donderdag 27 juni 2013

Hans Groenewegen (3)

Dat Poetry International de namen bekendmaakte van de juryleden voor de nieuwe editie van de VSB Poëzieprijs tussen Groenewegens dood en uitvaart had wel iets. Het festival schiep ooit een biotoop waar vooral onbekommerd experimenterende dichters op de grens van fictie hun ideeën over ongelijkheid uitwisselden. In die tijd en vanuit die gedachte, waarin het geschreven woord centraal stond, heeft Groenewegen, na een valse start op wat in Wageningen de Landbouwhogeschool heette, literatuurwetenschap en Nederlands gestudeerd en hij werd journalist voor De Waarheid en Forum (het weekblad). Inmiddels komt, in de vorm van een door een bedrijf gesponsorde prijs, de wereld expertise van Poetry kopen: het organiseren van evenementen, hier rond ‘genomineerden’. De ‘winnaar’ mag vervolgens optreden op het festival, dat opbiechtte bij de keuze van dichters mede te letten op de voordrachtskunde.
De VSB Poëzieprijs afficheert zich als de belangrijkste. Die zekerheid moet wortelen in de geldelijke beloning maar ook in rituele reacties op de competitie tussen de genomineerden: wie er ontbreekt en wie moet winnen. Dat zelfs jurynamen als nieuws gelden, komt snobby over maar is normaal in de bedrijfswereld. De voorpret volgt een postideologische logica. Wel lijkt de voorzitter ‘uit het maatschappelijk culturele veld’ de blikvanger. Behalve zijn bekendheid en passie, te onderstrepen in de jaarlijkse bloemlezing De 100 beste gedichten van, brengt hij resultaatgerichtheid en probleemoplossend vermogen mee. Hij fungeert als consultant die klussen kan stroomlijnen.
Groenewegen zat bij de Jan Campert Stichting die prijzen in meer genres uitreikt. Daarvoor liggen niet zozeer debat, naamsbekendheid en geld te wachten, als wel een essay en symbolisch kapitaal. Door telkens slechts ‘de winnaar’ te noemen ontbreekt het strijdbeginsel dat aandacht moet genereren. Het budget komt uit gemeenschapsgeld. Ook is de jurybezetting groter en vertrekt ze vanuit continuïteit. Er geldt geen zittingstermijn. Dat wekt een stabiele indruk, wat een consultant evengoed kan opvatten als zwakte tegenover de innovatie. Ze moeten tijd en aandacht fixeren en hun object, zoals Groenewegen tot ergernis van Mettes deed, in zekere zin objectiveren.
Tegenover de VSB die gestalte geeft aan piekmomenten, bouwt de Campertjury ambachtelijk een repertoire op van kanshebbers. Lancering versus context. Ik weet niet wat heilzamer is. Groenewegens aangehaalde historisering van Flarf geeft bijvoorbeeld een eyeopener die de geschiedenis dichterbij brengt, maar het verschijnsel evengoed kan stukrelativeren. En uit een vergelijking tussen de resultaten van Groenewegens juryschappen en de VSB-winnaars kan ik geen chocola maken. Van de laatstgenoemden kreeg alleen Lieske nooit een Campert-prijs; van de eerstgenoemden raakten louter Verhelsts Nieuwe sterrenbeelden en Gelèns’ Zet af en zweef niet genomineerd.
Groenewegen heeft voor een periode van zeven vette jaren aan de Campert-jury meegewerkt. Dat blijkt relatief kort. Daaraan liggen meer oorzaken ten grondslag. Het schuurde tegen zijn aard rangschikkingen te maken (blijven & verreizen bewijst dat hij ibbel werd van zowel Komrijs permanente als De Groene Amsterdammers eenmalige hiërarchie). Maar Groenewegens keuze dit juryschap te beperken was ook om de democratische waarde van het plaatsmaken na te komen.
Simultaan raakte symbolisch kapitaal inflatoir. Zelfs de P.C. Hooft-prijs ontkwam daar niet aan; de laureaat die zeven jaren geleden mede op advies van Groenewegen die eer mocht hebben, geeft inmiddels uit in eigen beheer. En conform de verschuiving van tekst naar presentatie is de Campert Stichting voor de uitreiking evengoed soelaas gaan zoeken bij een festival.
Sowieso miste Groenewegen de recentste Campert-bekroning voor poëzie, die evenmin tot de VSB-genomineerden doordrong: Hoe H.H. de wereld redde van Wouter Godijn. De titel lijkt te verwijzen naar het decennium waarin Groenewegen studeerde, maar slaat op een pianist die boeddhist werd. Wel werpt Godijn op het Gedichtenweekthema een aardig licht, van de werkelijkheid. Hij opent met ‘Een soort brief aan de lezer’, waarin hij bekent te zijn gaan schrijven vanuit dat concept van de verwondering ‘en toen opeens – boem! – ziek’. Toen werd de verwondering, staat er poëticaal beladen, ‘ontoegankelijk’:

Met de ziekte kon de verwondering niets beginnen, hoe ze ook haar best deed,
ze kreeg er geen vat op, er viel niets aan te verwonderen.
Ziekte maakt alles strak, overzichtelijk, ja,
kale-tafelachtig.


Die tafel brengt me bij een dichter-essayist over wiens dichotomische denken Groenewegen uitgebreid heeft gereflecteerd: Herman de Coninck. Een tafel is ongeveer een meter hoog, en dat noemde deze de psychische ooghoogte. De Conincks idee was dat volwassenen noodgedwongen op dingen neerkijken, terwijl de verwonderingsdichter als een kind omhoog moet blikken om de normaalste zaken te kunnen ontwaren. Dat de psychische ooghoogte behalve een ander perspectief volgens de bedenker ook een aanbevelenswaardige perceptie geeft, hoeft geen betoog.
Door de opgefriste blik op een object richt de aandacht zich onvermijdelijk mede op degene die dit mogelijk heeft gemaakt: wat knap als volwassene de ballast van kennis te dumpen! Lezers die daar gevoelig voor zijn, bejegenen de wereld verwant. Het is dat apparaat van zelfstrelende vooronderstellingen dat Godijn bekritiseert en dat voor Groenewegen, allergisch voor de troost van de verwondering, kennis belemmert. Hij ploos daar paradoxaal eigen interpretaties voor uit.
Nieuwe pogingen blijven nodig. Tragikomisch verspreidde zich vanuit het initiële digitale doodsnieuws de schitterende mare dat Groenewegen ‘voor de Arbeiderspers een aantal maal de bloemlezing “De 100 beste gedichten” samen[stelde] waarin de poëzie-oogst van het voorbije jaar werd in kaart gebracht’. Wel was hij met zijn brede blik goed uitgerust geweest voor die taak, bijvoorbeeld als vervanger van De Coninck die vlak voor die klus stierf. Toch leek Groenewegens kritiek op hem een diepe angst te openbaren, voor zeg maar het splinter-balksyndroom. Hij vermeldt De Conincks eigenaardigheden die veel van diens leeftijdsgenoten parten speelden: na kerk en autoriteit te hebben weggebonjourd een soortgelijk gezag vestigen. De in 1956 geboren Groenewegen was officieel één jaar te jong voor deze protestgeneratie, maar heeft haar praktijken helemaal ervaren. Om ze te vermijden had Groenewegens bloemlezing kunnen uitpakken in een duizelingwekkend project.
Mehr chocola!

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen