woensdag 30 april 2014

Elite tegen elite: een uitnodiging

Ik zou graag eens een posting met ik beginnen. Dat zou nu helemaal gepast zijn, omdat mijn eigenbelang ermee is gediend dat de navolgende woorden ter harte genomen worden.
Graag nodig ik u, beminde lezer en criticus, uit om commentaar te geven op mijn jongste publicatie op mijn digitale archief. Dat artikel bevat stof voor een boek waaraan ik sinds 2008 werk. Mede met steun trouwens van het Vlaams Fonds van de Letteren, dus het is ook in het belang van burgers dat die tekst een beetje de moeite waard wordt.
Het artikel probeert parallellen te trekken tussen poëticale opvattingen van Leo Tolstoi en Gerrit Komrij, als geformuleerd in respectievelijk Wat is kunst? en Kunstwonderen. Op zoek naar de drijfveren van de moderne kunstmarkt en van de terreur die design heet.
Tussen die boeken ligt een eeuw. Mijn stelling is dat de constante ligt in twee punten van twijfel: aan de integriteit van zich vooruitstrevend achtende kunstenaars en hun beoordelaars, én aan het nut en de waarde van hun producten voor de samenleving. Bij die ingrijpende kritiek hebben Tolstoi en Komrij verder gemeen dat ze een centrum veronderstellen, waarvan ze zelf deel uitmaken. Ten slotte ontwaar ik een methodische overeenkomst. Om hun punt te maken zetten de twee auteurs populistische middelen in.
Ik kan niet beoordelen of mijn betoog hout snijdt. Wel dat ik bepaalde punten niet uitgeklaard kreeg. Daarvan is het belangrijkste dat mij ontglipt of Tolstoi nu links of rechts populisme bedrijft. Die wat onnozel klinkende etikettenvraag vind ik gewichtig, omdat mijn betoog iets wil opsteken van het hedendaagse cultuurpolitieke domein, grofweg het onderwerp van mijn boek. De Tolstoi-Komrij-materie zou historisch vergelijkingsmateriaal moeten aanleveren voor mijn behandeling van enige recente publieke debatten.
Links-rechts-tegenstellingen zijn verscherpt. Ik begon aan mijn boek naar aanleiding van de euthanasie van Hugo Claus, de vermeende veroordeling daarvan door kardinaal Danneels, de kritiek daarop van Erwin Mortier, enz. Met name bekeek ik de strijd zoals die op het internet werd en wordt uitgevochten, ook in comments. Daar zit van alles aan vast, waarvan ik geregeld verslag heb gedaan.
Steeds speelden ideologieën mee. Stond destijds Yves Leterme in het brandpunt van hoon en bijval, inmiddels zorgt de N-VA voor conflictstof. Blijvende factor ter overzijde is vooralsnog Guy Verhofstadt.
Inmiddels lijkt er een onoverbrugbare kloof ontstaan, waarbij het publieke debat minder door politici dan door opiniemakers gedomineerd wordt. Ze weten elke kwestie tot geestesgesteldheden te herleiden. Terecht is opgemerkt dat daarbij veel energie wegvloeit naar zelfgeschapen karikaturen van de tegenstander.
Onlangs zette een Italiaanse ex-president zijn grappig bedoelde opmerkingen over ‘de Duitsers’ voort door te stellen dat voor hen nooit concentratiekampen bestaan hebben, terwijl een Vlaamse intellectueel het Antwerpse N-VA-beleid tegenover werklozen vergeleek met ‘dwangarbeid’. Ik zou niet weten of hier retorisch verschil tussen zit. Maar wellicht ben ik in die bekentenis zelf populist.
Mijn opvattingen horen in het linkse kamp thuis, maar ik betrap me erop dat mijn sympathie taant voor de vorm waarin sommigen hun idealisme gieten. Die vaststelling beschaamt me, omdat ze een cliché bevestigt: liever een uit de bocht vliegende conversatie dan een donderpreek. Ik kan het ook formuleren in termen van mijn Tolstoi-twijfel: rechts populisme verdraag ik beter dan links populisme. Omdat links op basis van inclusiviteit iets aan de maatschappij wil veranderen en daarbij meteen taal van haar bestendigingen ontdoet?
Tegenover Leterme hanteerden ze nog een corpsballerige meewarigheid, maar nu zie ik intelligente mensen, die zich bij hun pleidooien amper impliciet beroemen op hun ruimdenkendheid, de meest vanzelfsprekende minachting over de N-VA uitserveren. Niet anders dan geobsedeerd valt de houding te noemen waarmee ze Bart De Wever als een ziektegeval behandelen en Liesbeth Homans met seksisme besproeien.
Welke effecten willen hun analyses eigenlijk sorteren?
Onlangs maakte ik een treinreis met ongunstige overstappen. In mijn tas stak Benno Barnards Dagboek van een landjonker. In die verzameling blogstukken stond veel waarmee ik het hartgrondig oneens ben, maar met de lectuur beleefde ik aangename uren. Wat mij voorkwam als onzin, werd in elk geval puntig geformuleerd. Dat talent is weinigen gegeven, al denken velen er over te beschikken. Ook vergt stijl een permanent onderhoud. In dat opzicht bevindt Komrijs Kunstwonderen zich in een pijnlijk stadium, temeer daar zijn specialiteit was iemand te pakken op geïsoleerde zinnetjes.
Een van Barnards koppen van Jut is Jan Blommaert, die als ‘professor’ door de auteur zelf denkelijk met niet eens serieus genomen strafwerk in de hoek wordt gezet. Het geschil schuilt in laatste instantie minder in ideologie dan in taalgebruik (incl. toon). Beiden hebben de gewoonte om zowel op de bal als op de man te spelen, en de een doet dat handiger dan de ander.
Hier dunkt mij dat tragisch, omdat Blommaert deskundig is in ‘het debat’ én omdat hij veel meer maatschappelijke ambities heeft. Zijn ideeën over superdiversiteit veronderstellen een eenheid die hij tegenover N-VA-sympathisanten ondermijnt met uithalen. Die interventies versterken bij de getroffenen het gevoel dat ze moreel minderwaardig worden geacht. Bij uiting van die indruk krijgen ze een trap met de psychologiserende diagnose voor Calimero te spelen. Om het gemekker over dat televisie-eendje te framen hoeft er louter nog een screentest te komen voor de minst empathische geit.
Soort zoekt soort, beweerden Tolstoi en Komrij (tegen de eigen soort). Dat is misschien een makkelijk verwijt, maar lastig weerlegbaar.
Ooit vond ik het een geweldig compliment dat een vooraanstaand recensent me toevertrouwde een boek van mij na een halve pagina al door de kamer te hebben geslingerd. Inmiddels kan ik er minder om lachen. Vandaar dat ik u, beminde lezer en criticus, waag te vragen om mijn jongste artikel van suggesties en verbeteringen te voorzien.
Op mijn blog heeft eerder zo’n verzoek gestaan. Die keer is mij goed bevallen. Wel bleek dat de publieke ruimte van comments, die hier erg toepasselijk is, niet iedereen vertrouwen inboezemt. Wie liever een andere weg verkiest, zou ik even dankbaar zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen