dinsdag 7 juli 2015

Belichting

Wanneer besloot ik niet meer ‘bij’ te willen zijn? Op de middelbare school werd de hitparade verboden domein, maar ik wist aardig wat er elders voor nieuwe muziek verscheen. Daarna ging mijn aandacht naar onverkende snobgenres en toen docenten uit hun bol gingen bij Crowded House omdat die ‘de nieuwe Beatles’ zouden zijn, was het mij helder: ik doe niet meer mee! Laat de schaamte regeren!
Het geeft iets onaantastbaars om, binnen de beperkingen van de wereldvreemdheid, te kunnen zeggen nooit te hebben gehoord van een beroemdheid. En ‘kinderlijk enthousiast’ te worden van iets dat voor jou splinternieuw is en anderen blijkt te smaken (King Gizzard & The Lizard Wizard).
Bij boeken ligt dit al lastiger. Natuurlijk is er, zeker bij pontificale uitdraging, kans op enige gezaghebbendheid als je geen weet hebt van ‘de waan van de dag’, maar in de branche liggen veel pareltjes die door rechtvaardigheid opgepoetst mogen worden. De kans iets waardevols te missen is groot. Zo ben ik trots ooit het debuut van Pam Emmerik te hebben gelezen, al was het vanwege deze zin: ‘Het was gewoon de op een na beste mogelijkheid om te verdwijnen die ik op dat moment kon bedenken.’ Bovendien zeurde ik als jong menneke in de rondte dat machtighebbers helemaal niet bijhielden wat er verscheen, of dat ze vergelijkingen trokken met het vertrouwde die niet op hun plaats waren. Dat doe ik zelf inmiddels dus ook.
Bij mijn derde manie, taal, kan niemand het zich permitteren onkundig te blijven. Al die veranderingen en nuances, het gekronkel en de kickstarts. Wel blijft onzeker of je ‘bij’ bent. Bij taal dringen nieuwe betekenissen pas door als je merkt dat mensen anders handelen op basis van een term.
Zo loop ik een halve eeuw rond met een idee van ‘solidariteit’ dat me na het hart gaat. Ik bezit een boek waarin die geschiedenis aanschouwelijk is gemaakt: De rode droom. Een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Het is niet alleen omdat dat koppelteken in dat traditiewoord onder een spellingshervorming is gesneuveld dat dit boek weemoedig stemt, maar ook omdat ‘solidariteit’ refereert aan iets wat voorbij is nadat de postmoderne ironie heeft huisgehouden. Daarbij trof het niet dat de vakbondsman die de term dikwijls in de mond nam, Van der Scheur heette.
Nadien werd de vraag: wat levert solidariteit op? Mij gruwelt zoiets. Het liedje “voor wat hoort wat” regeert. Een tegenprestatie dus.

Maar wederkerigheid definieerde Frank Vandenbroucke uiteindelijk als ‘een houding (…) die we niet alleen eisen van de zwakken in de samenleving maar ook van de sterken’. Practice what you preach dus. Ook komt mijn gruwel voort uit dingen die me niet aan het hart gaan. Bijvoorbeeld wat ‘vriendjespolitiek’ heette: zakelijke sympathie op basis van tweezijdige gunstverlening. Solidariteit kende naar mijn gevoel helemaal geen belang, tenzij in universele omvang. Wel was me al opgevallen dat het niet gepaard gaat met veel humor om te lachen.
Bij vriendjespolitiek hoorde een gedrag, dat gedetermineerd leek. Goede manieren die soepele manieren bleken. In de informele sfeer, kameleontisch, mee- en terugbuigend en immer strategisch. Waarschijnlijk is door de komst van sociale media dergelijk gedrag geïmplodeerd. Steun komt er veel meer zichtbaar, in de vorm van likes of retweets. Solidariteit heet dan misschien ‘draagvlak’.
Tegelijk heeft Jonathan Franzen vinnig betoogd dat een like per definitie onoprecht zou zijn. Je hoeft voor dit soort solidariteit, hoe effectief en geaccepteerd ook, in elk geval je stoel niet uit. Petities voor gemakzucht, met een maximale return on investment? Op mij komen ze minder over als standpunt dan als reclame voor een goede inborst, zeker bij zelfstandigen die zich afficheren als ‘activist’.
Die ingewikkelde apathie zou wel een nagekomen bewijs zijn voor de grondstelling van De rode droom: dat sociaaldemocraten en liberalen van oudsher in een haat-liefdeverhouding leven, en volgens Abraham Kuyper zelfs loten van dezelfde stam zijn. Ook kan die indruk bij mij zijn gerezen uit de overtuiging dat solidariteit onvoorwaardelijk en anoniem is, en een offer inhoudt.
Thans dus over naar Griekenland. Na het ‘meteorologisch ritueel’ (Baudrillard) van opiniepeilingen is het prachtig dat een ruime meerderheid zegt inderdaad niet te willen leven met een systeem zonder invloed. Maar daarmee zwijgt die meerderheid nog altijd zoals van haar wordt verlangd en is zogezegd positieve actie niet begonnen. Er was een initiatief van een Engelsman – toegegeven: op Facebook – om de schuld van Griekenland te delen. Dat lijkt tenminste op iets dat de werkelijkheid nabij komt: de burger betaalt.
Maar misschien ben ik vermoeid van al die kenners die weten wat ‘de gewone Griek’ of ‘de gemiddelde Griek’ of ‘de Griek van de straat’ of ‘de echte Griek’ of ‘de doorsnee Griek’ of ‘de ware Griek’ wil (in opa’s tijd heetten zulke uitingen discriminatie). Ger Groot heeft ondertussen laten zien dat de minste wijziging in het weer iets blootlegt van onze ideeën over arbeidsethos en intimidatie-uitkomsten over gendervermoedens, Piketty rakelde een jijbak op, maar alles blijft draaien en malen in het opinisme-universum.
Wanhoop blijft er in alle maten, en dus ook onder diverse soorten van belichting.
Er is wellicht nog een postideologische solidariteit. Daarover komt Jan-Willem Anker te spreken in zijn schroomvallige en overbewuste ‘semipublieke dagboek’ Het plein, over de participatiesamenleving. Dat in de neoliberale agenda verantwoordelijkheid is omgebogen van collectief naar individueel, bevordert ‘uitsorteringsprocessen’. En een zich terugtrekkende overheid dwingt wijkbewoners, zoals in het boek die van de fameuze Vogelbuurt (in speerpunttermen van de PvdA: ‘focuswijk’), meer zelf te doen. Anker redeneert voort op de gevolgen: wie uit solidariteit ‘de uitdaging aanneemt’ door de als onvermijdelijk voorgestelde zorg voor de openbare ruimte op zich te nemen, wordt verleid om een nog kleinere overheid te willen. Da’s pas langetermijndenken!
Terzijde geeft Anker overigens een reden voor mijn signalement van een zelfstandigenmentaliteit die zo middle class overkomt. Er is een ‘een nieuwe blanke, intellectuele onderklasse met al die sappelende zzp’ers aan het ontstaan’. Ook voltrekt in de praktijk solidariteit zich in zogeheten betere buurten. Moet je daarvoor ‘bij’ zijn?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen