vrijdag 11 juli 2014

Riedeltje


Wow. ‘Van de drie idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederschap – benadrukken Amerikanen steeds weer het eerste en Europeanen steeds weer het tweede, maar alleen het derde verwijst naar opname in de samenleving, vertrouwen en gemeenschapszin.’ Het citaat zwerft reeds een tijd door mijn gestel, terwijl de brontekst alweer verzonken lijkt. In tegenstelling tot mijn leesaantekeningen.
Frans de Waal begint Een tijd voor empathie met de vaststelling dat wij er nooit zouden zijn geweest wanneer onze voorouders altijd onderling hadden gestreden. Natuurlijke selectie door de eeuwen heen ziet hij plaatsgrijpen op basis van empathie, gelijk oplopend met ouderzorg. Moeders die de nood van hun baby’s negeren, droegen geen genen over. En dieren die er niet om bekendstaan veel rekening te houden met hun soortgenoten, zoals bavianen dat zouden zijn, leven in ‘een aanhoudende angstdroom’. Daartegenover komt De Waal op de proppen met de gelukkigste mensen ter wereld, naar verluidt de Denen, die een ongekend vertrouwen in elkaar hebben. Hun fortuin noemt hij sociaal kapitaal.
Met het idee van bittere concurrentie zijn volgens De Waal vooral economen en politici aan het projecteren geslagen. Hij noemt de verhoogde sterfkans bij partners wier echtgenoot net overleden is. Dat risico duurt een halfjaar en is groter voor mannen dan voor vrouwen – mannen hebben bovendien de genetisch bepaalde eigenschap schadenfreude te beleven bij zichtbare tegenslag van vijanden, die vrouwen nog altijd noopt tot medeleven.
Er blijkt een spreekwoord te bestaan: ‘Als je een “altruïst” krabt, zie je een “hypocriet” bloeden.’ Maar toevallig is het inmiddels niet eenvoudig een huid te penetreren; gekleurde inkten zullen ook een coating zijn, tegen kwetsing en bijgeloof.
Past het reveleren van zo’n citaat bij uitstek op deze plek? Ongewild laat De Waal zien dat de Vlaamse burgermeester die foto’s en aantijgingen jegens ongehoorzame burgers op zijn blog publiceerde, in een traditie werkt die bij Enron grote hoogten bereikte. Dat bedrijf huldigde Milton Friedmans adagium ‘Weinig tendensen kunnen de grondslagen van onze vrije samenleving zo diepgaand ondermijnen als de acceptatie door managers van een sociale verantwoordelijkheid die is gericht op iets anders dan het verdienen van zo veel mogelijk geld voor hui aandeelhouders.’ Er was een beoordelingscommissie die jaarlijks het personeel ijkte op een schaal van 1 tot 5, waarna de slechtsten, zo’n 20 procent, op de website met portret werd vereeuwigd voor ze de laan uit gingen.
Ook binnen de Lage Landen is der burgemeesters handelwijze onbijzonder. Ongeveer dezelfde tijd kwam er boven de grote rivieren soortgelijke reuring toen er veel gelikete digitale verzamelplaatsen werden opgericht als Marokkaanse hoeren, waarop het faciliterende medium zei uit te gaan van een zelfregulerend vermogen bij de gebruikers. ‘Wij bepalen niet wat controversieel is. We zijn jong, zitten in een permanent leerproces. We weten niet onmiddellijk hoe om te gaan met nieuwe fenomenen.’
Een verademing vind ik dat De Waals perceptie van Amerika niet eenduidig negatief is. Hij ziet een reusachtige, nagenoeg ongeletterde onderklasse en erkent dat zwakkeren daar wel meteen erg zwak want amper ondersteund door de dagen moeten, maar ook dat er voor een grote en oprechte motivatie van eender wie beloning volgt. De Waal wijst er fijntjes op dat Europeanen niet alleen standsbewuster zijn, maar zelfs negatieve aanduidingen hebben bedacht voor mensen die opklimmen: nouveau riche, parvenu.
Wellicht slaat hij vervolgens door: ‘De staat is geen speen waaruit je elk moment wat melk kunt knijpen.’ Communistische experimenten, voor zover ze iets opleverden, zouden hebben aangetoond dat er grenzen zijn aan solidariteit: we denken eerst aan onszelf, dan aan de samenleving. Dus toch egoïsme? Nee, De Waal hanteert het perspectief van ‘zelfbeschermend altruïsme’, en vermoedt dat het onderscheid tussen zelfzuchtig en onzelfzuchtig nogal permeabel is.
Mij dunkt dat het bij menselijke activiteiten tenminste de blik van de ander is die meespeelt. Het taalkundig genie danst elke ochtend bijna over de stoep op weg naar de bakker waar ze, ‘net als de groten,’ brood gaat kopen. En de gourmande klimt op een stoel met een ukelele waarvan ze de stemknoppen bevingert en spreekt dan één woord perfect uit: ‘podium’.
Niet alles hoeft meritocratisch te zijn. De Waal wijst er wel op dat Amerikaanse politici in het openbaar opvallend vaak baby’s in de hoogte steken. En hij eindigt het boek toch zo: ‘Je kunt niet verwachten dat er een hoge mate van vertrouwen heerst in een samenleving met enorme inkomensverschillen, enorme onzekerheden en een van haar rechten beroofde onderklasse.’
De aap in ons, een ander De Waal-boek, las ik zeer onlangs. Zo kwam er wel een bepaald riedeltje van deze auteur naar boven. Dacht ik. Cynisch of scherpzinnig of gewoon hooghartig want hypocriet?
Het spreekwoord van het krabben stond er, zonder aanhalingstekens, ook in, en andermaal had ik het genoteerd – alsof het de eerste keer was. Wel situeert De Waal het in de jaren zeventig, het decennium van Dawkins’ The Selfish Gene dat volgens hem toen selectief gelezen werd. Voorbereidend, lijkt me, omgekeerd chronologisch dus, op een wereldbeeld uit wat De Waal de ‘laagjestheorie’ noemt en waarvoor bovengenoemd medium voorbeelden en bewijzen aanlevert: dat een dun laagje beschaving niet helemaal verhult dat wij net als dieren zijn, zonder remmingen, in staat tot wreedheid en moord op de eigen soort. Omdat we minder gewend zijn aan dat junglegevoel dan roofdieren, zou ons temperament zelfs struiser omgaan met het beheersen van extreme omstandigheden.
Maar dat is eigenlijk een verhaal, dat een aparte uitwerking verdient. Los ook van de idealen uit de Franse Revolutie. Dat bloggen, ik vind het maar zwaar. Iets wat ook al zijn onschuld heeft verloren? Soms is het misschien toch wel handig enige chronologie aan te houden. In Taal zonder mij uit 1998 kan Hemmerechts nog ongecompliceerd vertellen dat Herman De Coninck met veel folkloristische pret aan kinderen leert hoe te bidden voor iemand die hij zomers in Oostduinkerke in een tegenoverliggend appartement ziet, ‘bisschop Roger’.
Moge in elk geval broederschap de tand des tijds doorstaan.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen