zaterdag 25 mei 2013

Eerst je handen wassen (3)


De nieuwe elites: het klinkt bijna ouderwets, gerimpeld dallerig, en ook wat vernietigend. Behoort Joop van den Ende ertoe? Het Koningslied was in zijn musicalstijl geschapen. Minder dan de ernst regeert in dat genre de pathetiek, in de trant van Marco Borsato die, in de Soundmixshow ontdekt, een Van den Ende-product mag heten (net als André van Duin).
Bij de meningsvorming rond het Koningslied werd Van den Ende als cultuurpaus bezien, zelfs met het in de jaren zestig niet malse etiket ‘regent’. Saillant, omdat dat type volgens James Kennedy insluitend op protesten reageerde, in de trant van if you can’t beat them join them. Inmiddels ondersteunt Van den Ende leerstoelen en dies meer. Hij schijnt met Connie Palmen, die met haar kritiek op populisme een prototype van de Grachtengordel mag heten, begin van deze eeuw al naar New York gegaan om een nieuwe versie van Cyrano de Bergerac te zien.
Hoe veel ingetogener betoonde Van den Ende zich dan de DWDD-stamgast en de columniste. Zij deden me denken aan Youp van ’t Hek met zijn publieke sneren jegens de provider van zijn zoon en gaven het idee dat er voor grillen en invallen geen eindes zijn. Heette dat triomfalisme niet hybris? Of was er een interne strijd ontbrand tussen wat dan soorten BN’ers moeten wezen? Ewbanks, Deckers zijn minstens zo succesrijk en kregen al de naam Ibiza-artiesten. Die afkeuring van platheid dunkt me ronduit plat en er zijn tijden geweest dat Ibiza een place to be was voor de high brow.
Voor zover het nodig is krasse dichotomieën te maken, zijn er mensen met veel en weinig poen, of met veel en weinig invloed, en die handig ‘communiceren’ en niet. Of tussen die eigenschappen een causaal verband bestaat, is ongewis. En of die mensen ook bijdragen aan de conversation of mankind? Wat de genoemde (moeiteloos uitbreidbare: even later deden twee gerenommeerde voetbaltheoretici prime time ook mee) critici onderscheidt van het gelegenheidsdichtervolk is de vlotte babbel, het altijd parate geintje. Onbegrensd zelfvertrouwen?
Mogelijk maken ze deel uit van wat dichteres en theologe Renée van Riessen noemde de opvoeringscultuur. Ze bedacht die term naar aanleiding van kringgesprekken op de kleuterschool. Op de vraag ‘Wat heb je dit weekend gedaan?’ vergruist het antwoord ‘niets’. Naar buiten treden wordt het parool, wat koren op de molen is van ‘welbespraakte kinderen uit actieve gezinnen’. Ze vinden het gaandeweg ook vanzelfsprekend dat om hun verslag wordt gevraagd. Bij Furedi trof ik meer kritiek op deze ogenschijnlijk stimulerende methode om de communicatie te verbeteren: ze oefent dwang uit op niet helemaal autonome mensen die liever forfait geven: de sociale druk van de docent is nog te hoog, zodat er, op straffe van onwettigheid, emoties moeten worden getoond – en dan waarschijnlijk echte! Een verregaande gedragsengineering: wil niet telt niet.
Kannonen op muggen? Of is dit soort kritiek inherent aan de middenklasse, zoals Ton Lemaire suggereert, door een sluimerend onbehagen met de moderniteit om te zetten in premoderne verlangens (‘onbedorvenheid’) langs hi tech middelen (weblog)? De reeds gesignaleerde tweede auto voor boodschappen bij de ecospecialist heeft immers een iets grootschaliger evenknie in Boeings voor geheel verzorgde vakanties naar de laatste aardse paradijzen aan de andere kant van de globe. Ben ik zelf aan het musealiseren?
Ik zoek mijn leest. Naar aanleiding van Arjan Peters ging het hier onlangs over het internaliseren van normen. Dat betekent eveneens dat het verschil tussen idealisme en pragmatisme zo gradueel wordt. Voorbeeldje. In Mena-Muria. Wassenaar ’70: Zuid-Molukkers slaan terug vertelt Tete Siahaya zijn wedervaren als medebezetter van de Indonesische Ambassade. Net als bij Peters is dit relaas een legitimatie van de praktijk. Siahaya legt het politieke doel van zijn volk uit, waarvoor zijn actie was opgezet. Dat zijn groep in de gevangenis vervolgens geen toestemming krijgt om één jaar na dato de Wassenaarse bezetting te herdenken, kan voor hem het zoveelste teken van disrespect zijn – er is wel een politiebewaker bij gedood.
Talen en ideologieën schampen, wat andermaal blijkt uit de koffietopos. Siahaya rept van ‘een bakje koffie’ en ‘een bakje bruin’, en drukt zich daarmee net iets anders uit dan de voormalige kolonialisten. Zelfs zijn klacht over de kwaliteit van het slechts met additieven te neutraliseren gevangenisbocht is afwijkend geformuleerd: ‘Zonder suiker lijkt de koffie wel afkomstig uit een sloot waarin een dier in staat van ontbinding verkeert’.
Iets anders is de waardering die derden daarvoor opbrengen, of de motieven die ze zien. Zoals Peters aan de hand van ineengeflanste necrologieën vooral het dagelijks beroepsleven relativeert, zo bekent Siahaya niet te hebben geweten wat voor een belangrijke persoon ze hadden gegijzeld: ‘Soeharto’s eigen zwager!’ Hij vindt ook dat Nederland, door in de Tweede Wereldoorlog slachtoffer van de nazi’s te zijn geweest, logischerwijs de kant van de Zuid-Molukkers behoort te kiezen die door de Indonesiërs verraden zijn. Dat de laatsten zelf werden gekolonialiseerd door Nederland vergroot zijns inziens die morele verplichting. Evenzo heeft Peters allerlei anekdotes tegen cultuurkritiek die hij als azijnpisserig pessimisme opvat en sneert naar collega’s die beunhazen zouden zijn, maar hij kijkt weg van het feit dat allen acteren in een concerneconomie – en hun boekobjecten in een lifestylecontext. Om die reden vind ik zijn apologie belangrijk, als document.
Het andere uiterste is een metabewustheid van dit industrialisme als zijnde onvermijdelijk. Zo lijkt P.F. Thomése het uit te spelen in het satirische deel van zijn oeuvre. Bijvoorbeeld in J. Kessels. The Novel, waar hij een tournee aan koppelde met de DWDD-stamgast als gitaarspelende partner in crime. The Novel wist met een satanische redundantie onder meer dit: ‘Je hoefde een lezer echt niet iets aan te bieden wat hij zich totaal niet afvroeg. Het was zaak bij de lezer een bepaalde vraag te creëren die in feite reeds aanwezig was. (…) Publiek dat al achteroverleunt, buig je niet meer recht. Publiek dat ergens over nadenkt, dat is net zo zeldzaam als een rechte banaan. Ze bestaan wel, maar je ziet ze nooit.’ Moeten schrijvers dus schipperen door lange neuzen te trekken?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen