maandag 9 april 2012

Tot aan de voltooiing van deze wereld


Door de definitieve wederopstanding van Tom Boonen, minder dan twee maanden nadat hij definitief was afgeschreven omdat hij de sprint van Omloop Het Nieuwsblad verloor van een jongere landgenoot die dus door de natuur wreedheidshalve tot opvolger was gebombardeerd, zit er niets anders op dan de andere paasgaven te domesticeren. De link met wielrennen is naar mijn idee weinig vergezocht. Niet alleen omdat peuters ook een doelgroep zijn (waar nu de ouders nog voor betalen en er straks spaarvarkens leeggeschud worden), maar bovenal omdat ze soms, in niet nader te specificeren gevallen, een ‘wandelende reclamezuil’ zijn, vergeleken waarbij Jean-Marie Pfaffs fameuze overhemdboordje zo ongeveer het Etruskische stadium markeert.
Zoals Giorgos Hantzis schreef:

descriptions of obsolete emotions: poetry

whatsatstakeisthisss : the wagtail’s ssslithering
(which is non existent: the wagtail neither wags its tail nor slithers)

taken further the analogy between one oxymoron and another:
as an instrument to investigate the future:

a nice bench with an ancestor on it sitting cross-legged
[snedige vertalingen steeds welkom, dank u, MK]


Hantzis stelt mij overigens gerust dat uit Griekenland niet alleen onheilstijdingen verwacht blijven mogen worden, maar ook erg fijne poëzie. En om de voormalige natiekaders meteen maar te voltooien: bedoelde gaven worden in Nederland verzorgd door de paashaas en in België, iets metafysischer, door de paasklokken. Hun belangrijkste marktaandeel schuilt in snoep – het taalkundig genie gaf ’s ochtends vroeg aan het ouderlijk bed te verstaan dat ze de chocola van de eieren die misschien hopelijk afgeleverd waren, door de verdiepingen in het huis heen kon ruiken.
Haar zus kreeg onder meer zandbak- en strandbenodigdheden waarbij, zoals het een echte gourmande betaamt, uitsluitend de appelgroene zeef aandacht kreeg. Maar dan wel zoveel, dat ze het geval aan tafel wilde hebben en daartoe haar bord wegschoof. Voortaan moet het ding recipiënt spelen voor haar yoghurt met cassissiroop. Is dat een omgekeerde wereld? Wie wil er leven in een maatschappij waar zaken bij voorbaat onmogelijk worden verklaard?
Het taalkundig genie is dan weer in de ban van een wel erg curieuze vinding: een springtouw met teller. Ik blijf mezelf inprenten dat ze er dolgelukkig mee is, maar moet er eigenlijk niets van hebben dat ze nu voornamelijk bezig is records te breken en telkens ‘het touw even op nul’ zet. Mijn twijfel aan haar fanatisme komt voort uit een allergie voor kwantificeren dat stilzwijgend een teken van kwaliteit wordt. Uit Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen leer ik dat ik aldus wel eens een tik mee kan hebben gekregen van de mythische jaren zestig en zeventig waarin een ambitieverbod scheen geheerst, inclusief listige uitvluchten (kinderen aan sport en muziek laten doen).
Wel weet ik de herkomst van de touwtjespringmanie. Onlangs presenteerde der taalkundig genies school een circus – kindjes van hogere klassen vertoonden daarbij kunsten die in vaktermen onder ropeskipping vallen. En wellicht waren de verwachtingen gedurende de maanden die de schoolonderneming vergde tot onderschatte hoogtes gegroeid. Ongevraagd had het taalkundig genie geadviseerd de poster voor het hooggeëerde publiek met de tekst naar buiten op ons voorraam te plakken. Op de koer had ze met krijt genoteerd: ‘cricus’.
Zelf associeerde ik het fenomeen met bakken ellende. Dat is niet helemaal mijn schuld, maar ook die van boeken. Op de lagere school verkeerde ik wegens het aangehouden studietempo veelal in andere sferen maar was er geheel bij toen klassikaal een tekst werd voorgelezen waar ‘de zigeunerjongen Pedro’, nochtans een crack in trapeze, zijn einde vond in het zaagsel van de piste. Later werd ik van een circusrelaas in een van Gerard Reves allermooiste verhalen, ‘De acrobaat’ uit Vier wintervertellingen, niet bijster veel vrolijker.
Gelukkig corrigeert de werkelijkheid. Al beperkte het zich tot één school, het evenement had een gemeenschapsgevoel geschapen waar in de postideologische en -seculiere samenleving normaliter slechts voetbalwedstrijden of tragische doden zorg voor kunnen dragen.
Anderzijds bereikten mij liedjes die ik lichtjaren geleden voor het laatst had gehoord en toen al als kitsch van me afschoof: ‘The Final Countdown’, ‘Eye of the Tiger’…
Verreweg de grootste indruk maakten, goh, alle optredende kinderen. Niet door wat ze ten tonele voerden, maar door een simultaneïteitje daarbij: ze keken al kunstenmakend net zo lang in het publiek tot ze het thuisfront hadden gedetecteerd en er, steevast op het moment suprême van de act, gezwaaid kon worden. Deze dubbele blik, die als een heus verfremdungseffekt het fictiescenario doorkruisde, deed mij smelten. (Uiteraard was die van het taalkundig genie met afstand het mooist.)
In de professionele showbizz mag zoiets niet. Maar het is een type overtreding dat Orpheus ook maakte, en daar zijn toch een paar aardige dingetjes uit voortgekomen.

P.S. De dubbele blik wordt gebanaliseerd bij sportwedstrijden, wanneer toeschouwers zichzelf op een televisiescherm zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen