donderdag 26 februari 2026

Deus ex machina

 

 

Als simultaanlezer overkomt het me zelden totaal verwante boeken te consumeren, omdat juist de spreidstand beter tegemoetkomt aan mijn woorddrift en verwardheid. Toch behapte ik onlangs binnen één dag in twee titels dezelfde uitheemse plaatsnaam, en beide keren dacht ik, in de hubris van een potloodredacteur: spelfoutjuh!

Maar (de vertaler van) Arlie Russell Hochschild in Gestolen trots en Bert Natter in Aan het einde van de oorlog hadden gelijk. Het blijkt wel degelijk ‘Maagdenburg’. Wel bleef de aanblik van dit woord me bevreemden. Die dubbel a, als in koeterwaals! Zou ik iets spygie-traumatismisch onder de leden hebben?

Ik houd er niet zo van ‘eigen vooronderstellingen te bevragen’ en ‘in de spiegel kijken’ wordt na een zekere leeftijd een beetje sneu, dus bereidde ik me al voor me te moeten neerleggen bij een raadsel. Toen klopte de deus ex machina met een bol knoflook op mijn schouderblad en herinnerde eraan dat NAC, een voetbalclub uit de historische stad Breda, ooit één ronde heeft gespeeld voor de Europacup 2.

Tegen 1. FC Magdeburg, de latere winnaar.

Volgens het internet was deze titanenstrijd in 1973. Dus maar twee jaar na een geallieerde dodelijke grap tegen de Duitsers: ‘Wenn ist das Nunstück git und Slotermeyer? Ja! Beiherhund das Oder die Flipperwaldt gersput!‘ Kennelijk hadden ze snel een antivirus gevonden. Door terugvertaling? Nee, dit was lang voor GenAI.

De 1. FC Magdeburg stamt uit de door Hochschild en Natter bedoelde plaats, destijds in Oost-Duitsland, tegenwoordig in zijn officieel verenigde variant. Nog altijd is er dan de tussen-n in de Nederlandse versie. Door de herziene spelling van 1995 veroorzaakt? Magdeburg > Maagdeburg > Maagdenburg? Rijmt niet met poëzie uit 1968! Zeker weet ik alleen dat de linkeraanvaller Jürgen Sparwasser heette.

maandag 16 februari 2026

Rocksterrenstatus

 

 

Rare tijden voor de diersoort die zich schrijver noemt. Gekooid door meningen, of ermee gevoederd, tussen de tralies van media hopsasa. Momenteel ontwaar ik drie typen reflexen die verlokken tot survival. Het eerste type heeft allicht nog te maken met de overproductie, waardoor boeken niet de redactie en eindredactie krijgen die ze verdienen. Die diagnose is bepaald niet van gisteren, en wordt heden bevestigd door de receptie van alle Librisprijsinzendingen die zich gelukkig niet beperkt tot één uitgeverij.

Enkelingen kunnen flierefluitend stileren over ‘hubristikè diathesis, zoals Aristoteles het noemde – een overmoedige houding. Die houding, ook wel ataraxie genoemd (…)’, maar indien een lezersblik een met zware publiciteit omgeven auteur van buiten de Grachtengordel en zijn Vlaamse equivalent treft, dan ogen de consequenties draconischer. Schoolvoorbeeld is Lale Gül, op wier stijl zoveel werd aangemerkt dat niet iedereen beseft dat ze meer heeft meegemaakt dan honderd standaardliteraire auteurs in de Lage Landen bij elkaar. De omstandigheden waaronder haar werk ontstond, vragen niet alleen om extra steun bij redactierondes maar ook om boven-esthetische maatstaven die literatuur sowieso in een wurggreep hebben (diverse herdenkingsstukken over Cees Nooteboom, wiens oeuvre tientallen zorgvuldig gecomponeerde titels telt, namen de binnenweg naar zijn laatste, halfbewuste interview).

Onder die stijlkritiek gaan morele bezwaren schuil die beter zichtbaar worden wanneer auteurs in hun privéleven niet blijken te hebben voldaan aan hun maatschappelijke pretenties. Van deze kwaal zijn er recent drie voorbeelden geweest: Lucebert, Zwagerman, Chomsky. Zij hebben gemeen dat ze zich politiek links profileerden. Zo kunnen ze als hypocrieten gelden, en in de virtuele wereld efficiënt worden afgefakkeld. Het is bijna schunnig dat er daarbij uniform van ‘de elite’ wordt gesproken, waar er afhankelijk van de branche talloze netwerken actief zijn.

Duizelingwekkend vind ik dat bij de Zwagerman-ontluistering de feiten al grotendeels bekend waren, maar pas door bekrachtiging van biografe Vlaar status kregen. Daarbij woog voor haar de moraal zo door dat taal, het oeringrediënt van schrijver en literatuur, er minder toe deed. Dat drong pas achteraf goed tot me door, toen ik kennisnam van haar juichende recensie over Alara Adilows romandebuut. Die eindigde zo:

 

Op haar newspeak moet je soms kauwen: “De golven van gebeurtenissen slaan onwetend tegen het lijf, en in die uitholling groeit een identiteit.” Voor slordigheden als ‘jouw’ waar het ‘jou’ moet zijn of ‘Saga’ en ‘Hoorn’ in plaats van Sagal en Uithoorn, had Adilow behoed moeten worden, maar ach: wat een vol en rijk boek!

 

Dat hoofdzaak hier bijzaak wordt, maakt het logisch dat Vlaar deze roman vervolgens opnam in haar boekentoplijstje van het jaar 2025. En dat Adilow dus op één welbepaald criterium ten prooi viel aan een volkomen ander lot dan Lale Gül, die ideologisch aan de overzijde van het spectrum zit.

Ik neem Adilow mede even als voorbeeld omdat ze valt te verbinden met een derde, zo mogelijk nog complexere reflex op auteurs: dat ze hun tekst niet echt zelf hebben geschreven. Als curator van een prestigieus DWB-nummer bleek volgens de redactie voor haar namelijk het lichaam

 

‘een plaats waar identiteit, macht en verzet elkaar kruisen. In de door haar verzamelde bijdragen geldt het lichaam als archief van kennis en ervaring, als plaats van conflict en als drager van geschiedenis en toekomst. Het lichaam drukt zich uit in gender en huidskleur, maar evenzeer in ritme, ademhaling en houding. En in literatuur – die op haar beurt als een lichaam werkt: iets wat ons raakt en vormt en permanent betekenis genereert.’

 

Vijf drieslagen achter elkaar plus een maar-zin: ChatGPT-alert! Hogere wiskunde vind ik nu dat deze verdachtmaking mijnerzijds aan de ene kant het grootste verwijt is dat je iemand kunt maken (oplichterij), terwijl er aan de andere kant laconiek op wordt gereageerd. Studenten ‘komen ermee weg’, en uit strategische-visiedocumenten begrijp ik als docent vooral mijn eigen bias te moeten bewaken en bevragen tegenover mensen met een migratieachtergrond.

Volgens mij beweer ik al langer dat bij hen het probleem niet zit. Maar ik beweer zoveel.

Ook waren er recent in België twee noodoproepen tegen ChatGPT. In de eerste klaagde redacteur-persklaarmaker Liesbet Depauw te moeten arbeiden aan een typoscript dat overduidelijk door een machine was voortgebracht. In de tweede constateerde opiniechef Anja Otto van de zakenkrant De Tijd dat het leeuwendeel van de stukken die ze sinds de jaarwisseling toegestuurd kreeg een ernstige ChatGPT-tic vertonen. Stilistische eenheidsworst in teksten die op persoonlijke titel heten te zijn geschreven.

donderdag 5 februari 2026

Wil je de wereld verbeteren?

 

 

 

Mijmerend over de recentste taalontwikkelingen onder mijn studenten, besloot ik onlangs ferm dat het eeuwige debat over verengelsing passé is of naast de kwestie. Hun Nederlands oogt, in mijn ogen, steeds meer als een terugvertaling uit het Engels.

Onverwacht dook daarna een bron op waaraan ik mijn indruk kon toetsen. Een compleet boek zelfs, waarvan de boodschap behartenswaardig is: doe niet mee! Het is geschreven door de iets oudere, in 1997 geboren Simon van Teutem. Hij studeerde en was stagiair op exclusief Engelstalige locaties (‘contexten’, zou ChatGTP zeggen). Over die opleiding vertelt hij, en ook waarom hij aan de rand van zijn studententijd een radicale en wat mij betreft sympathieke keuze maakte. Het boek heet De bermudadriehoek van talent, met als allitererende ondertitel Hoe knappe koppen verdwijnen in betekenisloze banen. Het verscheen in 2025 en ik raadpleegde de vijfde druk uit datzelfde jaar.

Eerst bladerde ik door vele bladzijden achterin met noten, om te weten of mijn natte vinger mocht blijven. Volgens mij wel, nog. Overweldigend veel gegevens ontleent Van Teutem aan Engelse en Amerikaanse bronnen terwijl hij, meen ik op mijn oude dag te kunnen meevoelen, niet ontsnapt aan een Hollanderschap. Dat geeft soms spanning, waarvan de laatste notenpagina weergaloos getuigt. Hij citeert er een fragment van ‘Lucius Annaeus Seneca’ in het Nederlands, met als verantwoording: ‘De Brevitate Vitae (in het Engels: On the Shortness of Life) (49 n.Chr)’. Het Engels is zogezegd sterker dan het hoofd.

 

Acteren

Toen ik het boek van voor naar achter gelezen had, werd me duidelijk dat Seneca niet de enige was geweest bij wie deze vroegwijze Abraham the mustard had gehaald. De bermudadriehoek van talent bulkt van de adagia en ze voegen zich naar de taalbiotoop. Zoals van Friedrich Nietzsche, die bij Van Teutem wordt gefixeerd in ‘Twilight of the Idols (1889)’. Zo doen mijn studenten dat ook! Apart, dat universum van wereldwijde, realtime vertaalde bestsellers. Een intellectueel zou toch verwijzen naar Götzen-Dämmerung. Zoals recent Frank van de Veire, die vervolgens in het Nederlands citeert zonder de vertaler te noemen, en aldus mogelijk zelf voor dit fragment in stond. Mensen zoals ik zouden deemoedig Godenschemering raadplegen.

Montesquieu wordt door Van Teutem wel in de oorspronkelijke Franse taal aangehaald, en uit de verantwoordende noot blijkt dat hij daar een citatenwebsite voor bezocht. Hij vermeldt, zoals mijn studenten dat ook moeiteloos doen, correct zijn raadpleegdatum. Toch citeert De bermudadriehoek van talent dan weer de mauvaise foi van Sartre even bronloos als de vertaler van het plechtstatig curieuze ‘kwader trouw’. Van Teutem noemt verder Nassim Nicholas Taleb een ‘essayist en oud-bankier’, maar volgens Wikipedia is hij een voormalige derivatenhandelaar die boeken schrijft (of is het Engelse ‘essayist’ overzee van betekenis veranderd?).

Zulke kortsluiting is evengoed te beleven bij een gevestigd columnist als Arjen van Veelen, een generatie ouder dan Van Teutem. Eind vorig jaar meldde hij onder meer dit, kopieerklaar:

 

De uitdrukking esprit de l’escalier (‘trappenwijsheid’) komt uit een achttiende-eeuws boek van de Franse filosoof Denis Diderot over acteren: Paradoxe sur le comédien. Dat ‘paradox’ in de titel slaat op het feit dat een acteur die emoties wil toveren in het hoofd van zijn publiek, zelf juist niet emotioneel moet zijn. Acteren is een vak waar je je hoofd bij moet houden doch cool, calm and collected, aldus Diderot

 

Wel formuleert Van Veelen het zo dat er ruimte ontstaat waarin de Engelstalige drieslag niet per se op naam van de Fransman geschreven hoeft te worden. Eventueel kan de hedendaagse columnist knipogen naar een hippe uitdrukking en zijn betoog opladen. Google geeft mij alvast geen treffers bij “cool, calm and collected” in combinatie met Diderot. Wel trof ik een draadje met allerlei suggesties, die minder oud zijn – van vlak voor de Tweede Wereldoorlog tot en met een reclame uit 1960 voor deodorant.

Wanneer ik op autoriteit van een YouTube-leraar de volgorde in het citaat omdraai tot “calm, cool and collected” heb ik wel prijs. Voor Google wringt het ‘AI-overzicht’ zich ineens boven de treffers, krijgt Diderot een geboorte- en sterfjaar maar het door Van Veelen genoemde boek niet. Daarna is er een heuse treffer vanaf Reddit, waar maf genoeg het citaat niet te vinden is maar wel de uitdrukking esprit de l’escalier met een link naar de Engelse Wikipedia-pagina.

 

Insecure

Ironisch dat dit soort tijdrovend gepriegel me in het Frans zelf niet direct iets oplevert. Daar leer ik uit dat mijn rendement dringend moet stijgen en dan ben ik, terug in De bermudadriehoek van talent, bij Van Teutem aan het goede adres. In zijn eindnoten staat nogal eens X als autoriteit. Een biografisch feitje over J.K. Rowling, dat je overal zult kunnen vinden, ontleent hij bijvoorbeeld aan een wederom keurig gedateerde tweet van haar uit 2023.

Ik probeer me dat voor te stellen. Van Teutem bekent zich als een workaholic die nooit te beroerd is om ’s avonds een bibliotheek te bezoeken. Ook lijkt hij eigen met sociale media. Dan zal er uit de stroom van informatie die zijn brein én telefoon bespoelt geregeld iets blijven plakken. Inmiddels verbind ik dat met een bewering die geregeld over een nieuwsfeitje opklinkt: ‘Ja, ik heb dat ergens zien passeren’. Pats, vastgelegd!

En op sociale media zal Engels allicht nog dominanter zijn dan op een gemiddelde website. Door de veelheid en de hoge snelheid lijkt het me ook redelijk dat de invloed krachtiger is. Als ‘nietige stukjes arsenicum’, die Victor Klemperer al benoemde bij nazipropaganda. Daarbij fascineert me feitelijk met jargon te maken te krijgen. In de wetenschap dat Van Teutem van binnenuit milieus van consultancy en accountancy tracht te beschrijven en daarbij bevestigt dat ze van piepschuim zijn, wordt deze zin vanzelfsprekend: ‘De hyperactieve twintiger in deze sectoren is een insecure overachiever en een homo competitivus.’

Geweldig! Beide typeringen zijn voor mijn toch best geoefende taaloor onalledaags en bij de eerste kan ik van het bijvoeglijk voornaamwoord ‘insecure’ niet eens met zekerheid zeggen dat het Engels of Nederlands is, toch van belang om de betekenis te achterhalen (onzeker of onzorgvuldig).