vrijdag 13 januari 2012

Een soort van auctoriële interventie

Wat kan het toch een geluk geven een boek te lezen, ook – maar misschien is dat makkelijk praten nu in het zachte januari de ochtendvogeltjes fluiten – indien de stof ervan asgrauw is. Zoals in Herzzeit, de correspondentie tussen Ingeborg Bachmann en Paul Celan. Eigenlijk moet ik weinig hebben van liefdestoestanden, en helemaal niet van die van derden, maar wat een slimme en ontvankelijke mensen!
Ik ben ook gelukkig met het boek, omdat het naar mijn indruk menig laaglandse uitgever de hielen laat zien. Herzzeit bevat behalve brieven de bijlagen ervan, en voor de documentaire context correspondentie met de toenmalige wederzijdse partners Max Frisch en Gisèle Celan-Lestrange. In alle opzichten zijn er meer talen (het onweerstaanbare Frans van Bachmann!). Voorts registers, een uitgebreid interpreterend essay, een bulkende bibliografie, een heerlijke lijst met annotaties en weinig foto’s. Zo’n uitgave dus, waarvan vast zou staan dat er, tenzij omgewerkt tot een roman, geen publiek voor bestaat omdat de meeste lezers dom zijn.
Naar gewoonte las ik er een boek naast, ditmaal Frits Bolkesteins De intellectuele verleiding. Gevaarlijke ideeën in de politiek waarrond tekstinterne, referentiële en sentimentele kritiek hangt. Vanwege de brievenbundel frappeerde mij een bizar contrast. Terwijl Bachmann en Celan een taalballet dansen van toenadering en afstoting, euforie en paranoia, verongelijktheid en overredelijkheid en nog veel meer, regeert bij Bolkestein immer de overzichtelijkheid. Zijn ‘vlijmscherpe pen’ waarvan de achterflaptekst rept, heeft de wereld verdeeld in goed en kwaad. Ook de geschiedenis ontvouwt zich in schematische paragrafen met prikkelend uitgesneden citaten. Met name Rousseau is een kwaaie pier. Nog eeuwen na zijn dood blijkt hij verantwoordelijk voor zo’n beetje elke denkbare misdaad; Bolkestein deinst terug voor elk geloof in fundamentele goedheid.
De intellectuele verleiding verwijst naar irrationaliteit zonder levenservaring, vooral als die met het spreekwoordelijke vuur van de bekeerling wordt gepropageerd. Zelf had Bolkestein de rechte lijn meteen te pakken. Zijn boek opent met een herinnering waarin hij als student een congres te Praag corrigerend interpelleert. Louter rationaliteit erkent hij als bron van consequent handelen voor individuen die volledig zelfstandig beslissen, zonder excuses van verleden ‘(Freud)’ of omstandigheden ‘(Marx)’.
Indien vervolgens de markt het werk doet, ontstaat er welvaart die Bolkestein, naast vrijheid, de grootste verdienste van het kapitalisme vindt. Daarbij moeten voor de concurrentiepositie de lonen laag worden gehouden, behalve die van het hoger kader want zonder fatsoenlijke prikkels krijgen bedrijven louter middelmaat. Zo verrijst een ordelijke wereldsamenleving die realiteitshalve steeds bedacht moet zijn op gevaarlijke elementen, waarvan Bolkestein uit de naoorlogse geschiedenis noemt: hoogopgeleide jongeren uit de tegencultuur (‘een soort van vijfde colonne’) en andersglobalisten zoals die protesteerden in Göteborg en Genua. ‘Het lijkt wel of elke generatie dezelfde leercurve moet doorlopen.’
Is het al grappig te weten dat Octavio Paz evengoed Marx afwees omdat ‘begeerte’ niet in diens woordenboek voorkwam en door deze omissie het fenomeen mens verminkt zou zijn, De intellectuele verleiding biedt structureel een hilarische tegenstrijdigheid. Als rechtgeaard liberaal bepleit Bolkestein minimale bemoeienis van de overheid, maar de verteller van zijn boek laat de lezer nooit met rust. Bij citaten en voorvallen valt te vernemen of ze positief of negatief voor het betoog zijn bedoeld. Aan het begin en het einde van hoofdstukken wordt in puntsgewijze samenvattingen en conclusies de lezer gedirigeerd wat hij moet vinden, wat hem te wachten staat en waarom.
Overdrijf ik? Hier een representatief citaat over een beroemd boek van Nikolaj Tsjernysjevski dat ik zelf nooit heb gelezen:

Wat te doen? beweert een roman te zijn, maar is in werkelijkheid een politiek traktaat. Als roman is het een mislukking. Het onwaarschijnlijke verhaal is snel verteld. Vera wil ontsnappen aan haar verstikkende milieu. Ze trouwt met de student Lopoesjov en ze betrekken samen een huis maar met gescheiden slaapkamers (geen seks dus). Dan wordt Vera verliefd op de student Kirsanov. Om die jonge liefde ruimte te verschaffen ensceneert Lopoesjov zijn eigen zelfmoord. In werkelijkheid vertrekt hij naar Canada. Aan het einde van het boek keert hij terug naar Rusland als Charles Beaumont. Hij trouwt met een van Vera’s vriendinnen en het viertal leeft nog lang en gelukkig.
Met zijn 550 kloeke bladzijden is het boek veel te dik. Het is kunstmatig en dogmatisch. De auteur spreekt de lezer soms rechtstreeks toe in een soort van auctoriële interventie. Vera, de hoofdpersoon, heeft vier dromen, wat de schrijver in staat stelt alles kwijt te kunnen wat hij zeggen wil. Kortom, het is een vervelend boek en valt niemand aan te raden, behalve dan een student die is gehard in de politieke wetenschap. Wat maakt dit boek dan zo belangrijk? Het antwoord ligt in de filosofie. Het is deels waarlijk progressief.

Indien ik dit per regel ga becommentariëren, zou het me een schuldgevoel bezorgen (wat, getuige Bolkesteins exercities tegen ontwikkelingshulp, ‘een egocentrische emotie’ is). Wat hij doet is geen stileren, maar smijten. Het is ook geen denken, maar duwen. Overigens begint het gesodemieter al op de titelpagina’s: rechts staat Uitgeverij Bert Bakker, en links, bij de mantra over de Forest Stewardschip Council, Uitgeverij Prometheus.
Het effect van Bolkesteins eenstemmigheid is zelf irrationeel. Hoe denkt zo’n tekst, bedoeld voor ‘de kritische liberaal’, te overtuigen?! Zelfs voor partijgenoten zou dit te vooringenomen kunnen zijn.
Ik zou Bolkestein de lectuur van Herzzeit aanbevelen. Dat boek heeft mij meteen geholpen bij mijn afkeer voor redundantie. Laatst bekroop die sensatie me weer bij een tentoonstelling zonder lijn en met verbindende teksten die de boodschap leken uit te dragen: ‘Dit hebben we op Google over het onderwerp gevonden, wie wil kan er wat uit kiezen om een tentoonstelling te maken’. De uitgave van Ingeborg Bachmann en Paul Celan leert dat enige overtolligheid een stimulans kan zijn voor de caleidoscopie.
Wel geeft Frits Bolkestein hekelenderwijs een saillant detail. De uomo universale blijkt een betrekkelijk recent verschijnsel: ’s morgens jaagt hij, ’s middags leidt hij een staking en ’s avonds spreekt hij een teach-in toe (blz. 196). Nog innovatiever is deze observatie: ‘Rijkdom is nu evenwichtiger verdeeld dan gedurende enige andere periode in de geschiedenis.’ (blz. 215)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen