donderdag 12 oktober 2017

Ga nooit weg zonder te groeten




Vandaag hebben we afscheid genomen van de locoburgemeester. Dik twee jaar nadat we zijn boezemvriend weg brachten. In de mini-gemeenschap die een straat mag heten is het nu echt stil. De herfst was nota bene maar net officieel begonnen toen hij om de hoek, bijna terug van een boodschapje voor de lunch, van zijn fiets viel. Toen was het al voorbij.
Gelukkig dat er mensen bestaan voor wie topzwaar metaforisch bedoelde woorden als ‘verbinden’ onnodig zijn. Met zijn lila-lichtblauwe trui en bril met getinte glazen sprak de locoburgemeester iedereen aan die wilde horen en zwaaide naar iedereen die het wilde zien. Behoudens een dagelijkse pelgrimage naar de vaart om de eendjes te voeren, verplaatste hij zich uitsluitend per fiets.
De eendjes kregen de restanten van het brood dat elke morgen in een zak voor zijn deur klaar werd gezet door een andere buur. Dat noem ik, misschien wat makkelijk, een mini-gemeenschap.
Natuurlijk kennen we inmiddels het begrip ‘deeleconomie’. Het is nog van toepassing ook. Op zijn koer kweekte de locoburgemeester meticuleus zo veel tomaatjes en prinsesjes (in Nederland: sperziebonen) dat hij het meeste weggaf.
Onwezenlijk om op deze dagen verbouwingsgeluid te ervaren van de nieuwe achterburen die aan hun tuin geen prioriteit geven, zodat ik geregeld op mijn platte dak bolsters van hun kastanjeboom uit mijn afvoerbuis vis. Deze jonge tweeverdieners communiceren met geprinte briefjes maar schijnen ook te bellen vanuit de auto.
Om te delen moet je elkaar eerst kunnen verstaan. Dat was bij de locoburgemeester, geboren en getogen in Mechelen, voor mij als Hollander niet eenvoudig. In Antwerpen had de ervaring al geleerd dat het begrip toeneemt naarmate het volume daalt. En op mijn beurt snapte ik ‘goeiemorgend’ meteen.
Bij de locoburgemeester voelde ik me sowieso gesterkt, doordat hij van stonde af grappen plaatste die uitliepen op een soort universeel nazagend keelgeluid. Waarna ik oprecht en in onbegrip altijd schaterde.
(In Antwerpen had een medebewoonster van het appartementengebouw me na een week toegebeten dat zij door mij, omdat ik de deur naar de binnenkoer zou hebben laten openstaan, ‘een valling’ had gekregen.
Zo uitgebreid mogelijk verontschuldigde ik me en nam daarna polshoogte bij de deur. Een drempel ontbrak! Zou dit zo iemand zijn die denkt nog één traptree te moeten maar al op het bedoelde niveau is aangekomen?
Het duurde maanden voordat ik uit een andere context de mededeling alsnog ontcijferde. Overigens gelooft Louis uit Hugo Claus’ Het verdriet van België niet dat zijn Bomama in bed ligt wegens een valling, omdat oude vrouwen geen kinderen meer kunnen krijgen.)
Spoedig konden de locoburgemeester en wij aan onze deeleconomie beginnen. Hij leverde groenten, wij lieten onze bereidingen daarvan, en ander baksels, door onze prinsesjes (in Nederland: kids) aan de deur bezorgen. Waarna klonk: ‘Zeg tegen uw ouders dat ze vriendelijk bedankt zijn.’
Wanneer driemaal de deurbel ging of er, meer keren per dag, werd geklopt op het raam, wisten we wie het was. Hij bracht ook zonnebloemen en legde uit hoe we de pitten eruit konden krijgen en op smaak moesten brengen.
Nu al missen we hem. Dat belooft wat voor zijn nabestaanden! Ze hebben geen afscheid kunnen nemen. Op het gedachteniskaartje stond dan ook een gedicht van Toon Hermans:

Ga nooit weg zonder te groeten
Ga nooit heen zonder een zoen
(…)
Wat je ’s morgens hebt verlaten
Kan er ’s avonds niet meer zijn

Dit kun je beschouwen als een reeks aanbevelingen uit De tuinman en dood door P.N. van Eyck. Op wat onontkoombaar is bereidt een slimme aardbewoner zich maar beter voor. Dus geen ruzie meer maken zonder het bij te leggen! Bwoeaah. Lief zijn voor de wereld!
Behalve met een onstandvastig lichaam heeft de mens rekening te houden met dusdanig stupide ongelukjes dat het niet-bestaan van God zich ook volmaakt woordeloos openbaart. In onze vaart bijvoorbeeld zwemmen behalve eendjes ook metaalrestanten – een jong koppel had in het holst van de nacht een bocht gemist.
Achter de op Belgische wijze inderhaast opgetrokken vangrail is het aangrijpende herdenkingstekstje op een geplastificeerd A4tje inmiddels verdwenen.
Van Reybroucks Para verhaalt onder meer van een militair die na een geslaagde missie wacht op het vliegveld voor vertrek. Om de verveling te verdrijven kruipt hij met een maat in de cockpit van een wrak. De maat drukt op een knop en de schietstoel blijkt nog te werken. ‘Zijn lief was al onderweg vanuit Duitsland naar Melsbroek om hem op te halen.’
Misschien had iemand met de handigheid van onze locoburgemeester die stoel gerepareerd. Hij was een echte fikser. Of hij daarmee ook ‘proactief’ opereerde, weet ik niet. Volgens mij beantwoordde hij gegeven omstandigheden. Zoals de hoofdpersoon van de film Oh Boy zijn sigaret, bij gebrek aan alternatief, aansteekt via een broodrooster.
Is streetwise dan het woord? Ik zou het wensen, gelet op het gemeenschapje dat de locoburgemeester mede heeft gesticht. Bij het afscheid werd verteld dat hij, ‘zoals dat toen ging’, op zijn veertiende van school is gegaan om te gaan werken. Inmiddels spreekt men daaromtrent, geloof ik, van de universiteit van het leven.
Welke instituut de opleiding ook mag hebben verzorgd, nu weten we zeker niet meer weg te mogen gaan zonder te groeten. Wel staat er een Addy Kleijngeld-liedje op YouTube, in een uitvoering van Dolf ‘Van Oekel’ Brouwers, dat die Ga-nooit-weg-tekst als refrein draagt.
Ik hoor het momenteel liever dan laaglandse regeringen, al dan niet in spe, die zich beroemen op economisch perspectief of op kansen voor ‘normale’ burgers. Of, aan de andere kant van het spectrum, op wie het meest recht in de leer is bij de edele sport van het ‘verbinden’.
‘Broere’, zei de zus van de locoburgemeester vanmorgen.
Mijn slotherinnering aan hem is non-verbaal. Hoe hij de laatste kastanjes uit bomen gekregen had. Eerst maakten zijn armen trekkende bewegingen, daarna vouwde hij ze schaterlachend om zijn hoofd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen