jarenlang te zijn aangehoord in therapie. Toch is het contact met buitenbubbelse mensen voor deze generatie niet helemaal vreemd. Boekenutopisten onder hen gingen ‘de fabriek’ in om ‘de arbeiders’ te bekeren tot bewustwording. Hoste evoceert dat in zijn debuut De veranderingen met hoofdfiguur Achternet als ‘links revisionistisch kleinburgerlijk intellectueel’. Wie beïnvloedde uiteindelijk wie, voor zover standpunten permeabel waren? Ook in Hostes recentste boek zijn de machtsverhoudingen, ditmaal tussen ogenschijnlijk bevoorrechte autochtonen en achtergestelde allochtonen, niet eenduidig.
Vooral is de identificatie met gelovig opgevoede Molenbekers ironisch omdat Hoste vanuit zijn openlijk politieke afkomst onbekend is met godsdienst. Er zijn kennelijk hogere banden, die Het lag aan mijn opvoeding – hoe bitter kan een titel zijn! – meteen benoemt: ‘Eenzaamheid symboliseerde onze onuitgesproken solidariteit en oversteeg hun traditionele islamisme en mijn spirituele atheïsme’. Dezelfde ideologische afkomst is er de reden voor geweest dat, stelt het boek, Hoste ondanks zijn wetenschappelijke kwalificaties werd geweigerd voor banen in het onderwijs.
De communistische bloedband lijkt ook aan de basis te liggen van een Gladio-relaas in de roman, waarbij de auteur zou zijn geschaduwd. Op mij in een studeerkamer komt het enigszins paranoïde over, maar tenminste is er thematisch een verband met ‘preventief’ als terrorist opgepakte Belgisch-Marokkanen in Verviers, Charleroi, Vilvoorde, Antwerpen en in Molenbeek zelf. In Het lag aan mijn opvoeding wordt de Hoste-figuur ook opvallend vaak door de politie verzocht zijn identiteitsbewijs te tonen. Impliceert dit mede dat hij in de ogen van de buitenwereld minder een klassiek literair auteur geworden is dan een strijder?

Ik meen dat dit oeuvre van stonde af principieel polemisch was, doordat de diverse sprekers de gewoontes van beleefde gereserveerdheid niet voetstoots respecteerden en weinig terughoudend waren in hun verhalen en beweringen. Dan nog blijft het onmogelijk Hostes standpunt te fixeren.
Hier meldt de roman bijvoorbeeld: ‘De inclusieve samenleving ontkent de sociale en culturele scheidingslijnen in plaats van ermee om te gaan.’ Pleit dit voor of tegen identiteitspolitiek? Het gevaar daarvan signaleert filosoof Susan Neiman, pleitbezorger van een pre-ideologisch socialisme, omdat een meerderheid nog meer kan opeisen als specifieke groep, in plaats van mensenrechten te volgen. Het idee van inclusiviteit kan in de praktijk bovendien gepaard gaan met het uitbannen van andersdenkenden wier manoeuvres steevast een verkapt streven naar macht zouden zijn – dé manier om de mensheid, exclusief zichzelf, als hypocriet af te serveren.
Volgens mij ambieert Het lag aan mijn opvoeding ook helemaal geen standpunten te fixeren. Hoste baadt in zoektochten naar zijn gedachten, naar wat hij bedoelt tegenover de almacht van systemen die, bepaald niet rechtvaardig of meritocratisch, dagelijkse werkelijkheden ordenen. Hij schrijft zelfs ervanuit te zijn gegaan dat La vie commence à Molenbeek nooit zou worden opgevoerd. Mede omdat hij er veel omstandigheden in aangaf, zonder dat ze gezelschap kregen van een overkoepelende sociale of politieke analyse – die volgens hem bij het genre van het essay hoort. Hoste is altijd een schrijver geweest die meer zaait dan oogst.
Dit maakt Het lag aan mijn opvoeding tot een spectaculair boek in de zogeheten bijzondere tijden van corona. Officiële media hadden het vacuüm, bijvoorbeeld voor literatuur, kunnen aangrijpen voor verkenningen, kennismaking met onbekende teksten en auteurs. Maar cultuurpagina’s getuigen meer dan ooit van adresboekjournalistiek met oude bekenden, plengen juist meer anekdotes van een select groepje dat ditmaal antwoordt op de nijpende kwestie ‘En, hoe ging het afgelopen week met jouw quarantaine?’ Ik zou er veel voor over hebben te vernemen hoe dit in Molenbeek valt. Ook zou het me benieuwen hoe Hoste de kwestie invult.
Hij presenteert zich in deze roman als iemand met een groot hart, maar nadrukkelijker nog is zijn aanspraak op het statuut van wereldvreemdheid. Zijn eigen werk verklaart hij niet te begrijpen. Bij zijn Belgisch-Marokkaanse jongens geldt hij als een boekenwurm, evengoed inzake ‘de’ islam. En Het lag aan mijn opvoeding mag dan voorbeelden geven hoe hij tekort werd gedaan en afgewezen door maatschappij en literaire instituties, deze nederlagen gaan steeds gehuld in talige misverstanden die schijnbaar verholpen hadden kunnen worden door een praktischer geest.
Het is verleidelijk om dit boek op te vatten als zelfbeklag, maar volgens mij regeert het tegendeel. Er zit belustheid en zelfironie in de schetsen van faliekante mislukkingen. Genoemde Nathalie Heinich, die identiteit begrijpt in een krachtenveld van zelfperceptie, (zelf)presentatie en toeschrijving (door anderen) waarschuwde voor twee uitvloeisels bij auteurs die een extreme ontvangst ten valt, wanneer ze, na ofwel prestigieus gelauwerd of snoeihard gemarginaliseerd te zijn, hun zelfbeeld op orde moeten krijgen: narcisme en megalomanie. Die nare eigenschappen ontbreken bij Hoste; zijn zelfironie zwelgt niet. Bijvoorbeeld de roman Een schoon bestaan (1989) dient als hilarisch object in het Arabisch waarmee de ‘beëdigd vertaler’, consequent sprekend van Ene schone bestaan, zijn eigen gang gaat, inclusief schrappingen, toevoegingen en verzinsels.
Deze realiteit noopt tot extra accuratesse bij een neonlichtgeëngageerd etiket als ‘wit privilege’. Zoals de Belgisch-Marokkaanse jongens niet bepaald door een succesrijke elitevertegenwoordiger worden ondervraagd, zo ontbeerde Achternet in Hostes debuut ‘relaties’. Tegenover arbeiders stelde hij ‘als kleinburgerlijke intellectueel met voorzichtige linkse simpatieën’ een korte werkervaring als hulpmagazijnier in een winkel voor koorden.
In Het lag aan mijn opvoeding bekent Hoste dat hij met de KVS slechts een vage afspraak had, geen idee had of de opdracht doorging en of hij toegelaten zou worden. Weer wat later ontdekt hij dat ook Paul Pourveur voor dit project was aangeworven. Samen met diens Braise d’amour raakte La vie commence à Molenbeek bij theaterproductie S.T.O.E.M.P. die er een nieuw geheel van maakte – zodat Hostes tekst destijds al onbekend bleef. In 2008 zou hij nogmaals de theatersamenwerking aangaan, met Pain Perdu/ Gewonnen Brood, waarvoor hij zeshonderd bladzijden aanleverde.
Ruim een decennium later is er nu dan een roman. Uitgever is het legendarische Kritak dat, onder de paraplu van Lannoo, uit verontwaardiging over maatschappelijke ontwikkelingen is heropgestart. En dat wat schoonheidssteekjes laat vallen in de tekstafwerking van Hostes project. Het zal onsimpel zijn het in de markt te zetten. Met een titel die de complete openingszin beslaat, 17 woorden lang. Met een achterflaptekst die evenzeer de lengte heeft van een betoog, met contextuele en empathische informatie over Belgisch-Marokkaanse jongens en bijna niets over de auteur, terwijl er voor een breed publiek iets aansprekenders werd aangekondigd in de catalogus. En met een voorflap die geen afbeelding bevat maar een proefdruk van de eerste pagina.
Ook dat radicalisme en idealisme heeft iets passend faliekants, vanwege de reputatie van de auteur als eigenwijze perfectionist. Zo berichtte Tom Lanoye ooit over hem:

‘Ik vind dat je zoals Pol Hoste niet kunt weigeren interviews te geven en je dan tegelijk beklagen over het feit dat er zo weinig belangstelling is voor de literatuur in het algemeen en voor je eigen boeken in het bijzonder. Ik heb een hekel aan iemand die me wil imponeren gewoon met het feit dat hij zo goed kan schrijven. Dat interesseert me niet. Ik wil iets lezen dat me “pakt”. Anders word ik ten hoogste technisch geboeid. Dat is b.v. het verschil tussen Pol Hoste en Stef Hertmans. Ik heb bepaalde opmerkingen over hoe Pol Hoste met de media omgaat, maar ik vind het wel een goede schrijver, terwijl Stefan Hertmans mij alleen maar interesseert omdat hij inderdaad zo ver gaat in zijn behandeling van de taal.’

Pol Hoste gold als literair wonderkind, dat al in 1965 een keurmerk van Boon droeg voor hij pas in 1979 in boekvorm debuteerde. Hij schreef romans die meer dan welwillend werden ontvangen of gratuit verworpen. Rond de eeuwwisseling kreeg hij de Arkprijs voor het Vrije Woord, toen bedoeld voor linkse intellectuelen. Wel heb ik altijd het gevoel gehad dat men wachtte op het moment dat de auteur tegemoet zou komen aan de vraagzijde. Het tegendeel gebeurde, en Hostes productietempo stagneerde en hij zwierf langs uitgevers. Zijn naam kwam nog in de openbaarheid in een opiniestuk voor Knack (uitgerekend over literaire kritiek) en een boutade voor Doorbraak (over Sinterklaas). Gelukkig was er toen al, in 2017, de voorpublicatie geweest uit Het lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren.
Ik vind het superieur dat Hoste dit boek over zijn schier arcadische periode in die deelgemeente uitbrengt in 2020. Eerst moest er iets gebeuren dat de prangendheid van de locatie eindelijk zou aantonen, vervolgens moest elke geur van sensationalisme wegdrijven. Dat zal verklaren waarom dit boek unisono wordt begroet met stilzwijgen. De enige literatoren die doorpraten, zijn aangeworven uit het selecte groepje. En passant meldt het door corona even van publiciteitscampagnes af te zien. In zijn boek schrijft Hoste: ‘‘Hoe meer dergelijke gesprekken op me afkwamen, hoe meer ik de indruk had dat wat ik zei niet bestond en dat wie ik was er voor mijzelf al evenmin toe deed’.
In Molenbeek zelf zijn sinds de uitbraak van het coronavirus geen incidenten gemeld. Er wonen net geen 100.000 mensen op een oppervlak van bijna zes vierkante kilometer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten