donderdag 9 januari 2014

Nanapen


Gennaro Pellicia, koffiemeester van Costa Coffee, verzekerde zijn tong voor zo’n elf miljoen euro. Ik kwam dit feitje weer tegen in de inleiding van het mooie boek Hollandse luchten. Dat Pellicia tot de waarborgsdaad overging biedt stof voor allerlei emoties, en is van een afstand te begrijpen. Mij boeit een consequentie: dat zijn tong alleen in perfecte staat kan zorgen voor herhaling. Van de saaiste soort? Zonder steeds dezelfde kwaliteit van bonen kan Costa Coffee acquireren wat het wil, maar gaat het op de fles.
Ik zit in dit freempje door een spel dat zich de laatste tijd mag verheugen in de belangstelling van het taalkundig genie: na-apen. Alles wat mensen om haar heen zeggen, loopt kans gekaatst te worden. Mij enerveert dat en de aanstichtster evenzeer. Wanneer bij een keuzevraag de gourmande aan haar vraagt ‘Wat wil jij?’ en vervolgens opteert voor wat haar grote zus wenst, dan rechtvaardigt ze dit desgewenst met de kreet ‘na-apen’.
Dat de koffiemeester van Costa Coffee daar zijn vak van heeft weten te maken om door te proeven continuïteit te bewaren, is voor mij even ongrijpbaar als het spelletje toen ik het zelf speelde. Destijds gespeld als ‘naäpen’ kon ik het woord niet eens uitspreken – ik noemde het ‘nanapen’. In het woordenboek geldt nog altijd de betekenis ‘(iem. of iets) (op een belachelijke manier) nabootsen, nadoen’. Dat brengt een tweede evolutie aan het licht, namelijk het verschil met papegaaien: ‘onnadenkend napraten’.
Intenties blijven alles, zelfs indien men, in de cadeauverpakking van de aftandsheid, een persiflage op zichzelf heet.
Hoe zit het met na-apen in literatuur? Ooit kwam na de imitatio voor kanjers het stadium van de aemulatio, inmiddels heeft er de schijn van dat een tekst niet zozeer iets nieuws als wel iets anders moet doen. Zal intertekstualiteit blijven, nu kennis van de geschiedenis wegdeemstert en multicommunicatie bressen slaat in ondergeschikte zinnen en in basisstructuren als onderwerp-persoonsvorm-lijdend voorwerp? Bij de traditionele intertekstualiteit als herhaling met variatie valt desgewenst de tegeltjesspreuk van T.S. Eliot te halen over professioneel stelen (dat dus nooit papegaaien kan zijn?). Succesboeken worden echter wat directer geïmiteerd. Zelden met hoog rendement, en da’s maar goed ook. Anders zouden er buiten de eeuwige projectievelden formules bestaan.
Voor literatuur heten formules dodelijk, maar wie zou er een verbod op durven uit te vaardigen? Dat mij voor de hedendaagse verwachting het predicaat ‘anders’ boven ‘nieuw’ gepaster lijkt, laat al zien dat ik, helaas, geen opties meer ontwaar voor volstrekte originaliteit. Ze valt onder de vermoeiende en hovaardige aandriften. In de laatste decennia van de twintigste eeuw zwol de kritiek aan op vernieuwing annex originaliteit als concept, dat zelf blind zou zijn nagevolgd. Echolalie.
Dit heeft toch wel wat gevolgen. Net als de wereldbevolking zal het gros van de schrijvende mensheid bestaan uit meelopers. Maar waar de in zeef der eeuwen altijd een handjevol auteurs bleef steken dat vernieuwing in het vaandel droeg, maakt de nowhere man inmiddels meer kans. Ik parkeer mijn karretje in een pastoraal wij met de vraag of we niet allemaal een beetje zijn zoals hij? Het parool zou dan worden: geen pretenties meer!
Een fraai voorbeeld bracht Wolke 9 van Andreas Dresen. In die film luistert een oudere man naar elpees met treingeluiden, waarvan op elke track de locomotief eerst wordt geduid. Met zijn vrouw maakt hij soms een dagtripje zonder bestemming, etend in de coupé en naar buiten kijkend. Die vrouw vindt, vanzelfsprekend terecht, dat mannen pas soldaat kunnen worden nadat hun moeders daar toestemming voor hebben gegeven.
Sporen van zulke antiovertuigingen zijn te vinden in de hedendaagse politiek. Zeker in België, waar de nakende verkiezingen van 2014 een omwenteling beloven. In het huidige paradigma lijkt de term contrarevolutie adequater. Ze tracht ongedaan te maken wat bij het na-apen van rituele vernieuwingen kapot zou zijn gegaan.
Wie had dat kunnen voorspellen? Kunstenaars? Of rijmt dat met het achterhaalde plaatje? In zijn eerste Burgermanifest uit 1991, dus vlak na de val van de Muur en vlak voor de opkomst van internet, zag Guy Verhofstadt, pleitbezorger van innovatie, een uitbarsting van creativiteit in het ‘volksculturele landschap’ [zijn cursivering]. Met name bij jongeren, een werkelijkheid die zijns inziens werd genegeerd: ‘Ze ontwerpen kleren of theaterdecors, zijn met popsounds en computerprogramma’s in de weer, restaureren oude meubelen of gebruiksvoorwerpen, stichten een orkestje, richten een videostudie of zeefdrukkerij op, geven een nieuw design aan lampen, interieurs of huisgevels, schrijven boeken over grootmoeders keuken’ [mijn cursivering].
Uit de hoge hoed van de geschiedenis kan natuurlijk ieder zijn gelijk toveren. En in het voorbeeld, een lofprijzing op de ‘spontane’ vrije markt die gesterkt wordt door liberalisering, diende cultuur ook minder de do it yourself-mentaliteit van pakweg de punkbeweging dan een zelfstandig ondernemerschap ten bate van de hatchback voor de gesneden wortelen in gezinsverpakking.
Tegenover de overheid werd het parool: laat me met rust! Om deze morele cocooning kon Verhofstadt in het tweede Burgermanifest uit 1992 niet echt lachen, maar zei zo’n optreden te begrijpen. Dit zou de realiteit zijn geweest: ‘De Pool of Italiaan is nog net aanvaardbaar, want Europeaan, de Turk of Marokkaan al lang niet meer.’
Ons staat ten slotte bij dat in het Latijn lingua zowel taal als tong betekent.
Heeft na-apen domweg een spanning die onwisbaar is? Onlangs bleek voor strenggelovigen geen gebod zo streng, of het bracht wel een dispensatie met zich mee. In die geest herinner ik me ook het spelletje. Het was een aaneenschakeling van pogingen om vóór de ander te komen, en nooit het origineel te zijn. Monkey’s the one who laughs last.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen