zondag 26 mei 2013

Eerst je handen wassen (4)


Een buitengewoon ingewikkeld vraagstuk: wat wil de doorsnee sterveling, ditmaal in zijn hoedanigheid van lezer? Waarschijnlijk weet een groot paard het antwoord, maar mij verbaast dat men in het belang van de beschaving zeker is over wat de lezer nog niet interesseert, onder het terechte motto dat er meer is dan P.C. Hooft. Zo valt laagdrempeligheid tot en met collega Van der Meijde te rechtvaardigen. Maar de vraag is wel wanneer P.C. Hooft aan bod komt. Er is wegens het evenementisme een overaanbod van expertise in verleuking, maar in literaire kritiek?
Hans Goedkoop mocht in de jaren negentig beginnen met ‘stukjes’ van 1000 tot 1500 woorden, ‘min of meer de standaard voor een hedendaagse boekbespreking’. Hij ontdekte snel dat dit te krap was. Voor op een hele pagina mocht het dubbele. In diezelfde krant is heden een volle pagina goed voor een derde van die tekst; de rest is voor illustraties. Het aantal sterren dat een boek krijgt, indiceert de omvang van des recensents onmacht – een samenvattingscultuur.
Ik denk niet dat deze ontwikkeling exclusief opgaat voor culturele thema’s. Een van de redenen waarom de standsverpulverende roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje zo’n effect sorteert, is dat er voorpagina’s in rondslingeren:

‘TERREURDREIGING NEDERLANDSE MAROKKANEN

Daaronder stond in honderd woorden: een geschiedenis van de Marokkaanse migratie naar Nederland, de problematiek die daarop volgde, een verklaring voor de Marokkaanse lust tot terreur, een overzicht van de Marokkaanse terroristengroepen in Nederland en een analyse van de bestrijdingsplannen die de dag ervoor in Den Haag waren aangekondigd.’


Anno 2004 ziet Goedkoop om zich heen reeds ‘corveedraaiers’. Ze beoefenen ‘onbetrokken professionalisme, gemaskeerd met retoriek die anders wil doen voorkomen (…) Literatuurkritiek als pervertering van goed lezen, ik ben bang dat het vaak echt zo ligt.’ Toch praat Goedkoop als een blogger avant la lettre veel over zichzelf, zij het in relatie tot kwesties die een boek opwerpt en die tot heroverwegingen leiden – hij toont zich tegenover proza verwant met wat Hans Groenewegen met poëzie heeft gedaan. Oordelen, die inherent zijn aan een samenvatting, hebben daar nauwelijks raakvlak mee. Er moet aandacht zijn voor een oeuvre, waaruit een tekst is voortgekomen.
In de huidige gang van zaken zijn er echter relicten. De amnesie van het actualisme dringt zich op, om nog één keer met Ton Lemaire te spreken, waardoor een schrijver ofwel meervoudig debutant (buiten de circulatie) ofwel merknaam (binnen de circulatie) wordt. In het verlengde daarvan heerst zelfs bij de meest welwillende critici angst om saai gevonden te worden. Maar Goedkoop doet bij bezoeken aan leesclubs in Drenthe ervaringen op, die rijmen met de mijne: de interesse is technisch, literatuur geldt als autonoom fenomeen alsof Merlyn, hij zegt Drop, nog levend is! Nu kan die unzeitgemäße blik op zijn beurt gekleurd zijn, omdat psychologie & autobiografie onverwoestbare breekijzers blijven, maar het gaat hier wel om de legendarische boekendoelgroep van vrouwen vanaf de middelbare leeftijd.
Over hen valt meer te zeggen. Herman Franke deed dit in het artikel ‘De culturele omnivoor is van zeer eenzijdige komaf’ (2000): dat oudere deelnemers aan hogere cultuur zich geregeld buigen naar lage cultuur, maar dat een omgekeerde beweging zich zelden voordoet. Ook herinnert hij aan een jammerlijke stagnatie. Babyboomers zochten het in hun jeugd in hogere kunstuitingen dan hun ouders. Dat had met opleiding te maken, met protest, en met de fijne glans die er over bijvoorbeeld literatuur lag.
Frankes artikel is opgenomen in de postume bundel De ziel van Nederland. Elders schampert hij daar over ‘de postmoderne Middeleeuwen’, wat voor mij wel iets verhelderde. Zoals ooit God de weg aangaf aan stervelingen zonder dat die op een kaart iets wilden verifiëren, zo zijn nu disciplines aan het wegdeemsteren die niet sexy heten. Maar de alzheimer zit dan toch werkelijk bij hen die zichtbaarheid als maatstaf hebben genomen. Of het oordeel daarover nu positief of negatief is, beaatheid is de leidraad.
Dat moet de reden zijn geweest dat Thomése zijn nogal furediaanse lezing Het raadsel der verstaanbaarheid heeft omringd met J. Kessels-verhalen, waarin hij een soort l’amusement pour l’amusement uitprobeert, dat in elk geval mijn slappe lach bijna tot aan het gaatje krijgt en dat zijn directe rendement bij de lezers verhoogt: ‘Als ik in de toekomst jullie je huidige onbegrip betaald zal hebben gezet, dan graag wel in de correcte valuta.’ (Het bamischandaal)
Thomése was degene die uitgerekend voor zijn debuut al de AKO-prijs won. Goedkoop heeft de reacties beschreven op de introductie van dergelijke commerciële prijzen in termen van allergie. Zelf was ik het alweer vergeten, maar de term ‘akoïsering’ sloeg op alles wat vies en voos was, ‘een vloekwoord parallel aan de vertrossing, en zo had de prijs al voor de eerste uitreiking een etiket’. Goedkoop brengt in herinnering dat vooral jongeren uit het veld de vlucht vooruit namen en nieuwe literaire mores omarmden.
Never Judge A Cover By Its Book, uiteraard, maar tegenwoordig gelden die prijzen probleemloos als ‘de belangrijkste’. Onzin natuurlijk, maar het went, net als de gewoonte van boekhandelaars om na ‘de nominaties’ te verkondigen of ze er gelukkig mee zijn. Ook een verschijningsvorm van een oordeel. Kan het anders? Nu zou ‘akoïsering’ camp wezen. Een decennium geleden meldde Goedkoop dat juist in deze constellaties de logische fixatie op de persoon van de auteur omgekeerd evenredig is met de argumenten van de tekst. De praktijk van de criticus wordt zo uitgehold, juist in pogingen het publiek terug te winnen, zei hij. En: je eigen recensies veranderen ‘in een pastiche’.
Toen al werd hij door dergelijke toch weinig hemelschokkende observaties als elitair en verwend weggezet. Met gekwetste minachting? Het resultaat zal er niet minder onpluralistisch op worden geworden zijn. En nu? Is het niet hilarisch dat P.C. Hooft een BN’er werd, als naamgever van de duurste winkelstraat op Neerlands aarde voor de rijkste mensen, die volgens anderen, onmetelijk rijk van geest, trappelen van de holheid? Bestaat daar een sententie over, groot paard? Ben je er klaar voor? Kun je dat ooit echt zijn?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen