woensdag 6 september 2017

Hoe slim ze wel waren




Recent verschenen er twee artikelen over de literatuurbranche die de somberaar uit mij opdelfden. Eerst was er een met interviewcitaten doorspekt betoog over de ondergang van fictie, daarna een duogesprek over het failliet van de traditionele uitgeverij.
In plaats van fictie zou non-fictie de harten van lezers hebben gestolen. Margot Vanderstraeten poneerde dat consumenten bij het overaanbod, waaronder fake news, in elk geval enig nut uit hun leesinvestering willen halen. Dat klinkt geloofwaardig; de observatie stond ook in het pamflet Eerlijk waar? van Anne Provoost. Wel vraag ik me af of ontspanning, wegzeilen naar andere werelden, evenzeer een factor is (of denk ik dat door mijn huidige lectuur van Harry Potter)?
Ook Jeroen Olyslaegers sprak. Zijn succesroman Wil ontleende hij aan bronnen over de collaboratie. Dit ‘waargebeurde’ verweefde Olyslaegers in een conventioneel verhaal, waarmee hij zichzelf bleek te hebben heruitgevonden. Hij nam zich voor die aanpak te handhaven.
De wending die Wil heeft gemaakt, wordt in een groter verband verklaard door uitgever Harold Polis. Volgens hem is het publiek dusdanig veranderd dat inbedding in de cultuurgeschiedenis zinloos wordt. Toespelingen blijven onopgemerkt. Zou een hele laag uit Het verdriet van België dan verpulveren? Soortgelijke simplificaties ziet Polis in het vertellen. De houdbaarheidsdatum van onbetrouwbaarheid – die Polis op jaloersmakend orakelachtige wijze aanduidt met ‘Je est un autre, weet u nog wel’ – als artistieke en kennistheoretische strategie zou verlopen zijn. Autobiografisch vertellen beantwoordt de wensen en capaciteiten van de huidige consument beter.
Wow, wat een eensluidendheid! In een reflex dacht ik al dat ze berustte op provinciale myopie (alle deskundigen kwamen uit Antwerpen). Maar het klopt dat sociale media de vorm van getuigenissen-zonder-context hebben gelegitimeerd. Toch lijkt me die survival op basis van wat dan ideologische non-fictie mag heten geen lang leven beschoren. Wanneer dit de enige literatuur is die zichtbaar blijft, wint het scherm.

Het tweede artikel was een gesprek tussen Saskia De Coster en Marnix Peeters. Om cruciale redenen hadden beide schrijvers de deur van dezelfde uitgeverij dichtgeslagen. De eerste vertrekt naar Das Mag, de tweede heeft een geavanceerd eigen beheer geregeld.
Hoewel Peeters iets van een inhoudelijk conflict zag met zijn Noord-Nederlandse redacteur, lag zijn motivatie in de publiciteitsvoering, vooral via sociale media. Traditionele uitgeverijen hadden een wereld te veroveren. Hij verweet eerdergenoemde Polis niet direct een persbericht te hebben uitgestuurd toen iTunes een van zijn romantitels censureerde.
Bij De Coster telde publieksbereik. Maar ze suggereerde vooral dat bij Das Mag de redactionele begeleiding beter is en ze vergeleek het community-gevoel dat die uitgeverij wekt met de Bloomsbury Groep rond Virginia Woolf of The Factory rond Andy Warhol.
Ik bewonder de achteloosheid waarmee iemand zich afmeet aan groten uit de geschiedenis, hoewel de interviewer, al spraken hier twee vaste medewerkers aan het medium, misschien proporties had kunnen aanbrengen. Maar dat hier serieus een poëticaal programma verondersteld wordt wil er bij mij niet in.
Ooit bestudeerde ik een literair tijdschrift van Das Mag, las een opiniestuk van de uitgever en daarna letterkundige beginselverklaringen in een anthologie – waarna me geen andere conclusie restte dan dat originaliteit, vakmanschap of visie op de wereld juist ontbreken. Ideaal om het fraaiste en het lelijkste op te projecteren.
Misschien steek ik mijn licht beter op bij een bekwame lezer: Christophe Van Gerrewey. Hij las het Dag Mag-tijdschrift ook, meticuleuzer, bovenal annoteerde hij het bekendste boek uit het fonds, met ontluisterende gevolgen voor de hardnekkigheid van de overtuiging van wat professionele uitgevers vermogen. Etaleren.
Tegelijk nam Van Gerrewey het collega-critici kwalijk hun werk niet goed te doen. Nu ligt een aantal van hen aan de ketting doordat ze bij papieren media in luttele zinnetjes merkloyaliteit moeten opbrengen, terwijl Van Gerrewey ruim 2000 woorden kreeg (van het literaire tijdschrift De Gids). Toch zijn er ook recensenten buiten loondienst. Waarom geven ze niet thuis?

Een argument kan zijn dat de dienstdoende bestseller in spe te onbenullig is om publiekelijk over te reflecteren. Dat er onvoldoende podia zijn. Maar ik hoor evengoed dat men liever de vingers niet brandt aan merknamen met een doorgesponnen netwerk: opdrachten blijven nodig.
Het is boeiend om dezelfde Van Gerrewey, wederom in een literair tijdschrift (DWB), te lezen over de romans van Stefan Hertmans. Diens Oorlog en terpentijn fungeerde in het artikel over de wending in het vertellen en de hang naar het waargebeurde niet alleen als bewijs, maar werd ook uniform bewierookt en verkocht. Op een hoffelijke manier betoont Van Gerrewey zich ontgoocheld en bespreekt de enige kritische reactie, van Arnon Grunberg, een soevereine speler.
Intrigerend dunkt me dat Van Gerrewey romanoeuvrekritiek zowel literair-historisch als personage-getrouw opzet. Daardoor worden oordelen uiteindelijk moreel en gaan over empathie. Zo’n waagstuk slaat terug op de beschouwer die zijn eigen plaats in de wereld moet meewegen. Daarom noem ik Van Gerreweys analyse essayistisch.
Is daar een markt voor? Zijn essaylezers überhaupt consumenten? Uiteraard! Daarom werd mijn genoegen gesmoord doordat het betreffende DWB-nummer opende met de mededeling minder nummers te maken en meer digitaal te gaan publiceren, om als geheel een ‘dynamisch model’ te brengen.
Een soortgelijk besluit nam onlangs een ander meestal urgent tijdschrift, Streven.
Enfin, ze bestaan nog.
Gelukkig groeide het genoegen aan, toen het DWB-nummer ook ‘Marokkaanse jongens van Molenbeek’ bleek te bevatten, een tekst van Pol Hoste. Het veronderstelde autobiografische schrijven staat in dienst van een onderzoek naar misstanden in de wereld. Hoe verhoudt het ik, hier belicht vanuit opvoeding en school, zich tegenover mensen die in de knel zitten, met gevoelens van ontwrichting die iedereen aangaan?
Dat onderzoek betreft, net als Het verdriet van België doet trouwens, ook onze taal en metaforiek. Hoste noemt bijvoorbeeld ‘het bindweefsel van de samenleving’. Aanvaardbaar over anderen spreken veronderstelt een antenne voor registers die in- en uitsluiten. De antenne valt scherp te stellen door te luisteren. ‘Nu konden ze alleen maar bewijzen hoe slim ze wel waren wanneer ze erin slaagden om anderen te bedriegen.’
Voor mij hebben de Das Mags en die non-fictionalisten best bestaansrecht. Zolang teksten als van Hoste maar kunnen verschijnen.

Naschriftje
Geen fake news: Vanderstraeten blijkt haar succesboek Mazzel tov te hebben opgezet als roman, waarna het op advies van haar uitgeverij werd ondergebracht bij ‘non-fictie’. Ook gaf ze het op aanraden van een expert de ondertitel ‘Mijn leven als werkstudente bij een orthodox-joodse familie’.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen