woensdag 4 augustus 2010

Daarom


In K. Michels Bij eb is je eiland groter bleef ik om onnaspeurlijke redenen steken bij het zinnetje ‘Waar jij gezoem hoort hoort een bij een honingroute’.
Eerst piekerde ik over kennis en kader. De bij is een expert wegens genen en de zelfstudie van de ervaring, terwijl observatoren codes mogen ontrafelen of tekens trachten te duiden. Zou Michel zo de op basis van de totale empirie moedeloos stemmende hiaten in onze informatie en wijsheid aanwijzen, die eventueel tot een eerbiedig of horribel zwijgen leiden, bekrachtigd door het binnenrijm jij-bij?
De dichter serveert tevens de minstens zo lullige herhaling hoort-hoort. Met het fenomeen duiding drong zich inderdaad nog een item in het zinnetje op: interpretatie van de omringende patronen. Een dagtaak, nu politici in de Lage Landen zich het schompes preformeren. De concepten die het meest recent hebben getriomfeerd, blijken dan ook vatbaar voor discussie. En wat moet men ermee dat een partij eerst niets van een andere moet hebben en er daarna gedoogsteun uit peurt? Of dat nog een andere partij niet wil spreken over een nationale coalitie totdat hij uit de boot valt? Schitterend dunkt me dat degene die hier allemaal richting aan moet geven, in zijn verslag geen verschil maakt tussen ‘hun’ en ‘hen’: meewerkend en lijdend voorwerp zijn identiek.
Terwijl de ene waarnemer de uitleg daarvan aanlokkelijk vindt, vervalt de andere in afgrijzen. Vermoedelijk is de laatste in de meerderheid, omdat wat ik ‘patronen’ noemde ten aanzien van ‘de politiek’ worden ervaren als foefjes om het laken naar zich toe te trekken. Met dat zoeklicht komen in Michels sententie machtsmanoeuvres tevoorschijn.
Interessant is dan David van Reybroucks visie op de geschiedenis, zoals hij die onlangs in een interview expliciteerde. ‘Het is geen strijd tussen de goeden en de slechten. Er is ook geen sprake van reusachtige, zorgvuldige uitgewerkte samenzweringen die uiteindelijk hun beslag krijgen. Het is het verhaal van individuen die in een bepaalde context op een gegeven moment beslissingen nemen die volgens hun eigen logica coherent zijn, maar die toch tot confrontaties leiden. Men reageert meestal ad hoc.’
Dit is een verfrissend idee van ‘hoe het werkt’, ook omdat de korte termijn erin domineert – de indruk rijst dat het milieu, demografische ontwikkelingen et cet zaken zijn van een later belang, hooguit goed voor gezoem. Tegelijk heeft het iets lichtvaardigs, temeer daar juist de praktijk waar vanuit Van Reybrouck suggereert te denken, door anderen gepercipieerd kan worden als iets veel doelgerichters. Toegespitst op een verzameling moleculen in het literaire universum stelde Martijn Benders bijvoorbeeld:

‘De smaak in de Nederlandse poëziewereld wordt vooral achter de schermen bepaald, niet zozeer door uitgevers maar door zogenoemde “sleutelfiguren” die elkaar korte, kernachtige boodschappen toesturen waaruit de rest kan opmaken wat het beleid is aangaande een bepaalde “verschijning”. Wie deze sleutelfiguren zijn weet officieel niemand. Het zijn meestal niet de mensen die ook publiek opereren. […] Achter de schermen gaat het er vooral erg autonoom aan toe, elitair, koud, afstandelijk. De sleutelfiguren communiceren ook nauwelijks met elkaar, zij beperken zich tot korte boodschappen aan het middenveld. Vriendjespolitiek zit vooral in de laag daaronder.’

Hier heeft het gezoem plaatsgemaakt voor de koersvaste bij. Zeker is dat door de smalte van dit universum het Matteüseffect dat in de grote boze wereld vigeert, pregnanter tot uitdrukking komt. Ik doe daar op dit eigenste moment aan mee door het noemen van Michel en Van Reybrouck: hun werk heeft bij verschijning op een of andere manier een voorsprong op dat van collega’s, wier bekwaamheid niet per definitie minder is. Eens te meer werd me dat helder na een verhaal over een uitgever die probeert zijn dichter Jacobus Bos onder de aandacht te brengen.
Of dit nu een kwestie is van race, milieu of moment, mij gaat het om de ervaring die deze ongelijkheid schept. Mensen die helaas aan de verkeerde kant van de lijn staan, zijn volgens mij veel sterker geneigd, zeg ‘van onderaf’, allerlei machtsstructuren te zien, als een evidentie op te vatten zelfs, terwijl die door de bofkonten aan de andere kant van de lijn, ‘van bovenaf’, worden gerelativeerd of ontkend. Beide standpunten lijken onverenigbaar, behalve dan dat ze elkaar een zekere mate van ziekte toeschrijven (lieden die zeggen zich daar ‘niet mee bezig te houden’ zijn dikwijls in fysiotherapie voor hun ellebogen).
Deze schijnbare wetmatigheid intrigeert sterker doordat Van Reybrouck zijn visie benoemt als een volgende fase van ‘het old skool links engagement’ dat ‘een zeker zwart-wit denken’ met zich meebracht. Elders heeft hij de uitwerking van zijn standpunt al als nuancerende correcties op een ‘klassiek, progressief wereldbeeld’ opgevat. Hij waagt het naast ‘complotten, cynisme en berekening’ ook ‘oprecht idealisme’ aan bod te laten komen en dan met name ‘hoe nobele idealen in de praktijk vaak vreselijk verkeerd kunnen uitpakken’.
Aldus lijkt complotdenken een linkse hobby. Van Reybrouck zegt de ‘klassieke, marxistische geschiedschrijving’ overwonnen te hebben, inclusief haar ‘er is een volk, een onderdrukker en een bevrijder’. Die diagnose hecht te veel aan effect, dat zijns inziens onderscheiden moet worden van intentie waarmee wel inzicht ontstaat in de ‘complexiteit van het moment’. Van Reybroucks ratio van beslissingen krijgt zo eveneens diepte tegenover ‘een uitkomst die achteraf wordt aangebracht’.
Zou die intentie hetzelfde zijn als goede bedoelingen waarmee de honing binnengehaald wil worden? In elk geval klinken vanuit meerdere wetenschappelijke zijden geluiden op met de boodschap dat we beslissen op overwegend irrationele gronden. Daarbij weten, hoewel hun dicta nimmer ten detrimente van zichzelf zijn, zelfs de allerhoogste pieten zich tekortgedaan: anderen zijn nog veel erger want doen zus en zo et cet. In hoeverre zij zichzelf dan bewust bedotten, is minder relevant dan te erkennen dat het griezelige gevolgen heeft elke verantwoordelijkheid principieel van zich af te redeneren én dat het niet simpel is out of the box te raken om zichzelf objectief te beoordelen inzake motieven, handelingen en het al te menselijke verschil daartussen.
Op Jan Vanriets schilderij Besluitvorming (2006) sjokken allerlei mannen een trap op, ietwat wazig, en vooral de richting volgend van degene die voor hen loopt – vooruitgang in de meest letterlijke zin. Het is de vraag of de kunstenaar helemaal redelijk was toen hij dit krachtige beeld exclusief ophing aan partijgangers in het Sovjetsysteem. Ook met een minder zichtbare ideologie worden we kennelijk grotendeels besloten.
Eigenlijk verdient de bij alle sterkte.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen