woensdag 4 januari 2012

Voornemen

Het jaar 2012 zal ongetwijfeld weer de perfecties aaneenrijgen.
Blijkbaar heb ik in een blogstukje vorig jaar mensen boos gemaakt, zoniet gekwetst, met wat kritische kanttekeningen bij de media-aandacht voor het overlijden van kinderboekenauteur en toneelrecensent Roel Verniers. Ik ben nog te weinig puber dat zoiets me niet zou spijten, en nog niet oud genoeg om te moralistische PH-waarden in mij uit te sluizen. Mede door nagekomen informaties kan er over een heroverweging meer licht vallen, gedwongen als ik ben tegen mezelf in te denken of, zoals dat in de Haagse atletiek heet, over de eigen schaduw heen te springen.
Mijn aandacht destijds richtte zich op een paginalange reportage, rijk geïllustreerd, in de weekendglossy bij De Morgen (voor Nederlanders: zoiets als de Volkskrant, ooit van socialistische huize en daarna om postideologische overtuigingen zwervende).
Joost Vandecasteele was het stuk, getuige een column, eveneens opgevallen, zij het nogal anders: ‘het is echt niet oké om een artikel met foto’s van een doodzieke, uitgemergelde Roel Verniers direct te laten volgen door zo’n titel [‘Ik heb alles verloren’, MK] met een grote foto van een kerngezonde Jean-Marie Dedecker. Zeker als hij nog eens begint dat hij maar geen kilo’s kwijtraakt’. Mooi dat Vandecasteele het voor de betreurde opneemt, maar wordt piëteit niet verward met betrekkingswaan? Is een van zijn sokkel gevallen politicus als Dedecker geen evident onderwerp voor een weekendbijlage – in Nederland zal er grof geld geboden worden aan Rita Verdonk om Haar Verhaal? Is het niet frappanter dat Vandecasteele een doodsreportage zo gewoon vindt dat hij geen woord aan de publicatieratio vuilmaakt?
Voor de goede orde: ik ben er volgens mij vrij zeker van geen wezen te zijn dat rond de dood een metershoge omwalling opgetrokken wenst, al dan niet met metafysische denkbeelden.
Met name foto’s van Verniers’ intens verdrietige vrouw staan nog op mijn netvlies gebrand. Uit compassie natuurlijk, maar deels ook uit onbegrip. Mij is het namelijk duister waar een fotograaf het lef vandaan haalt zulke prenten te schieten en waarom naasten hem dat werk laten doen en publicatie toestaan. Vanzelfsprekend is het niet erg dat die foto’s mij bijblijven. Wel vraag ik me nog steeds af waarom zulke intimiteiten mij moeten bereiken (een populair argument als ‘Wanneer je het niet bevalt, kijk je maar de andere kant op’ dunkt me luguber). Vandecasteele had tevoren laten doorschemeren zichzelf niet tot de directe vriendenkring van de betreurde te rekenen, doch hem als collega-columnist te zien. In hoeverre behoort hij dan tot de peergroup?
Verder memoreerde Bruno Vanden Broecke onlangs zijn laatste samenzijn met zijn vriend Verniers ‘op de dag dat hij zou sterven’. Dat de acteur vervolgens een detail daarvan tussen hen in de openbaarheid brengt, moet hij zelf weten. Essentieel voor het georganiseerde meningsverschil dat deze posting tracht bloot te leggen, lijkt me echter dat Vanden Broecke ook iets zogezegd algemeen openbaars niet alleen vermeldt maar tevens hooglijk in Verniers bewondert: ‘Die dag heeft hij nog een interview aan De Morgen gegeven, waarvoor hij columnist was. Op pure wilskracht heeft hij dat gedaan, zijn lijf was helemaal op’.
Kantte ik me destijds vooral tegen derden, inmiddels schuiven mijn vragen naar Verniers. Waarom wil iemand de paar momenten die hem voor zijn dood resten een interview geven? Moet ik media interpreteren als biechtvader? Indien dat zo is, dan had het artikel nooit hoeven te worden gepubliceerd in het landelijk dagblad dat De Morgen is – misschien hadden de nabestaanden het iets gevonden voor zijn Facebook-pagina.
Nog een kanttekening: zouden er buiten de peergroup niet meer jonge Vlaamse vaders zijn die door zulke onrechtvaardige en vreselijke ziektes worden bezocht? Zouden zij op afroep ook plaats- en fotoruimte krijgen? Of is het relaas van Verniers meer bijzonder geweest? En zo ja, welke criteria zou een weekendglossy daarvoor hebben?
Met de laatste zin haal ik welbewust een neoliberaal element binnen. Eigenlijk zou het moeten worden gecompleteerd met rendement. Zijn er op de reportage reacties gekomen in termen van verrijking (zoals met Tonio, een ander voorbeeld uit mijn oorspronkelijke posting, vele tragisch getroffen lezers gediend blijken te zijn)? En bovenal, het begin van een nieuw jaar, met dat merkwaardige Belgische relict van de nieuwjaarsbrief waar de sprekertjes zich tegen de ouders je kapoen noemen, de eerste keer nu zonder hem: heeft de reportage aan de vrouw en de kinderen van Verniers troost geboden?
Ik ben mede tot deze terugblik gekomen door Etre et avoir. In deze documentaire worden iets meer dan tien leerlingen en een onderwijzer van een eenlokalig dorpsschooltje in de Puy-de-Dôme een jaar lang gevolgd. Dat levert soms vertrouwelijke beelden op, maar zelden wist ik me er als kijker te veel bij. In een interview sprak regisseur Nicolas Philibert dat hij bij het filmen de wens van de kinderen vooropgesteld had. Redelijkerwijs zouden ze in aanwezigheid van de meester en de filmers nooit zeggen dat ze iets niet wilden, meende hij, dus had hij op de blik en de lichaamstaal van de kleintjes gelet. Indien daaruit geen ongerief viel af te leiden, filmde Philibert door, en anders stopte hij.
Welgeteld één scène woekerde toch in mij voort, thuis bij boerenzoon Julien die zijn huiswerk maakt in de keuken. Het gaat om een wiskundesom waarmee hij in de knoei raakt, niet het minst omdat steeds meer familieleden zich ermee bemoeien, in termen als ‘Allez Julien, drie keer zes klappen, hoeveel klappen zijn dat?’ Nicolas Philibert meldde achteraf dat hij de som opgegeven had om het proces te kunnen zien afwikkelen – en dat toen de camera’s begonnen te draaien de familieleden een voor een de ruimte binnendropen.
Overigens betoont uitgerekend de spreker van de klappenzin zich het meest ontroerd, om niet te zeggen gegrepen door het succes dat de film boekte in Cannes.
Bij ontstentenis van een ethisch recept, in elk geval bij mijzelf, wil ik ten slotte, niet voor het eerst en hopelijk evenmin voor het laatst, het taalkundig genie napraten. Dit was de meest memorabele strofe uit haar nieuwjaarsbrief: ‘Ik wens voor u / heel weinig zorgen / en verse koffie / iedere morgen.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen