donderdag 11 maart 2021

Engageren tot meerstemmigheid (3)

 

 

Hier dan mijn leesverslag over De Artapappa’s van J.B. Schuil. Recent herlas ik dit lievelingsboek uit mijn jeugd dat fout bleek. Het speelt tijdens het regentschap van koningin Emma, tussen 1890 en 1898. Plaats van handeling is het Hollandse dorpje Vliedrecht. Klonk bekend in mijn door België inmiddels ontwende oren, maar blijkt fictief. Google verwijst integraal door naar De Artapappa’s.

De titel refereert aan twee zwarte halfbroers, Paul en Bloemhof, die op last van koning Artapappa, tevens hun vader, van Zuid-Afrika naar Vliedrecht zijn overgebracht. Daar komen ze in een huis van een kinderloos echtpaar: de leraar natuurwetenschappen de Taks en zijn vrouw de Mops. Ze zorgen al voor drie andere kostgangers, de witte jongens Pukkie, Spekkie en de Lijn.

Zoals vaak in Schuils werk regeren de bijnamen. Alleen over het centrale personage Pukkie krijgen we vaker te horen dat de burgerlijke stand hem heeft geregistreerd als Rob Verheij. Zijn bijnaam slaat op zijn geringe gestalte en wellicht op het feit dat hij vroeg wees werd. De zwarte jongens blijven echter heten zoals ze heten. Toch wordt Bloemhof, het andere centrale personage, uiteindelijk liefkozend Bloem genoemd. Die bijnaam krijgt hij exclusief van Pukkie.

In een voorwoord waarschuwt Schuil dat dit boek niet vrolijk eindigt (zijn enige andere voorwoord, bij Hoe de Katjangs op de kostschool van Buikie kwamen, veegt een verder inderdaad gelukzalig oeuvre bijeen). De uitzondering voor De Artapappa’s ligt aan ‘de trouwe, hechte vriendschap’ tussen Pukkie en Bloem, culminerend in ‘het droeve slot’. Simpelweg omdat het ‘waargebeurd’ is, terwijl Schuil erkent er veel omheen te hebben verzonnen.

Waarom De Artapappa’s voor vele hedendaagse lezers een fout, want racistisch boek is, wordt snel duidelijk. Van begin af valt het K-woord, dat blijkbaar niet exclusief naar de vreselijke ziekte verwijst. Bovendien verwekt de aankondiging dat er in Vliedrecht twee Zuid-Afrikaanse jongens komen wonen al een keur van vooroordelen. Het gaat daarbij om uiterlijkheden, die we nog terugvinden in het zwartepietendebat, maar ook bijvoorbeeld om toeschrijvingen van kannibalisme. Wordt het dorp heus opgezadeld met duivels?

Tragisch is De Artapappa’s antiracistisch wil zijn. Maar om dat te doorzien, moet het boek van A tot Z worden gelezen, terwijl het zich leent voor cherrypicking die de foutheid kan tonen. Dat dubbele zit er meteen in. Vóór de komst van de zwarte jongens dist een gepensioneerde matroos racistische anekdotes op over gedrag en zeden in Zuid-Afrika. Hij ontleent zijn autoriteit uit het feit dat hij er ooit was aangemeerd en dus ‘de kaffers kende “van haver tot gort”.’ De interpunctie distantieert zich hier van vooroordelen. Ze worden echter klakkeloos overgenomen door een vrouwelijke dienstbode ‘voor wie kaffers blijkbaar geen mensen waren’.

De witte jongens begrijpen dat niet alle verhalen kloppen en twijfelen wat ‘eigenlijk waarheid en wat verdichting was’. Ze vinden dat romantisch. De Taks ontkracht vervolgens expliciet dat Artapappa’s menseneters zijn. Hij voorspelt wel dat ze ‘heel anders zijn dan jullie. Maar ik zou ze nooit in huis nemen, als ik er niet zeker van was, dat het goeie jongens waren.’ Hun andere gedrag wijt de Taks aan hun opvoeding, waarbij ze niet bij hun moeder mochten blijven. Krijgt dat genderdetail verderop in het boek een lading, nu al gebruikt de Taks een curieus cultuurrelativistisch argument dat niemand minder dan de Sjah van Perzië zijn neus in een gordijn zou snuiten.

Schuil laat in al zijn jeugdromans sterke verhalen regeren, om ze vervolgens te ontmantelen. In De Artapappa’s levert hij posities op diverse vertelniveaus en laat meer over aan lezers. Ze kunnen zien wat ze wensen, tenzij ze niet willen kiezen. Verder is in deze roman een cruciale rol weggelegd voor de taal zelf. Ook dat blijkt al vóór de komst van de halfbroers. Voor hun eventuele ‘radbraken’ van de taal vraagt de Taks begrip. Hij verzoekt zijn witte jongens er niet om te lachen, omdat ze dan voor hun ongelukkige gasten ‘vreemdelingen’ zouden blijven. Meteen doet de Taks een empathisch experiment. Hij vraagt de jongens zich in te denken dat zij in Zuid-Afrika moeten wonen. Wat indien er dan de spot met het hen gedreven werd? Aan het eind van deze voorbereidselen prijst de verteller hem: ‘Beste Taks, wat wist je altijd de juiste snaar te treffen, wat kende je de jongensharten toch goed.’

De Artapappa’s is dus ook een verslag van een pedagogisch project. Bij de kennismaking vindt Pukkie de twee jongens lelijk. Dit onfijne oordeel past bij de ontwikkeling die het boek hem laat doormaken: hij zal een extreem innige band met Bloemhof opbouwen. Tekenend lijkt me ook dat Paul vertelt op de bootreis naar Nederland grappen te hebben uitgehaald waarna matrozen hem uitmaakten voor aap. Onaanraakbaar noemt hij zichzelf ‘het kafferjong’. Zo faciliteert hij een blik van zijn huisgenoten als ‘merkwaardig exemplaar van een koningszoon’ dat, door wat smoesjes, aan de buitenwereld wil getoond. Maar daar steekt Taks een stokje voor.

De Artapappa’s bewerkstelligt van stonde af een botsing van opinies en correcties over het bizarre concept ‘gewoon mens’. Aan die determinatie doet elke verhaallaag mee – van directe rede tot en met vertellerstekst. Er is racisme, paternalisme en rehabilitatie. Daaronder ligt een schijndiscussie: of Zuid-Afrika nog moet worden beschaafd. Een dermate idiote vraag, dat de roman deze taak aan de dorpsbewoners van Vliedrecht geeft. Ondertussen tracht de tekst voorbij zwart karikaturalisme te raken. De Taks is bij deze ontsensationalisering een intermediair, dat ‘verstandige maatregelen’ treft en wiens uitbranders voor de goede zaak ‘volkomen verdiend’ zijn.

Voor Paul is bemiddeling lastig omdat hij, clichématig, impulsief is. Hij heeft dan wel geen last van wat anderen over hem denken, vooralsnog wordt hij aangegaapt ‘alsof hij een wonderdier was’. Het zal zijn aard typeren dat hij Hollanders daarom maar raar vindt. Voor het inburgeringsproject van Taks is dat een hindernis, omdat hij hun taal moet overnemen om beweging in de zaak te krijgen. Dus zegt hij na uren soebatten met een kwaadwillige buurman, bij wijze van offer, ‘dat een jonge kaffer niet in een vloek en een zucht tot een wel opgevoede jongeheer kon worden gebombardeerd’.

Ook voor de drie kostjongens verandert Paul niet snel. Ze zien hem als kermisattractie. Dus buigt de tekst eerst mee met hun verbazing: ‘Een kaffer was al geen alledaags mens, maar wat te zeggen van een zwarte koningszoon, die op zijn handen wandelde en zich op zijn hoofd liet vallen, alsof hij August de Domme in eigen persoon was?’ Er wordt aansluiting gezocht bij beelden uit de nabije cultuur, waarna de jongens moeten wennen aan het feit dat er een individu bij hen leeft. Dat heet ‘lijdend voorwerp’ in een werkelijkheidstest waarbij Paul zich door hen op zijn gezicht laat timmeren en geen krimp geeft. Als Taks zich laat bijlichten, richt hij zijn emancipatiepogingen evengoed op de zwarte: ‘Jij moet je niet op je gezicht laten slaan!’

Vooralsnog gedragen de witte knapen zich even stereotiep. Conform hun notoire landsaard willen ze geld verdienen aan Paul door hem meerdere optredens te geven in een circusspel. Ze worden de les gespeld door Taks, die toevallig achter het plan komt en protesteert ‘dat jullie met Paul dingen doen, waar ik niet van weten mag’. Toch gaat het evenement door, nadat een vader op de Taks ingepraat heeft en als compromis bereikt dat het ‘bij deze ene representatie van een hof-acrobaat en neger-clown‘ blijft.

Het dorpspubliek is er zo benieuwd naar, dat bij de toegangspoort eigen ‘Indianengekrijs’ klinkt. En wanneer deze beschaafde mensen eindelijk binnen komen, slaan ze de betaling over en verrassen de jonge organisatoren zodanig dat die elkaar uitschelden. Daarbij valt het K-woord, dat ‘Paul gelukkig niet hoort’. Wel slikt deze per ongeluk een geleende gulden door, zodat het een rechtvaardigheid van de geschiedenis lijkt dat Pauls exploitatie definitief uitdraait op een faillissement. De Taks weigert de witte ondernemers nog een laatste kans te geven.

De huisbaas verlegt zijn aandacht bovendien naar Bloemhof, wiens imago van saaie piet onderhand nuance verdient. Als hij geen eenlettergrepige antwoorden geeft of ze zelfs met hoofdbewegingen aanduidt, zwijgt hij. Voor zijn belangenbehartiging richt de Taks zich op Pukkie, ’de brutaalste maar tegelijk de goedhartigste van de drie’, die in eerste instantie moet helpen met huiswerk. Tijdens een moeizaam gesprek, met nog steeds korte antwoorden, laat de zwarte jongen zich in een betekenisvol zwijgen ontvallen niet van zijn vader te houden.

Pukkie beseft ‘dat er veel meer in die kafferjongen omging, dan zij ooit hadden vermoed’. Om die diepte te peilen, moet hij dat ‘zij’ bijstellen tot ‘ik’. Dat geeft meteen ook vertrouwen aan Bloemhof. En Taks ziet dat deze afsplitsing uit de groep goed is. Het met zachte aandrang geformeerde nieuwe duo wordt hechter door een aanval van buitenaf, wanneer drie ‘polderjongens’ beledigende taal aan Bloemhofs adres richten, waardoor zijn verse vriend woedend wordt. Maar doordat de zwarte jongen niet reageert, wentelt het groepje ongemak af op Pukkie. Dan neemt Bloemhof het ‘als een panter’ voor hem op. Ongekende krachten maken zich van hem meester en hij raakt daar lastig van los, zodat de pestkoppen zelfs even fysiek gevaar lopen. Hierbij dient aangetekend dat emotioneel de verhouding symmetrisch is en in de praktijk Bloemhof de dienende rol heeft. Aan de ontroerde Mopske is dan duidelijk dat de twee zijn verklonken, maar de zwarte jongen kijkt wel ‘met ogen als van een trouwe herdershond’ naar Pukkie.

Vanaf dit moment verandert er meer. De twee andere witte jongens worden een beetje jaloers. En Pauls onmiskenbare populariteit krijgt de toets van opportunisme, terwijl de opgeluchte Taks over Bloemhof beweert: ‘Als zo’n jongen eenmaal je vriend is, dan blijft hij het tot in zijn dood.’ Hoe nobel dit ook klinkt, erg symmetrisch is het niet. Maar voor de wees die Pukkie is, wordt hier een wonder van ‘echte, aanhankelijke vriendschap’ verricht. Wel groeit voor deze witte jongen de kloof met de dagelijkse werkelijkheid, omdat de blik van buitenaf blijft:

 

Het is nu eenmaal een ongelukkige en onhebbelijke eigenschap van vele Hollanders, dat zij mensen, die er ’n beetje anders uitzien dan zij zelf, altijd moeten aangapen alsof het wilde beesten zijn. En alsof dat niet genoeg is, vinden zij het dikwijls zelfs nodig om ze na te schreeuwen en na te jouwen, enkel en alleen, omdat zij niet gelijk gekleed zijn of ’n beetje andere gelaatskleur hebben dan de mensen om hen heen.

 

Paul heeft daar maling aan, maar Bloemhof wordt er extra verlegen van. En trekt zo nog sterker naar Pukkie? En wordt zijn trouw nog meer eenrichtingsverkeer, als van een hond? Wanneer Taks trots tegen zijn collega’s op school beweert dat Bloemhof ‘zich desnoods in stukken zou laten hakken’ voor zijn vriend, ziet de verteller daar meteen de waarheid van in. Twee dagen later, bij een vuurwerk op Koninginnedag, beschermt de zwarte jongen Pukkie tegen een politiesabel. Met een soortgelijke drift als bij de polderjongens, memoreert de tekst, springt Bloemhof naar voren en vangt de slag op.

Het vertrouwen is gevestigd. Deze zwarte jongen komt uitsluitend los in gezelschap van zijn enige vriend. Over Zuid-Afrika vertelt hij jachtverhalen ‘en Pukkie luisterde dan gretig naar al dat vreemde en avontuurlijke, waarvan hij vroeger alleen maar in boeken gelezen had’. De verteller-spreker toont zich terughoudend over zijn eigen jeugd, ‘het enige en grote geheim, dat tussen de twee vrienden bestond’. Uiteindelijk wordt dat onthuld. De vader blijkt een moordenaar, sloeg zijn kinderen en verstootte Bloemhofs moeder (die van een andere stam was). Zij is dood, net als zijn echte broer. Bij Pukkie lopen de tranen over de wangen, van ‘innig medelijden’.

Dit geschiedt bij de beruchte wandeltocht, voordat Pukkie zijn voet verzwikt en Bloemhof voor hem ‘op zijn knieën’ gaat liggen en met zijn ‘goedige, zware stem’ de jongen uitnodigt op zijn rug te zitten. ‘Heb je mij goed beet?’, vraagt hij vervolgens. Alsof hij nu een vis is? Of zegt de spreker ongewild met een spreekwoord dat hij voor de gek gehouden wordt? Dat klinkt flauw van mij, maar ik denk dat juist in deze scènes, waar de ridderlijke drager zelf gewond is door voetblaren, wordt gepoogd identificatie met Bloemhof tot stand te brengen – en racisme te overwinnen:

 

De kafferjongen beet zich op de lippen, probeerde een paar minuten kaarsrecht te lopen. Maar hij kon het niet lang volhouden; zijn linkervoet schrijnde te veel. Puk voelde het duidelijk: om de andere stap zakte hij links naar beneden.

‘Zet me nou maar weer neer, Bloemhof! Je loopt helemaal mank!’ drong hij aan.

‘Helemaal niks erg, zeg! Loop zo gemakkelijk!’ antwoordde Bloemhof.

 

Alles wordt hier nog geregistreerd door een verteller, die zich permitteert ook het ongemak bij de witte jongen aan te duiden. In de geruststelling van de zwarte jongen ontbreekt dan weer zelfs het persoonlijk voornaamwoord. Drie regels later begint de blik zich opnieuw in te stellen:

 

Weer liep hij zo wel ’n kwartier door. Bij elke stap, die hij deed, schuurde de schoen langs zijn wond en was het hem of ze in zijn vlees sneden. Bloemhof voelde duidelijk, dat de blaar was opengegaan en het bloed in zijn kous liep, doch hij strompelde al maar door, zonder dat een klacht over zijn lippen kwam.

 

Even komen de gevoelens van de zwarte jongen rechtstreeks in het vizier van lezers. En dan is Pukkie een pagina lang terug in beslag genomen door zijn eigen schuldbesef en hij praat in op zijn drager, zonder zijn letterlijk superieure positie te verlaten. Op de rug ziet hij alleen ‘de zwarte kroesharen van zijn kaffervriend voor hem’, en niet ‘hoe Bloemhof’s gezicht verwrongen was van pijn’. Hier toont de verteller zich naar mijn idee minder registrerend dan bestraffend. En prompt krijgt Bloemhof eindelijk onvermengde aandacht:

 

Bijna twee uur lang had Bloemhof Pukkie nu gedragen. Altijd liep hij nog maar door, maar elke keer, als hij zijn linkervoet oplichtte en de schoen langs de open wond schuurde, klemde hij zijn tanden op  elkaar om maar niet te schreeuwen van de pijn. Met zijn hoofd naar de grond gericht, strompelde hij daar langs het bospad. Het was, of Pukkie nu tienmaal zwaarder was dan in het begin, of twee armen van lood om zijn hals waren geslagen en hem achterover wilden trekken. Het zweet gutste Bloemhof langs zijn zwarte gezicht. Hij voelde, dat hij het niet langer vol kon houden, dat hij Pukkie moest neerzetten. Hij had hem zo graag tot aan het eind toe gedragen, maar nu kon hij het niet meer. Het werd hem al te zwaar en de voet deed hem bij elke stap, die hij deed, zo’n pijn, zo’n pijn! Toen opeens hoorde hij Pukkie roepen: ‘Daar heb je de weg!’

Even lichtte Bloemhof met moeite zijn hoofd op; hij zag door de bomen in de verte het licht van de grote weg!

Bloemhof plantte zijn boventanden in zijn onderlip; hij wilde volhouden, hij zou Pukkie dragen tot aan het einde toe.

 

De cursief toont volgens mij de verteller in naakte staat. Hij tracht maximaal te sympathiseren met zijn held en kan er uiteindelijk geen taal voor vinden. Dat tekort wentelt hij weer een halve pagina later af op Pukkie, wanneer de grootheid van het offer uitgekomen is, samen met het comfort van de oppervlakkig gewonde gedragene. Dan kan het witte perspectief gecorrigeerd worden:

 

De tranen sprongen Pukkie in de ogen. Bloemhof had hem dus door het bos gedragen met zulk een wond aan zijn voet en geen klacht was er over zijn lippen gekomen! Hij had alleen maar gevraagd naar hem, naar Pukkie, of hij wel goed gemakkelijk zat! En zelf had hij met het bloed in zijn schoen gelopen, had hij de ergste pijn geleden, zonder dat hij ook maar één woord daarover had gezegd!

 

Drie achtereenvolgende uitroeptekens onderstrepen de verkeerde inschatting van de werkelijkheid door de witte jongen. Als ergens de term privilege gepast is, dan wel hier. Hoe tragisch bovendien, want niemand draagt Bloemhof zo’n warm hart toe als Pukkie. En als om de toegebrachte schade extra te herstellen, wordt aan de zwarte jongen dan ook eer betuigd door het gewone volk, tot dan toe plenger van racistisch gewauwel. Een boswachter en een boer prijzen Bloemhof de hemel in.

Vanuit die veranderde posities wordt De Artapappa’s voor empathische lezers meteen erg wreed. Er komt namelijk een Transvaalse gezant langs met een bericht dat aan de Taks de uitspraak ontlokt: ‘Voor Bloemhof vind ik het vreselijk.’ Pukkie weet dan al genoeg, en wanneer hem het hele verhaal wordt gedaan heeft zijn huisbaas ook tranen in de ogen. Met hem deelt de witte jongen dan het geheim over de Bloemhofs vader en krijgt de belofte dit aan de gezant voor te leggen. Maar de Taks moet natuurlijk wel al de halfbroers inlichten. Bloemhof heeft aan een half woord voldoende om te begrijpen wat er dreigt. En hij zwijgt terwijl zijn lichaam ‘ineenschokte’. Deze stolling houdt zo lang aan dat de huisouders besluiten Pukkie erbij te halen. Wanneer deze binnenkomt barst Bloemhof los ‘in een wild snikken’, in een ongekende ‘uitbarsting van verdriet’.

Doordat het onherroepelijke nabij komt, verschillen de karakters van de halfbroers nog sterker. Paul blijft onaangedaan. Iedereen beseft dat hij ’de Hollandse beschaving niet heel erg missen’ zou. Maar het vertrek van de ‘innig bedroefde’ Bloemhof heet een ‘heengaan’. De verteller van De Artapappa’s is aldus niet extra wreed, door geen illusies te scheppen. Meermaals zegt hij dat de jongens elkaar nooit terug zullen zien. Door het afscheid, waarbij Bloemhof een ‘laatste blik’ werpt, raakt zelfs Paul even van streek. Er rest Pukkie na het vertrek niets dan voor Mops ‘op de knieën’ te vallen en zijn gezicht te verbergen in haar schoot.

Voor de verlaten jongen in Holland is het wachten op een brief, die Bloemhof heeft beloofd. Maar in de bus valt er eentje van Paul, nietszeggend, behalve dat er staat bijgeschreven dat Bloemhof in het ziekenhuis ligt. De Taks kan Pukkie amper troosten en laat zich elders inlichten door de kapitein over de reis naar Zuid-Afrika. Dan blijkt dat Bloemhof dadenloos was geraakt, niet at en alleen nog maar brieven schreef want hij ‘verteerde gewoon van verdriet’.

Het is nog slechts wachten op het einde. Dat ligt er voor Taks ’s avonds meteen bij thuiskomst, weer per brief, nu van de gezant. Hoewel Pukkie al in bed ligt, gaat hij onmiddellijk naar beneden. Daar hoort hij dat Bloemhof is gestorven en kan Mops haar rol van moeder nog levensechter uitoefenen. De lezer bevindt zich in dezelfde pijn als Pukkie: onwetendheid. Meer brieven bieden opheldering. Van een verpleegster over Bloemhofs laatste dagen, en van de betreurde zelf die zijn schrijfbelofte dus nakomt en taal heeft verworven waarop een werkelijkheid valt te bouwen. Uit beide schrijvens blijkt dat de dood een verlossing moet zijn.

Het slothoofdstuk van De Artapappa’s maakt een sprong in de tijd. Puk, inmiddels ‘zee-officier’, onderneemt ‘een soort pelgrimstocht’ naar Zuid-Afrika om Bloemhofs graf te bezoeken dat hij heeft laten oprichten. Op straat komt hij dan Paul tegen. Deze blijkt nog immer babbelziek en is inmiddels gelukkig getrouwd, waarbij hij laat uitschijnen dat hij zijn vrouw slaat en ‘niet bepaald Hollandse begrippen van het huwelijk had’.

Hoe anders ligt dat met Bloemhof. Maar om dat uit te duiden, heb ik nog een blogpost nodig.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten