donderdag 18 februari 2010

Wat nu? (5)

‘Overbodig nummer’: zo betitelde Deus ex Machina vorig jaar de aflevering gewijd aan ‘de toekomst van het literaire tijdschrift’. Ik noem daaruit slechts één bijdrage, omdat die snel bereikbaar is, bewust ‘kort door de bocht, om de discussie van enig contrastvloeistof te voorzien’, én gemaakt werd door een ervaringsdeskundige in het veld: redacteur Yang, literatuurrecensent voor diverse kranten, chef Standaard der Letteren, jurylid, en volgens het colofon nu Business Unit Manager bij Sanoma Magazines.
Hij wijst op de afhankelijkheid van subsidies bij het literaire blad die als ze eeuwig zouden duren ‘een maatschappelijke schande’ zouden zijn, temeer daar de sporadische abonnees nog in hoeveelheid slinken. Die desinteresse komt volgens hem doordat hardwerkende redacteuren niet in de werkelijkheid zijn geïnteresseerd: ze doen het enkel voor zichzelf. Hij pleit voor zelfkritiek, hergroeperen en digitaliseren. ‘Die drie literaire debutanten worden door uitgevers wel op andere manieren opgepikt’.
Het laatste gebeurt natuurlijk reeds: agenten leveren auteurs aan de hoogste bieder. Economisch bezien is de overheidsbemoeienis in de benoemde redacteursautoriteit van een gesubsidieerd blad geprivatiseerd; een tussenpersoon faciliteert de vrije markt en krijgt voor die ingreep 15%. Vaarwel kweekvijver, de deur staat gewoon open!
Maar het grootste bezwaar is dat er geen rekening gehouden wordt met de lezer. Het klinkt inmiddels vertrouwd, vooral gecombineerd met de pertinent vermelde subsidie, en bevestigt de common sense dat die bladen elitair zijn. Toch vrees ik dat hier een denkfout in zit. Niet alleen omdat onprofessionele beoordelaars ook een hegemonisch referentiekader hebben, vooral omdat de onuitgesproken conclusie is dat ervaringsdeskundige zelf wel heeft gedurfd in te spelen op de behoeften van lezers-consumenten. Helaas moet ik hem een jij-bak verkopen.
Als er iets ‘zijn’ boekenbijlage en die van concurrenten kenmerkt, is het wel geringschatting van de lezer. Deze wordt gesmoord in een lappendeken van tips, jubilea, ranglijsten, hobby’s, verjaardagen, voorpublicaties, weekjournaals, overlijdensgevallen, interviews, vooruitblikken – alles eigenlijk wat de bespreking van een boek kan vermijden. Is die implosie niet ijdel? Hooghartig dunken me signalementen van ‘fijnproeversbundels’ of ‘pareltjes die aan onze aandacht waren ontsnapt’. Net als bij de spaarzame als recensie bedoelde teksten is het al juichen indien de 500-woordengrens wordt gehaald. Het geheel is gul afgebiesd met foto’s, wat niet erg is maar in verhouding tot de tekst doorgeslagen lijkt, getuige wat in minder professionele tijden van weleer gewoon was.
In feite is het komisch dat je schrikt, met het instantoordeel ‘misplaatst!’, als in zo’n context een soevereine rubriek opduikt waarin teksten ernstig worden gelezen, overdacht en op hun relevantie onderzocht. De behandelde boeken zijn daar echter meer dan drie maanden oud, plaatsvervangend excuserend voor de organisatoren?
Het is lastig zich te identificeren met de chefs van dergelijke projecten. Hun overwegingen en werkmethoden zijn geboekstaafd in fraaie interviews die als bijlage bij een ‘masterscriptie’ dienden. Ik wil daar niet lacherig over doen, want de aanpak van die mensen is reëel en getuigt op eigen wijze van een liefde voor het boek. Bovendien hoef je niet voor augur gestudeerd te hebben om te zien dat ze, uitzonderlijk in de branche, over een lange periode consistent zijn. De huidige chef Letteren volgt het door de ervaringsdeskundige geëffende pad dat voor hem evengoed gebaand was.
In Deus ex Machina raadt hij literaire tijdschriftredacteuren aan streng te zijn voor zichzelf. Zou hij ook voor de spiegel hebben gestaan? Als prototypisch onderwerp voor een literair blad noemt hij ‘eindelijk de vlammende waarheid over dat laatste boek van Tom Lanoye, iets wat in de boekenbijlagen van kranten natuurlijk al lang niet meer mag geschreven worden’. Met gelouterde ironie suggereert hij een complotgedachte van ouderwetse cultuurliefhebbers (bij wie hij retorisch ‘beschaving’ detecteert) die erop stoelt dat kritiek op een merknaam doelbewust achterwege blijft in massamedia. Maar ik denk dat kritiek daar welkom is, om de bijlage een ‘identiteit’ te geven. Inzake Lanoye heerst echter het format van het interview, waardoor de nadruk komt op zijn familie, keuken, reizen, humanitaire acties et cet; aan een ander katern verstrekt hij desgevraagd zijn opinismen.
Heeft de ervaringsdeskundige zich ooit afgevraagd wie dat eigenlijk interesseert? Kan het dat bij hém ‘de lezer langs de achterdeur buiten gelopen’ is? Ik zal in foute kringen verkeren dat, hoewel consensus ontbreekt over hoe te reageren bij een verzoek, mij niemand bekend is die voor de lol nog een boekenbijlage doorneemt. Indien je als lezer niet meer serieus genomen wordt, lijkt een scheiding logischer. Ik las ook Oosterbaans en Wansinks studie over kranten in mediaconcerns. Volgens die auteurs snakken lezers naar analyse maar worden ze om de oren geslagen met meningen door matadoren van het seizoen.
Als het gaat om het boek zijn juist in literaire tijdschriften steeds vaker analyses te vinden. Ze hebben daarmee kennelijk niet direct een gat in de markt gevonden, maar nemen wel een taak op die de krant heeft afgestoten. Iets anders is of dat hun bestaan rechtvaardigt. Uiteraard niet, mede omdat zoiets op het wereldwijde web, waar ook de ervaringsdeskundige heil in ziet, wat goedkoper en duizend keer zo bereikbaar kan. En zo geschiedde, met recensieplatform De Reactor. Je wilt niet weten wat dat bleek in te houden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen