donderdag 9 juni 2016

Kippenkooi

Er zal veel lelijks over YouTube te zeggen zijn, op rechtenvlak bijvoorbeeld, maar ik ben er fan van. Af en toen schakel ik er een liedje aan en klik het beeld weg, om op de computer te kunnen werken. En dan associeert de site erop los met volgende nummers. Ongetwijfeld met zoektermgebonden algoritmes, mochten die bestaan, maar de optimist in mij ziet het liefst een dominospelletje ontstaan.
En hoopt op resultaten voorbij zouteloze virtuele genreradio’s, op willekeur en ongekende verbanden, die de arbeid dusdanig prettig onderbreken dat ik gewoonweg moet zien wie en wat.
Zo ontdekte ik een paar jaar terug Any Trouble, meer in het bijzonder de elpee Where Are The Girls uit 1980. Elders heb ik daar al wat over geschreven; mij stemde deze muziek helemaal ‘vrolijk’, om het meteen al onmachtig te stellen (tenzij met een vergelijking: zoals in Nederland The Mo mij wist te raken).
Het was uiteraard ook een ontdekking met terugwerkende kracht, die mijn beoordelingskracht veroordeelde. Waarom had ik Any Trouble destijds gemist? De muziek doet me denken aan de grote Elvis Costello uit dezelfde jaren, misschien is YouTube zelfs via hem op deze band gekomen, maar op een of andere manier vind ik Any Trouble beter – en zou dat dan snobisme zijn, exclusiviteit van mijn ontdekking?
Zeker snobistisch dunkt me mijn afkeer van de te grote bijval voor Tom Browns ‘Funking for Jamaica’, met die ietwat waanzinnige zangeres Toni Smith – ik ken iemand die bij het horen van haar stem in een zwembad sprong. Ook daar bood YouTube uitkomst. Nagenoeg dezelfde bezetting verzorgt de ‘Nursery Rhyme Song’ van Weldon Irvine (toenmalig arrangeur bij Browne).
Beide liedjes zijn eigenlijk een jam, quasi-spontaan, en scheppen een sfeertje zoals destijds in de fijne draakfilm Fame, gebaseerd op het reilen en zeilen van de Juilliard School. Bij deze Irvine is Smith eveneens te horen, en Tom Browne zelf, Omar Hakim... Beroemdst van dit losvaste team werd Marcus Miller, wiens bas hier nog niet Bor de Wolf tracht te imiteren.
Wel raar komt mij de sensatie voor dat ik in dit genre – open baspatroon, rechte drums – veel betere liedjes ken: ‘Reach for it’ en ‘Dukey Stick’ van George Duke. Maar die zitten dusdanig diep in mijn systeem, dat de wanorde van YouTube me welgevalliger is.
Duidelijk tot nu toe wordt me dat deze site iets uitricht met de verhouding tussen originaliteit en navolging. Zo bracht de Yellow Magic Orchestra ooit een versie van ‘Tighten Up’, waarop het overwegend zwarte publiek van het legendarische programma Soul Train toegeeflijk, om niet te zeggen gul danste alsof het funk was.
Zou dat nou camp wezen?

Tot overmaat van ramp verandert door deze volgorde het geweldige origineel van Archie Bell & The Drells voor mijn ogen in een proeve van onderdrukking. Hoe gedwee en soepel die zangers hun bewegingen laten gelijkschakelen!
Stomme YouTube.
Tot de site me voerde naar Piu Piu, een Nederlandse band uit het begin van de jaren tachtig die, als ik me goed herinner, uit Gilze-Rijen kwam. Mijn heimat! Mijn hart sprong wel pas op na een paar nummers, toen ‘Marsepeine Baby’ langskwam. Ik begrijp dat het een cultstatus heeft.
Voor zover ik het kan verstaan gaat het over een mevrouw uit Amsterdam en heeft zij haar opmerkelijke bijvoeglijk naamwoord te danken aan haar pants. Dus aan het vlees dat daar dan doorheen schemert? Of gaat het om een varkensroze legging? Ik weet niet wat de Lezeres des Vaderlands van zoiets vindt, maar mij bevalt zo’n provinciale metoniem wel.
Piu Piu heeft niet toevallig het geluid van TC Matic, want de band had de eer geproduceerd te worden door Jean-Marie Aerts. Toch weet de snob in mij alweer zeker dat het zoeken in die richting omgekeerde waarden vertoont. Of komt die overtuiging voort uit het feit dat ik nooit iets heb gesnapt van de flou artistique rond TC Matic?
Voor de bijl van Piu Piu ging ik pas werkelijk bij het nummer ‘I'd Like To Love My Baby But....’. Ik ben net rationeel genoeg om de reden ervan te willen uitklaren. Hernemen en hernemen dus, en tot de constatering komen dat dit Engelstalige liedje in het refrein wordt gesteund door het woord ‘kippenkooi’.
Wat is dat toch met muziek? Het blijkt andermaal een kunstvorm met een groot absorberend vermogen. Zo groot dat taal er volledig in verdwijnt. In tijden waarin communicatie stroever en stroever gaat wegens schaalvergroting en rentabiliteitsverlangens kan dat een troef zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen