woensdag 6 januari 2010

Leerschool

Stationair draaiend tijdens het maken van een boek over koffie, leek het me listig om de kunst even af te kijken bij schijnbare verwante werken. Zo haalde ik Lelystad in huis, van Joris van Casteren. Ik had er goede dingen over gelezen, onder meer over de grenzen tussen fictie en non-fictie die ik zelf zou willen slechten. Andere boeken en journalistieke artikelen die me van Van Casteren bekend zijn ademen een nuchtere betrokkenheid – precies wat ik zoek.
Tegelijk interesseerde mij, als Hollandse emigrant misschien om sentimentele redenen, zijn onderwerp. Het prikkelde ook de fantasie, een nieuw te bouwen stad op land dat op zee is gewonnen. Dus ik verheugde me op Lelystad en ik moet zeggen: ik heb me bij het lezen geamuseerd. Wellicht wat te veel, want geconfronteerd met een monocausale verhandeling is het me nu helemaal een raadsel welke kant ik op moet.
Van Casteren heeft verbluffend veel achterafinformatie verwerkt over een stad die hij vanaf zijn prilste jeugd kent. De eerste beweger bij hem is de jaren zeventig. En daar zijn ze weer: de baarden! Ze hangen aan mannen die de wereld willen verbeteren, allereerst door te experimenteren met hun leven zodat ze hun ware zelf kunnen bereiken, zonder overgeërfde schuld. Zouden ze daar nu in zekere zin, bien etonné, een pluim voor krijgen van Bolkestein, het boek memoreert slechts ettelijke cursussen, en na minstens zoveel scheidingen worden in Lelystad vrouwen lesbisch. Volgens mij zijn ‘de jaren zeventig’ vaker zo beschreven, steevast met dezelfde vruchteloze uitkomst.
Een ander wereldbeteringsfacet dat Van Casteren oprakelt, houdt in dat men omstandigheden schept die een groter algemeen geluk verwekken. Ook hier komt niets van terecht – kritiek op Verlichtingspremissen is bon ton. Bijvoorbeeld in het werk van Grunberg, waaraan Lelystad me vooral deed denken wegens de stijl. Het zinloze detail van Reve is het badinerende detail geworden. Maar mogelijk vinden lezers het treffend om, na de spruitjesgeur van de jaren vijftig, een decennium getypeerd te zien met vegetarisme, en attributen als taaie aubergines of tofoe. Vanuit een ander perspectief keken sommigen verder dan de Hollandse pot en waren misschien zelfs hun tijd vooruit inzake een immens eenentwintigste-eeuws probleem: vleesconsumptie.
Het zal vanwege die optimale herkenningskarakteristiek zijn dat de auteur ‘in een stellingkast (…) de strijdbare lectuur van Hannes Meinkema en Anja Meulenbelt’ opmerkt, terwijl hij elders omstandig het begrip ‘groene weduwe’ uitlegt – een Meinkematitel. De denigrerende kwalificatie ‘lectuur’ zal ik niet proberen door te denken.
Van aanhalingstekens wemelt het overigens in Lelystad, alsof er geen misverstand over mag bestaan dat de auteur niets met die rariteiten van doen heeft. Die smetvrees maakt de literair bedoelde taal paradoxalerwijs eenvormig, waar de sobere, journalistiek geknede grammatica de tekst een dreun meegeeft. Soms leidt dit tot onnavolgbare associaties: ‘De Centrumpartij kwam in de gemeenteraad, een vader sloeg zijn baby dood.’
Van Casteren wil zijn informatiesurplus niet te zeer uitbuiten in de non-fictiehoofdstukken; de meer literair aandoende passages dringen voor. Tegelijk verantwoordt hij zijn hybride tekst als waar gebeurd. Misschien ben ik te gefixeerd op zijn methode, maar de moeilijkheid lijkt dan dat het afsluitende deel van Lelystad, een evaluerende terugblik met de personages, in een reportagevorm gegoten is. De auteur voelt zich genoodzaakt hen te herintroduceren via de details. Dus herinnert hij de lezers bijvoorbeeld zelf aan iemand van wie was verteld dat zijn baan bestond uit het leggen van takjes peterselie op huzarenslaatjes. Wie dat de eerste keer al niet grunbergiaans vond, haakt alsnog af. Ook ligt het te zeer voor de hand dat de verhalen uit het heden onflorissant zijn; de enige belangwekkende vraag, of dat exclusief aan Lelystad en de tijdgeest ligt, stelt Van Casteren niet omdat het antwoord kennelijk bij voorbaat ja luidt.
Komt die blikvernauwing voort uit een wens ervaringsgevoeligheid luchtig te etaleren? ‘Elke dag keek ik televisie, iedereen in Lelystad keek elke dag televisie.’ Behalve dat de scheidslijn tussen stijl en truc hier vaag is, doet de zin geen recht aan luttele inwoners die iets anders deden én aan nogal talrijke niet-Lelystadse Nederlanders die hetzelfde deden. Nu ik dat beweer, trek ik het boek uit het literaire domein – wat Van Casterens intentie lijkt.
Hij stelt dat in Lelystad ‘de dingen eenvoudig waren wat ze waren’. Die indruk verbindt hij met de these dat in principe ‘geen metafoor’ te vinden was in zijn plaats van handeling, ‘geen verbeelding’, ‘geen symboliek’: curieus, omdat Lelystad juist wordt gereduceerd tot clichés die een ideologische kritiek (op illusies, maakbaarheid et cet) demonstreren.
De poëticale passage valt onder een door de hoofdfiguur beleefde verlossing door gedichten. Positief benadrukt in Lelystad is bijvoorbeeld de poëzie van Kees Ouwens. Geciteerd worden diens mooie regels: ‘denk nu aan het licht dat de zeearmen het land in werpen verder dan / zij erin binnendringen’. Ze komen uit Afdankingen uit 1995. Maar bij kennisname ervan heeft Van Casterens hoofdfiguur nog even voor hij ‘in de herfst van 1994’ in Utrecht journalistiek gaat studeren.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen