maandag 25 mei 2015

Cockless sex

Eerst eventjes alles in volgorde. Presentatrice Sylvana Simons had iets gezegd bij DWDD. Daar schreef televisierecensent Jean-Pierre Geelen een stuk over. En tegen dat stuk is socioloog Merijn Oudenampsen van leer getrokken.
Geelen had pacificerende opmerkingen van Simons ‘voorbeeldig’ genoemd en dat vond Oudenampsen behalve paternalistisch ook racistisch. Schrander en gedecideerd liet hij zien dat de televisierecensent onbehagen aan lagere klassen had uitbesteed. ‘De zaken staan er zo voor in Nederland dat degene die racisme ondervindt, rekening moet houden met de gevoeligheden van degene die racistische taal gebruikt.’ Zo bleef de blanke middenklasse schuldenvrij en fatsoenlijk.
Altijd weer de middenklasse! Boksbal en knuffeldier, de ene keer alomtegenwoordig, de andere keer op haar laatste benen lopend.
Het gaat mij er nu niet om te vragen wie er in opinieland eigenlijk niet bij die blanke middenklasse hoort en waarom deze zich telkens het recht toe-eigent het op te nemen voor mensen die daar niet om vragen, maar dat het trekken van de racismekaart hier de bijna vanzelfsprekende seksisme-optie buiten beschouwing laat.
Er is al – in een opinie – vastgesteld dat racismebeschouwing een niche begint te worden, maar die observatie van Nadia Fadil ging over minderheden als subject.
Waarschijnlijk verbaast me dat achterwege laten van een evidentere diagnose (voor wie de behoefte heeft met grote woorden te zwieren), omdat in mijn huidige studieperiode van de jaren zeventig het verwijt van seksisme frequent gedaan werd. Het was natuurlijk ook het decennium waarin ‘het feminisme’ tot wasdom kwam. Elke tijd zijn eigen fascinaties en stuipen?


Ik vrees dat het mijn manier van proberen is, om begrip te laten doordringen met een blik op de overzijde. Eindelijk kwam Renate Rubinsteins artikelenpamflet Hedendaags feminisme van de plank. Het ventte slim populisme uit dat zichzelf steeds probeert te legitimeren. En dat feminisme in de rug aanvalt, met een woord dat zich ogenschijnlijk op enige afstand ophoudt.
In papieren van de toenmalige PSP had Rubinstein zich gestoten aan het woord ‘solidariteitsbeginsel’, waarna ze uitroept: ‘Hemel, de jaren vijftig, Romme, de paus, wat krijgen we nu?’ Een vervolgstuk geeft die toch wat instinctieve reactie een schier overrationele steun, als Rubinstein solidariteit poogt te deconstrueren. In eerste instantie in de toepassingen:

‘Zionisme, feminisme, blackisme – er zit een element in van wrekende rechtvaardigheid dat ook mij bevalt. Wat mij hindert is de rationalisatie die zich bedient van dezelfde soort redenering (alleen de strekking is omgekeerd) die vroeger tegen de underdog gebruikt werd. In zijn ergste vorm gaat deze redenering nog verder dan het aanwijzen van wie eigenlijk aan wie superieur is. Hiërarchische ongelijkheid sluit immers nog steeds de mogelijkheid van communicatie niet uit.’

Al argumenterend belandt ze bij ‘de Black-Power-ideologie’ die uitwisseling met blanken principieel uitsluit: ‘Emoties en redeneringen zijn incommunicabel omdat de ervaringswereld van de beide rassen zo wezenlijk verschillen dat de kloof onoverbrugbaar is. De omgang tussen de mensen en met de literatuur leert ons dat dit onjuist is.’ Dat ons zalft, al zou het ook bijtend ironisch kunnen wezen..
Rubinstein verdraagt wel een universalistische ideologie uit emancipatoir oogpunt. Maar bij feminisme proeft ze een collectivistische ideologie die in laatste instantie de menselijkheid van de rest van de wereld ontkent. Black power en zionisme vindt ze daarvan een variant, omdat respectievelijk blanken en niet-joden de unieke eigen aard domweg niet zouden kunnen begrijpen. Dit vraagt uiteraard om strijd, niet om overleg. En: ‘Alles jankt om solidariteit’.
Hier neemt volgens Rubinstein een niet-bestaande essentie de overhand: ‘Solidariteit is een begrip dat zich voordoet als liefde maar dat in werkelijkheid gebaseerd is op een opgeblazen eigenbelang.’ Ik vis dat citaat niet uit een blog, maar uit een publicatie van maart 1979.
Naar mijn indruk werd met deze deconstructie het hele feminisme van toen voor Rubinstein bijzaak. Het doet haar niks om oerfeministe Hanneke van Buuren er verschrikkelijk van langs te geven. Waarschijnlijk nog minder als producent van ‘discriminerend braaksel’, dan zonder commentaar haar te citeren als vertaalster van de dichtregel ‘On Saturday I gave myself to cockless sex’ tot ‘Afgelopen zaterdag gaf ik mij over aan niet-hanige sex’.
Het is een raar besef dat pas in de tweede helft van de jaren zeventig het wapenwoord seksisme opdook (net als assertief en trendvolger). Ik vraag me af wat het uitrichtte met fenomenen uit dezelfde tijd, toen Johnny “Guitar” Watson opkwam met de elpee Ain't That A Bitch, waarop nummers als ‘I Want To Ta-Ta You Baby’. Redelijkerwijs zijn daar geen kwalificaties voor; ‘seksistisch’ is maar een klappertjespistool.
Mij had dat toen kunnen treffen, bevroed ik vandaag. Voor de puber-in-opleiding die ik was, belichaamde Lio van ‘Amoureux solitaires’ het archetype van de vrouw: donker haar, bleek en kwijnend. Dat laatste was het belangrijkste. Haar existentiële verdriet zou kunnen worden opgelost door mij. Ik waande me al een ridder (c.q. een blanke opiniemaker avant la lettre), dus het kwam als geroepen dat ze zong ‘La vie est si triste’.
Even archetypisch oogde presentatrice Dieuwertje Blok. Of zij de Sylvana Simons van haar tijd was weet ik niet, wel dat het mij logisch leek dat aan haar een liedje gewijd werd. Het was evengoed artistieke stalking te noemen of, met een term van Mettes, identifixatie. Ook Isabelle Adjani had trekken van mijn oervrouw. Het curieuze is wellicht dat ze mij algemeen geldig leek, terwijl ik tegelijk moet hebben gemeend een strikt persoonlijke smaak te hebben ontwikkeld.
Het complexere individualisme van Renate Rubinstein zal verder hebben gestrekt dan afkeer van feminisme, dat voor haar een onbegrijpelijk mandaat verstrekte om namens een groep allerlei theses te doen die veralgemenisering niet kunnen afschudden. De onmiskenbare scherpte daarvan, die al in ‘seksistisch’ zit, zou Rubinstein wel eens minder hebben kunnen steken, gewend als ze was zelf bliksemoordelen uit te vaardigen.
Het ging er haar om, te allen tijde exclusief voor zichzelf te kunnen spreken. Is dat een manier om aan paternalisme te ontsnappen? Mogelijk. En aan racisme? Nooit.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen