zaterdag 1 juli 2017

Kritisch terugpoetsen (de karikaturale hoofdletter)?



Onlangs dacht ik hier de slimmigaard uit te hangen door te verwijzen naar een comment dat ik elders had geplaatst. Dat houdt de tent netjes hier wel zo opgeruimd.
Maar nu blijkt die site (rekto:verso) niet meer aan comments te doen, dus vrees ik alsnog mijn kamp te moeten volstouwen. Mijn commentaar ging over een recensie van Mia Vaerman op het Klein lexicon van het managementjargon (2016) door Rudi Laermans, Lieven De Cauter en Karel Vanhaesebrouck.
Misschien kwam het doordat ik dat boek net had gelezen dat ik niet veel van die kritiek begreep. Vaermans uiteenzetting valt nog altijd daar te raadplegen, en hier volgt dan nu vanuit de binnentent wat ik daarop te betweten had:

Heb ik recent hetzelfde boek gelezen? In de opsomming van al dat opgeklopte Engels systematiseert het lexicon volgens mij termen die al decennia rondslingeren. Ze zijn clichés geworden voor gelijkgezinden of voor hen die de hoop hebben opgegeven. En begrijp ik het goed dat volgens Mia Vaerman dit boek over taal zou gaan, desnoods als geniepig middel? De tekst ageert toch domweg tegen ‘het’ neoliberalisme dat er maar niet in slaagt inclusief te worden?
Inderdaad verwijzen de lemma’s voortdurend naar elkaar. Het boek vertelt steeds hetzelfde verhaal, zich legitimerend met usual suspects van wie het signalement er enkelen aanhaalt. Paradoxaal is dat de lemma’s door ideologische dubbelzinnigheden bloot te leggen taal uiteindelijk terugbrengen tot een set van enkelvoudige betekenissen die, stomtoevallig natuurlijk, met elkaar in een hyperlogisch verband staan.
Hun boodschap heeft zelfs zoveel urgentie dat de auteurs tot tweemaal toe Luceberts overbekende ‘alles van waarde is weerloos’ aanhalen, zonder er het feitje bij te vermelden dat die regel, hun stellingen ondersteunend, de slogan werd van een verzekeringsmaatschappij.
En omdat het zonder meer intelligente lexicon is opgesteld in een stijl zonder finesse maar met een aandrang voor aforismen, wordt het lezen op den duur vermoeiend, en ergerlijk door de wandtegeltjeswijsheden. Vaerman citeert er nota bene eentje, waar een opzichtige literaire verwijzing in zit: ‘Iedereen moet een onderneming zijn in het diepst van zijn gedachten’.

Voor gedesillusioneerden geeft het boek een lemma dat geen managementjargon is, want het bekritiseert: ‘graaicultuur’. En voor gelijkgezinden volstaat bijvoorbeeld het woord TINA, waarbij de auteurs ‘steekwoorden’ geven (privatisering, deregulering, flexibilisering). Mij ontgaat wat Vaerman bedoelt met: ‘In de jaren ‘80 injecteerden Margaret Thatcher en Ronald Reagan voor het eerst het bedrijfsjargon in hun politieke uitspraken.
Voor alle potentiële lezers geven de auteurs bij een frame het allerminst inclusieve voorbeeld van ‘noest werkende Vlamingen’ versus ‘luie Walen’. Nogal een, eh, afbreukrisico.
Dit lexicon scoort voor open doel. Toch loont dat niet eens altijd voor mensen die tot hetzelfde team horen. Om maar wat te noemen: verhelderend zou het zijn om te achterhalen in hoeverre de drie auteurs niet besmet zijn door de ziekte die ze diagnosticeren.
Ze gebruiken bijvoorbeeld onbesmuikt de uitdrukking ‘de focus leggen op’ en ‘focussen’ – Christophe Van Gerrewey berichtte ooit al over die bizarre noviteit. Ook weet het nawoord: ‘Meer flexibilisering werd een must’. Solo prees De Cauter onlangs in een open brief ‘competenties’ aan (van Rachida Lamrabet), gesteund door zo’n tweehonderd anti-neoliberalen.
Dit alles vind ik voor de goede orde geen schande. Wel een extra aanleiding om óók anti-neoliberale teksten onder de loep te nemen. Hoeveel mensen zien immers al geen ‘uitdaging’ (challenge) om iets aan de maatschappelijke ongelijkheid te veranderen?
Zelf schrijft Vaerman hierboven dat woorden een mentaliteit ‘creëren’. Zou ‘scheppen’ of ‘maken’ te weinig gewicht in de schaal leggen?
Mijn besmettingsbeeldspraak wil aansluiten bij het sluipend gif dat de auteurs in taal proeven. Elders is al geconstateerd dat ze hierbij letterlijk – zonder bronvermelding – citeren uit de fameuze studie LTI van Victor Klemperer. Daarnaast hoop ik met de besmettingsbeeldspraak een voorbeeldje te geven van taal die steunt en argumenteert op versteende metaforen. En die werkelijkheid lijkt me pas echt onderzoek waard, temeer daar ze niet dikwijls zo wordt ervaren.
Het lexicon bevat nogal wat van die metaforen, en ik vrees dat het signalement er vol mee zit. Vanaf het begin: ‘dat managementtaal (…) onze hele [sic] cultuur heeft overwoekerd. (…) vertakte zich snel als taaie klimop verder (…) om uiteindelijk (…) tot in de diepste poriën van onze identiteit te sijpelen. (…) aangetast (…) valt overboord.’
Misschien zal het onderzoek besluiten dat het voor iedereen onontkoombaar is niet een beetje ziek te zijn. Dat de titel van het signalement onaangenaam gedachtegoed ‘doorprikt’ waagt te noemen, lijkt daar al een bewijs van. Onbekommerd gebruik door de auteurs én recensent van de uitgeholde begrippen ‘vorm’ en ‘inhoud’ doet de rest.

Houdt een discoursanalyse dus ooit op en verkeert elke spreker onder het regime van wat de auteurs mooi benoemen als ‘heteronome autonomie’? Of denkt alleen hij, om in stijl te blijven, de perfecte match met de taal te hebben voor een click met de wereld? Dat zou een tragische toestand zijn, die bijvoorbeeld notoir is van antifascisten die in hun taal Julius Streicher naar de kroon steken (ai, versteende metafoor!).
Vandaar dat het lexicon bij mij uiteindelijk een tegeninstructie oproept: practice what you preach.
Is de kant-en-klaar behapbare vorm van het lexicon bijvoorbeeld zelf geen voorbeeld van de vermarkting van een tegenidee? De hopeloos omslachtige titel en ondertitel Klein lexicon van het managementjargon. Een kritiek van de nieuwe newspeak heeft er twee eindrijmen voor in petto. Terwijl het filosofisch klinkende ‘Een kritiek van’ die vermarkting misschien tracht weg te poetsen.
Boeiend vind ik Vaermans observatie dat de auteurs ‘als één spreken’ omdat de lemma’s niet zijn ondertekend. Zouden de uiteenlopende lengtes geen signaal kunnen zijn voor een meervoudig vertellerschap? En hoe komt het dat op het omslag de auteursnamen in een atypische volgorde staan: Laermans, De Cauter en Vanhaesebrouck? Is dit een impliciet protest tegen of juist bevestiging van het statuut van de eerste auteur in wetenschappelijke teksten?
Ik ben ook benieuwd waarom Vaerman de auteurs ‘de bijwijlen zeer Marxistische inslag’ van hun boek zou moeten vergeven. Die hoofdletter heeft iets karikaturaals. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen