zondag 24 april 2011

Brecht zegt (2)


In haar ijzingwekkend mooie herinneringen aan Robert Mapplethorpe vertelt Patti Smith over een visioen waarvan Jimi Hendrix haar bij een eenmalige ontmoeting deelgenoot gemaakt had. In Woodstock zouden zich muzikanten uit de hele wereld verzamelen en dan in een kring gaan zitten spelen. Tempo, toonsoort noch melodie deed ertoe – op termijn zou die ‘discordance’ moeten leiden tot een ‘abstract universal language’.
Alhoewel niet wordt vermeld of het Pinksteren is en evenmin, zoals naar verluidt vandaag, Pasen dat daarmee spreekwoordelijk slechts op een utopisch punt samenvalt, is het duidelijk dat Smith wel oren heeft naar Hendrix’ visioen. Ze was een Brechtadept. En de auteur zelve? Zijn Herr Keuner heeft zich in elk geval, op zijn manier, uitgelaten over nationalisme. Geen affiniteit heeft hij ermee, tot in een onbekende bezette stad een vijandige officier hem dwingt van het trottoir te gaan. Dan wordt hij verzengend boos op het land van de officier én wordt voor dat moment nationalist: ‘men moet de domheid immers uitroeien, omdat zij dom maakt wie haar ontmoet.’
In het verlengde hiervan dunkt me eveneens interessant, en een poginkje tot vertaling van een fragment hieronder duidt dat verder uit: de notie ‘volks’. In het onvoltooid gebleven Me-ti. Boek der Wendingen zegt Brecht dat het begrip kritiekloos en neerbuigend wordt gebruikt, door heldere uitdrukkingen te verrompelen om veronderstelde luiheid te behagen. Dat noemen we nu populisme. En het treft pijnlijk dat verderop in dit boek aanleidingen voor oproepen tot een grote orde worden gevonden in honger, koude en onzekerheid – slechts het laatste bestaat waarlijk in ons Westen.
Maar dan moet er misschien simultaan een grote hedendaagse zekerheid bij, waarvan Bertolt Brecht alleen al met zijn basaalste verwachtingen zou gruwen: dat het maakbaarheidsidee failliet is, voorbij, finito. Of, eh, ideologisch verworpen door geen ideologie? In een poging te stijgen tot helikopterperspectief valt mij op dat maakbaarheid praktisch met grote vanzelfsprekendheid voortgaat. Dat geldt reeds voor reclame-uitingen die de lifestylemens tot in detail blijven vormen, en daar doet ons voedsel, ook op kerkelijke feestdagen tot in het DNA op maat, evengoed aan mee.
Of leg ik die focus na afgelopen week van een angstig afstandje te hebben kennisgemaakt met de snackhybride de krokidel? De heer heet waarlijk verrezen te zijn, dus laat ik het woord vooral afgeven.

Volksliteratuur
Of een literair werk volks is of niet, is geen formele kwestie. Het is in geen geval zo dat men, om door het volk begrepen te worden, ongewone uitdrukkingen moet vermijden en slechts gangbare standpunten moet innemen. Het is niet in het belang van het volk om aan zijn gewoonten (hier leesgewoonten) hegemoniaal gezag te geven. Het volk begrijpt boude uitdrukkingen, billijkt nieuwe standpunten, overwint formele moeilijkheden indien zijn belangen meepraten. Het begrijpt Marx beter dan Hegel, het begrijpt Hegel indien het marxistisch is geschoold. Rilke is niet volks; om dat te zien hoeft men niet zijn ingewikkelde, formeel overdreven gedichten te lezen; ook elk van zijn gedichten die de toon van een volkslied hebben, zijn niet volks. Lukács laat dat zien aan de hand van een zeer pregnante strofe (‘Und wenn ihn Trauer überkam’); ze is formeel te begrijpen, veel begrijpelijker dan Majakovski’s strofen. Maar er zit geen greintje in van wat het volk het verstand zou noemen. Ze is formalistisch omdat er op een medelijdende cadans over beestachtigheden gesproken en het medelijden op de misdadiger wordt afgeschoven. Aldus wordt leed zo vertolkt, alsof iedereen het kan delen, wat niet het geval is. Er wordt, op papier, formeel, door een simpele vormkeuze, door een esthetische truc, de indruk gewekt dat het volk zoiets zouden kunnen zingen, dus bedoelen en voelen. Wanneer het volk aldus zou voelen en bedoelen, dan zou het verraad plegen aan zijn waarden. Bij de ‘ingewikkelde’, ‘gesublimeerde’ gedichten van dezelfde man zou men dezelfde vijandschap tot het volk kunnen bespeuren, in een andere vorm. Dat is de vlucht uit de banaliteit in het snobisme. Daar wordt iets gemaakt uit niets. Vanuit de inhoud is het niets, vanuit de vorm is het iets. Vanuit de inhoud is het oud, vanuit de vorm is het nieuw. Deze gedichten ‘laten het volk koud’, gedeeltelijk op begrijpelijke, gedeeltelijk op onbegrijpelijke wijze.
[eind jaren dertig]

Het schrijven van gedichten in Californië
Hier gedichten schrijven, zelfs actuele, betekent: zich in de ivoren toren terugtrekken. Het is alsof men goudsmeedkunst bedrijft. Dat heeft iets buitenissigs, snaaks, geborneerds. Zulke lyriek is flessenpost. De slag om Smolensk gaat ook om de lyriek.
[april 1942]

Formalisme en nieuwe vormen
De leegloop in de literatuur van de laatkapitalistische epoche toont zich zoals bekend hierin, dat dichters met vertwijfelde transformaties van de oude burgerlijke inhoud onafgebroken proberen nieuwe horizonten te bereiken. Zo treedt een eigenaardige vorm van verval op, namelijk de scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk, omdat de vorm, die nieuw is, zich afzet tegen de inhoud, die oud is. Met andere woorden: louter nieuwe inhouden verdragen nieuwe vormen. Ze eisen die zelfs op. Indien men namelijk de nieuwe inhouden in oude vormen zou dwingen, dan was meteen de noodlottige scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk weer een feit, omdat ditmaal de vorm, die oud is, zich afzet tegen de inhoud, die nieuw zou zijn. Het leven dat zich overal bij ons, waar de maatschappij tot op haar grondvesten trilt, in nieuwe vormen afspeelt, kan door een literatuur met een oude vorm niet worden verbeeld of beïnvloed.
[jaren vijftig]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen