vrijdag 20 januari 2012

Jeroen Mettes (1)

Het in 2011 verschenen Nagelaten werk van Jeroen Mettes vind ik buitengewoon. Er schuilt ook rechtvaardiging in, jegens iemand die, zonder foto, hoofdzakelijk vanaf het internet leek te opereren en zelfs samen te vallen met zijn Dichtersalfabet. Het was een fractie van wat hij deed. Toch stemmen de in een foedraal gestoken twee banden droevig. Allereerst voor zijn nabestaanden. Dat dit een boekdebuut is, moet echter elke lezer betreuren. Hier wordt iets begonnen wat om voortzetting schreeuwt en die niet zal krijgen. En het is maar de vraag of anderen het niveau weten te halen dat Mettes door de bank genomen bereikt.
Toch kan iedereen zich laven aan Mettes’ mix van halsstarrige onzekerheid en offensief spel, culminerend in een advies als ‘Moe van de geschiedenis? Harder optreden tegen de feiten!’, maar evengoed in ‘er is niemand die op gedichten zit te wachten, ook niet als het gedichten over actuele of “algemeen menselijke” zaken zijn. De interesse is dan in het onderwerp, niet in de poëzie.’
Terwijl Bas Belleman bekende dat hij opgelucht was door Mettes te zijn overgeslagen in het Dichtersalfabet, zag ik uit naar het moment dat mijn handeltje kans maakte op overtuigende kritiek. Natuurlijk kan een dichterschap verstommen, maar in het besef dat het vermaarde kritisch onderzoek naar vooronderstellingen de grenzen heeft die Narcissus in het water ontmoette én dat veel Nederlandse poëzie wordt gekenmerkt door overbodigheid, is dat een verleidelijk gevaar. Helaas bleef Mettes ook op dat punt in de belofte steken, terwijl hij al gezegd had: ‘Ritme is verzet tegen taal, tijd en ruimte, en de basis van autonomie. Ritme begint met een antiritmische cesuur, een stok in de wielen van de alledaagse dreun.’
Nu zou vanuit Mettes’ antagonist De Contrabas geroepen kunnen worden dat ik mij aan hem wil optrekken. Hoewel mij beelden bijstaan van LPF-ers in wier handelen plots ‘de geest van Pim’ vaardig was, ontgaat me in dit geval hoe die stijging beslag moet krijgen. Ik zou ook stom zijn om Mettes voor mijn karretje te spannen; zeker essayistisch ben ik in vergelijking een krabbelaar. Mogelijk ben ik niet de enige onder degenen die vanaf de eeuwwisseling boeken over poëzie lieten verschijnen. Meest verwant qua inzet oogt J.H. de Roder, die eveneens iets principieels meent te hebben ontdekt. Hij komt geregeld ter sprake bij Mettes, en het verbaast amper dat dit zelden positief is.
Niet alleen met internationalisering (‘Near Loosdrecht// If this was Ireland/ I would watch more carefully’) wapenen de met ontoepasbare criteria bestookte neerlandistiek en literatuurwetenschap zich voor de toekomst. Ze willen dat ook doen met schaalvergroting door interuniversitaire fusies. Handig lijkt voor die ongewone studentenpopulaties docenten te laten opdraven die risico durven nemen. Een toehoorder mag voelen dat ze denken uit de actualiteit en niet quasi-onbevooroordeeld hun politieke standpunten wegmoffelen. Meer schorseneren dan asperges, zeg maar. En technisch zouden ze de meest ingewikkelde theorie moeten combineren met een detail van de meest onbenullige auteur. Dan schieten me niet veel kandidaten te binnen, naast Mettes.
Hoe zeldzaam zijn beschouwingen zijn geworden, blijkt uit wat ze weten te bewerkstelligen. Ik snap dat literaire media verjournalistiekt zijn, zodat ‘de poëziekritiek’ eveneens te stellen heeft met verscherpte eisen aan omvang en instapniveau. Maar zoals Mettes dichtte: ‘Zelfs populisten weten niet meer wat ze bedoelen met “het volk”.’ Men hoeft het verleden niet te idealiseren bij de vaststelling dat er toen alleen al kwantitatief meer te doen was. Evenmin is een heel erg grote glazen bol nodig om ook dit genre te zien uitmonden in consumententips voor het lifestylekatern. Het klinkt arrogant, maar ik begrijp nu beter waarom poëziecritici nog slechts mijn interesse wekken met het geciteerde: ze wensen de blik op een dichter niet te veranderen.
Volwassen kritiek die Mettes via de trial and error van zijn blog nastreefde, vergt een instrumentarium van ideologie- en tekstanalyse. Vervolgens kun je niet de struisvogel blijven spelen met tegenwerpingen als ‘Daar ben ik het gewoon niet mee eens’. Wie zijn kop uit het zand haalt, moet argumenteren op basis van wereldvisie en tekstuele details. Het gegeven antwoord bewijst overigens Mettes’ gelijk dat ideologie en vorm geen gescheiden grootheden betreffen, waardoor ‘over smaak niet te twisten’ zou zijn.
Was het saillant dat op de verschijningsdag van Nagelaten werk het kwaliteitsochtendblad een groot stuk had over de mens Mettes en de wijze waarop hij zelfmoord had gepleegd, met getuigenissen van familie en vrienden, en met foto’s? De vele recensies die de uitgave mocht krijgen, statutair beschouwingen over beschouwingen, waren dan wel hartverwarmend en in het beste geval integer, maar trokken ze ook consequenties?
Afgezien van een internetfeuilleton was het langste stuk over het Nagelaten werk van Piet Gerbrandy, op De Reactor. Na een vergelijking à bijna 100 woorden met vroege popdoden als Kurt (eerst gepost als Curt) Cobain rept hij van de Mettes-blog als de place to be voor anders lezen. Toch handhaaft Gerbrandy zijn gebruik van het illustrerend betoog. Hem ontgaat het waarom Mettes niet het Dichtersalfabet vooraf had gefilterd op mindere goden, een bevattelijk bezwaar vanuit de ambivalente tolerantie van de consensus. Ook de ongewoon gulle ruimte van de site benut Gerbrandy niet want ontleedt amper.
Ik vrees dat dit stuk De Reactor tekent. En da’s precair genoeg om er andermaal over uit te weiden. De site wil de leemte vullen die door de mediatisering van literatuur ontstond (na een kritische analyse, op het internet, van Van Reybroucks bestseller Congo kreeg Joris Note meer publiciteit in een paar dagen, tot koppen in de NRC aan toe, dan zijn hele oeuvre in decennia). In de spanning tussen een wonderlijk groot zelfvertrouwen en samenwerkingsijver voor de neutraliteit die door de ondertitel ‘platform’ wordt onderstreept, blijkt De Reactor een wat problematische constructie.
Waar Mettes met het Dichtersalfabet bloot wou zijn en beginnen, noemde een van de vroegste recensies op het platform auteurs bij de voornaam. Hoewel er soms fijne stukken op staan, komen ze van luttele besprekers die ook elders te genieten zijn. Een zeldzame recensie met pit maakt de rest slechts meer routineus, lauwer, zodat de site, ondanks soms verrassende keuzes, nog het sterkst doet denken aan Ons Erfdeel.
Zou er iets bestaan wat nog minder in de geest van Mettes is?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen