woensdag 26 maart 2014

Puntje van orde



Dag vogels, dag bloemen,

Gisteren stuitte ik op een recent gesprek tussen de Gallicische dichteres Chus Pato en haar Canadese vertaalster Erín Moure. Het had plaatsgevonden per e-mail. Ik meen te weten dat Pato geen Engels verstaat en Moure geen Gallicisch. Beiden zijn wel erg dol op Google Translate, en de vertaalster heeft wel eens een lans gebroken voor wat ze noemt de methode-Tarzan.
Deze restricties voor (of uitbreidingen van) het fenomeen gesprek in acht genomen, vielen mij twee passages op, die ik voor de gelegenheid heb omgezet in een soort Nederlands. Eerst deze:

“Voor een schrijver is vertaald worden het mooiste noodlot. Voor mij wordt poëzie pas echt aangedreven door 'Ik lees wat jij schrijft en ik schrijf / Jij leest wat ik schrijf en jij schrijft ook'. Ik kan me helemaal geen dichter voorstellen die volledig in zijn eentje werkt; ik heb de dichter nooit beschouwd als een absoluut en afgezonderd individu: we schrijven poëzie opdat poëzie rondgaat, zodat jij, zodat ik, zodat alle zes de grammaticale personen – ik, jij, zij, hij, wij, zij – schrijven en lezen. Dat betekent dat het wezen van het gedicht, zijn kern, dit communisme is, de samenleving van poëzie die nooit fusie of gemeenschap is maar een blootstelling aan grenzen.”

De derde persoon enkelvoud valt bij Pato uiteen in man en vrouw. Voor die nuance doet ze de tweede persoon meervoud cadeau. Logisch misschien, want welk individu vindt het nu prettig te worden aangesproken met 'jullie'?
Des te geestiger dat deze dichteres in de kern van haar producten onbekommerd een communisme ontwaart, net als Badiou en Ann Cotten.
Welke singulariteiten aller landen mogen zich dan verenigen?

“Ik schrijf, zoals je weet, in het Gallicisch, een taal zonder soevereiniteit. Dit betekent niet dat ik poëzie opvat als iets nationaals of nationalistisch. Laat me dat toelichten: ik beschouw een dichter niet als iemand die voor zijn taalgenoten schrijft maar voor alle soorten, en niet alleen – denk aan Orpheus – voor mensen, maar als het even kan ook voor stenen, voor dieren en voor de sterren die het verst af staan van de aarde, of ze nu lezen wat is geschreven of niet, en of ze het nu horen of niet. Tegelijk houd ik vol, op een heel ander niveau, dat mijn eigen taal, het Gallicisch, net als elke andere taal, het verdient soeverein te zijn.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen