dinsdag 26 maart 2013

Ga ik, omdat de klank die ik zie mij eindelijk hoort (no flutter)


Topnieuws bestaat: er blijkt een virtuele plek voor oude en nieuwe geluiden. Ze hielp mee aan de realisatie van de akoestiek op de Dam anno 1895, zoals afgebeeld op een schilderij van Breitner. Daartoe moest onder meer een paardentram rijden, waarvoor de juiste condities gevonden werden in het Oost-Duitse plaatsje Döbeln. Er lag rails op de correcte breedte, er waren kasseien (en er was een wagon).
Ik ben niet de enige die hierdoor gefascineerd is geraakt, nadat erover te lezen viel. Natuurlijk is zo’n enscenering nep, maar ze zegt iets over de kracht van de verbeelding en de nooit belangenvrije rol van techniek. Bovenal zet ze een streep onder een onblusbaar verlangen naar werkelijkheid dat niet per definitie hoeft samen te vallen met nostalgie.
Uit het artikel bleek verder dat er onderzoek voor het NWO wordt gedaan naar de sociale rol en betekenis van geluid. De onderzoeker benoemt twee soorten geluid, die het gevolg zijn van een voortschrijdende ontwikkeling. In de geschiedenis was er eerst een hi-fi omgeving, en toen lo-fi. Oorspronkelijk waren geluiden van elkaar te onderscheiden, maar in de moderne lo-fi omgeving, zeker die van een stad, is er meer ruis en loopt van alles door elkaar heen.
Nu dan interferentie, waarvan de particulariteit open ligt. Geluid is veel, zoniet alles. Het feit dat ik in deze lente genoeg krijg van de winter, heeft te maken met de sporadische momenten dat er nog ijs ligt. Het geluid van krakend ijs vind ik althans onovertroffen. Een van de erg aardige dingen aan de zomer is vervolgens dat door de betamelijke temperatuur ramen open kunnen blijven staan. Zo kun je op elk moment van de dag meeleven met de lo-fi buitenwereld, die soms hi-fi wordt. Door het pand waar ik nu een paar jaar woon, besefte ik althans pas dat ik een decennium in de nabije omgeving geen vogels had gehoord – een bijna beschamende constatering, dunkt me, zonder het minste talent te hebben voor arcadisme of enigszins ruraal existeren. Ook vrees ik iets te veel te hebben gelezen over het authentieke, met name over de hang daarnaar.
Onlangs dacht ik aan een geluid, dat voortkwam uit een hilarische combinatie van ijdelheid, nieuwsgierigheid en argwaan. Het klonk bij het programma Raden maar wanneer presentator Kees Schilperoort aan de beller moest verzoeken de radio wat zachter te zetten: de gelukkige wou er zeker van zijn dat hij door de hele natie te horen was. Overigens bestond dat geluid uit niet meer dan een beetje gepiep en gefluit, maar het had in zijn afstotendheid zo zijn charme. Surfend op een mij wat minder himmelhoch stemmende site over jeugdsentiment begrijp ik dat Schilperoort bijdroeg aan een groter programma van de KRO, Tussen Twaalf en Twee.
Ja vroeger, beste gerontomanen, toen waren er nog eens pauzes (waarin samen met de vers belegde broodjes kaas de karnemelk zo uit de koe kon worden getrokken).
Vermoedelijk geïnspireerd door Raden maar organiseerde mijn geboorteplaats, iets voorbij de helft van de jaren zeventig, om het eind van de lagere-schoolloopbaan te vieren een quiz. Er was splinternieuwe muziek bij, die wellicht (nog) niet helemaal op onze situatie van toepassing was, en er klonk een geluid dat niemand kon thuisbrengen. Volgens de jongen die het met zijn cassetterecordertje opgenomen had omdat er geen bonen inzaten en het geluid dus niet volledig natuurgetrouw was, volgens mij omdat het geluid voor mijn generatie in statu nascendi onherkenbaar was geworden omdat geen van onze ouders het apparaat nog gebruikte.
Het moet nogal wat zijn geweest, de introductie van snelfiltermaling in de jaren zestig. Ze gaf vaart aan wat toch een van de meer cruciale bezigheden des levens is. Inmiddels zouden we doorgeslagen zijn naar het andere uiterste, van het gedachteloze gemak, waarbij Nescafé en Moccona een tussenstadium waren van een race die met de Senseo en de Nespresso het tempo heeft zien exploderen en zogenaamd personaliseren. Als reactie daarop is de slowgedachte op vele vlakken het pleit aan het winnen. Exclusief voor fijne luiden? Stemt het geërgerd ratelen van de koffiemolen hen mild of weekhartig? Laten ze het er na gelegitimeerde consumptie bij zitten?
Destijds waren gezinnen groter en het aantal hulpstukken kleiner, zodat drukte ook iets moet zijn geweest dat in zijn volle letterlijkheid bestond. De snelfiltermaling kan aan de niet per se door de paus ingezegende verlossing hebben bijgedragen. Doordat er ongeveer simultaan elektrische koffiezetapparaten op de markt kwamen, verdubbelde het voordeel zich: er hoefde niet meer gemalen, maar ook niet meer opgeschonken. Wel bracht deze uitkomst een eigen akoestiek. Wat zeg je? Waar ben je nu helemaal mee bezig? Volgens mij zijn koffiezetapparaten tegenwoordig nogal stilletjes. Maar van de eerste types herinner ik me een gargantuesk gegorgel – iets moest het werk doen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen