dinsdag 10 december 2013

Hans Groenewegen (5)


Een halfjaar nu. De neiging passages te wegen aan Groenewegen gewijd. Een kind kan zien dat ze uiteraard niet even geïnspireerd zijn, de volwassene die dat aanwijst reserveert voor zichzelf een plaatsje op de plank met azijn. Van dat vocht bestaan variaties (naar verluidt ben ik een heiden met protestantse opvattingen en katholieke eetgewoonten).
Ik besef Groenewegen laat te hebben leren kennen, lang na cruciale politieke evenementen in zijn leven. In Zomergasten vertelde Beatrice de Graaf dat in de jaren zeventig en tachtig, vanuit hun traditie, 9.000 tot 12.000 protestantse Nederlanders naar de toenmalige DDR gingen voor ‘een dialoog’. Een aantal waar hoop uitspreekt – die vergruizeld is met de val van de Muur. Enige voormalige krantencollega’s van Groenewegen wendden de steven in Alles moest anders. Het onvervuld verlangen van een linkse generatie, terwijl hij zelf zijn geweten afgraasde in Hete herfst aan het begin van een ijstijd. Van dat boek moest Heldring niks hebben. Ik betrap me erop niet in een bibliotheek te zoeken naar de ins en outs van zijn kritiek.
Dat ik over de val van de Muur ook wat gemeld heb, zonder ervaring ter plekke, legt over deze notities een vreemd vlies. De laatste maanden luister ik geregeld naar de Village Vanguard Recordings van John Coltrane, en denk dan dat diens steeds hernomen pogingen ergens toe hebben geleid. Wel steun ik, getuige Groenewegens recentste poëzie in blijven & verreizen, een bedenkelijke trend:

“het is nu vijf jaar geleden dat mijn vriendtheovangogh werd vermoord”, zoals een ander gezegd en als weer een ander in een interview zus of zo hier en daar na een jaar of vier of drie, zoveel vrienden doken in die jaren op, als veteranen in wageningen, elk jaar meer voormalige bs-ers paradeerden aan het voormalige lid van de nsdap voorbij, zo zou, zou zo mijnvriendtheo het zelf gezegd kunnen hebben in andere bewoordingen, dwars door elk argument van wie dan ook heen, sneed koekblikvincent nog zijn eigen oor af, mijnvriendtheo naaide van zijn gesprekspartners de lippen dicht, onze handen zijn gebonden, door de kennis van nu, die deze uitkomst niet heeft gewild, niemand van ons heeft gewild, maar mijnvriendtheo wist als geen ander, en dat hebben we geweten en niet vergeten


Hier zijn ironie, woede, associatie, moralisme, onredelijkheid, hoon, luciditeit en engagement onontwarbaar vervlecht. De notitie eindigt zonder punt.
Laattijdig las ik het Awater-interview met Groenewegen, dat relatief breed aandacht kreeg. Het bevat één prachtige, optimistische zin: ‘Je zou kunnen zeggen dat poëzie een ruimte is waarin je werkelijk iets kunt tegenkomen dat vreemd aan jezelf is.’ Groenewegen spreekt het vermoeden uit dat in zijn teksten zijn geloof onzichtbaar is wegens permanente aanwezigheid. Hij bekent moeite te hebben met gelovigen die willen vasthouden ‘aan iets’.
Ik snap nu waarom Groenewegen na dat interview gepercipieerd werd als een heilige. Zijn nakende dood wuift hij min of meer weg door de pijn naar de nabestaanden te verleggen. Waarom wordt zoiets klakkeloos overgenomen? Juist met een onbedaarlijke liefde, waarvan blijven & verreizen vele proeven geeft, zou een afscheid hem zwaar moeten vallen. Terecht heeft Erwin Jans in De leeswolf opgemerkt dat ‘het niet-eindigende gesprek met de geliefde de bundel zijn ruggengraat geeft’. En krachtiger dan ooit is de natuur omringender en Groenewegen eigener. Een kwestie van interpretatie? Meer dan de interviewtitel ‘Leren loslaten’ bedroeven me de erbij geplaatste foto’s van de dichter, verwikkeld in een sterfproces. Aan wie is de hulde wanneer dit wordt vastgelegd?
Op blijven & verreizen zijn recensies gekomen. Niet veel, niet weinig en altijd met sympathie. Mij viel een refrein op, gezongen op het internet (Joost van der Vleuten) en in een gerenommeerd dagblad (Janita Monna). Het refrein hecht aan complexiteit en niet-onmiddellijke toegankelijkheid een waardeoordeel. Daarmee legt het schotten rond een genre. Ik citeer Trouw: ‘Zijn poëzie zal ook na zijn dood geen grote lezersschare trekken, daarvoor is hij te veel een dichter voor dichters.’
Zijn dichters aparte mensen? Lezen zij anders? Hebben zij speciale interesses? Misschien ben ik onromantisch aangelegd, maar op alle vragen zou ik ‘nee’ antwoorden, terwijl onmogelijk valt te loochenen dat de term poet’s poet nog altijd rouleert. Wie bezigt hem? Mensen die zich niet tot het oeuvre van dienst aangetrokken voelen, of die niet dichten? Zo raken lezen én dichten een onmaatschappelijke bezigheid. Een competentiekwestie, die strikt individueel is. En die juist in zijn nuchterheid van literatuur terug een reservaat maakt, voor elites.
Daarmee keert de inschatting van Groenewegen weer als ideale schoolmeester om te enthousiasmeren voor poëzie. Inderdaad kon hij ‘een breed publiek’ bedienen én hij wist ‘academisch’ te schrijven. Uniek was dat dit zonder projecties geschiedde. Maar bij het enige serieus ondersteunde publieksgebeuren, de Week van de Poëzie, hoort Monna tot de informatieverstrekkers. Ze zal aangesteld zijn door Productiefonds-verantwoordelijke, van wie ik vaker deze uitspraak heb geciteerd, over Lucas Hüsgen:

‘Volgens mij ben ik te dom om hem goed te lezen. [...] Ik kan niet eens aangeven of het aan hem ligt of aan mij, maar zie wel dat het een mooie lezer als Johan Sonnenschein lukt om er chocola van te maken. Zelf kan ik er niet bij en dat gebeurt niet zo gek vaak. [...] Kijk, je hebt natuurlijk een beperkte tijd en energie en ik lees graag en veel poëzie, maar ik moet door het werk wel getriggerd worden. Nachoem Wijnberg of F. van Dixhoorn zijn misschien ook niet de gemakkelijksten, maar voor hun werk wil ik graag moeite doen’

Een oprechte redenering, die andermaal laat zien hoe politiek en kunst samenhangen. Voortgang blijkt een keuze. Mij vermoeit het omineus te zwaaien met ‘het neoliberalisme’, maar ik ontwaar een return on investment die rijmt met wat kunst- en subsidiehaters tegenwerpen: ‘Wat heb je daar nou aan?’ Ook vanuit dat perspectief valt te begrijpen dat de performatieve poet’s poet louter ellende schept.
Verried het interviewcitaat over poëzie als een ruimte voor een ontmoeting met het vreemde dat de redenering indruist tegen wat Groenewegen geprobeerd heeft uit de grond te stampen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen