maandag 1 augustus 2016

Joris Gerits (1943-2016)


Hij was ‘liefste prof van de UFSIA’. Die titel, die vandaag bij zijn drukbezochte afscheidsbijeenkomst onthuld werd, lijkt me niet weg te lachen. Volgens vele sprekers beschikte hij verder over de moed van de hoop. Dat bleek mede uit de herinnering van een zogeheten pluskind, die de eerste ontmoeting beschreef met hem, gestoken in witte sokken in sandalen, een plastic zak in de hand van Thomas Cook.
Ook de vakterm ‘ontmijnen’ werd toegelicht. Wanneer de spanning in een gezelschap steeg, maakte Gerits steevast een grap. Mij staat dat inderdaad bij (inclusief het sikkeneurige gevoel dat agonismen toch ook niet zo kwaad waren), al was de tijd dat ik met hem vergaderde bij Streven peanuts vergeleken met de periode dat hij redacteur van dat tijdschrift is geweest: 45 jaar.
Geweldig dat deze functie als tweede wapenfeit op Gerits’ rouwbrief vermeld stond. Toch nog een postume polemiek, met de minister die het blad zijn subsidie afhandig maakte? (En is ‘hottentottententententoonstelling’ wel het langste woord uit het Nederlands? Zou dat niet zoiets kunnen worden als ‘‘hottentottententententoonstellingssubsidieaanvraagbodemprocedure’?)
Elk overlijden van iemand die je ook maar een beetje kent en voor wie je al genegenheid hebt opgevat, biedt de verleiding herinneringen op te dissen. Ook dient spijt zich aan, bepaalde vragen niet gesteld te hebben.
Zo had ik graag Gerits’ mening geweten over een tekst waarop ik een tijd geleden stuitte bij het afgrazen van een oneindige zaak die Turing Gedichtenwedstrijd heet. Lang niet alle deelnemers bleken me onbekend. Maar de naam die mij het meest opviel was Rikkert Zuiderveld (‘Naam van de moeder?Maria. Gehuwd? Nee juffrouw. Maar het kind had Jezus moeten heten’).
Hij blijkt al heel wat boeken te hebben geschreven, en wekelijks een sonnet voor Met het oog op morgen. Zijn winnende gedicht, dat althans de top 100 haalde, heette ‘De maaltijd’:

Ze komen op een avond bij ons eten,
de moeder en haar kinderen. Ze lacht,
ja, uit Aleppo, zegt ze dan. Zo zacht
alsof ze het al bijna was vergeten.

De bonen smaken goed, de kip is mals,
we praten, drinken, proosten op het leven.
Ik vraag: waar is je man? Dan maakt ze even
een snelle snijbeweging langs haar hals.

Ze ziet hem lopen langs de rozenhagen,
zijn sterke rug, zijn innerlijke rust
en om hem heen de geur van zomerdagen.

Misschien heeft ze hem nooit vaarwel gekust.
Ik durf het haar gewoonweg niet te vragen.
Dan vraag ik maar of ze een toetje lust.

Wat zou Gerits hiervan gevonden hebben? Hij was een generatiegenoot van Zuiderveld, die de omgekeerde ontwikkeling had doorgemaakt. Gerits kwam volgens mij uit een gelovig gezin, volgde een gedegen jezuïetenopleiding – en brak de wereld in.
Bij al het geweld van ongetwijfeld veel belangrijker kwesties in de actualiteit die het overlijden van Joris Gerits overschaduwen, wil ik ten slotte wijzen op een unieke eigenschap van hem. Niet alleen de utopische wil om objectief en pluralistisch te zijn, maar ook – in poëzierecensies – het bewijs te leveren dat zeer veel verschillends hem lief was, desnoods tegensprekelijk.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen