vrijdag 17 januari 2014

Mars in zicht


Regisseur Luis Buñuel (1900-1983) zag film doordringen tot de publieke sfeer. In zijn memoires Mijn laatste snik vertelt hij behalve de livepianist bij vertoningen de explicador te hebben meegemaakt. Een seculiere pastoor? Naast het scherm staand verhelderde en voorspelde hij de handeling. Het rondebordje van de juf van de boksmatch is vervangen door cijfers van de jury, die worden gelegitimeerd.
Buñuel verklaart de explicador uit de nieuwheid van het medium, om tegemoet te komen aan ervaring en vakkennis die nog moesten inslijpen. Onbewust, stelt hij, leerden we intussen filmtaal spreken. Inderdaad is een peuter nu al gewend aan montage, simultane handelingen en flashbacks. Hoe fabuleus schakelt de navolgende integrale tekst in Barbapapa op Mars: ‘De reis verloopt goed. Mars is in zicht’.
Heeft dit stripverhaal de beruchte auctoriale verteller uitgebeend? Vooral in de negentiende eeuw, toen de industrialisering dusdanige sensaties verwekte dat een hoogrendementsketel niet de eerste besogne was, draaide deze meneer overuren. Hendrik Conscience zette hem in om bij personages te laten doorschemeren wat de lieve lezer van hen vinden moest. Of nou ja, doorschemeren – leunen met het volle gewicht op types die niet anders dan les autres kunnen zijn:

‘platte hoofden, waerin geene ruimte is tot het bevatten van een verheven gedacht; zware styve wenkbrauwen, die over de oogen zakken en aen den blik iets geven van den tyger als hy zijn prooi beloert; dunne lippen, het kenteeken van laffe arglist; bloed dat gloeit onder de ruwe huid des aengezigts en de onstuimigheid der dierlyke driften verraedt. Voeg daer by den grimlach des haets, den sluipstap der verrassing en het vlugtig rondzien der waekzaemheid, – en gy zult ene volmaakt denkbeeld hebben van zulke menschen.’


Het is klein bier om hier de spot mee te drijven, ook als zijnde achterhaald, maar de passage heeft zijn eigen irritante charme. Belichaamt het een era of is het commentaar erop? Interactie met een omgeving sluit eenrichtingsverkeer uit; men is tegelijk vader en kind van zijn tijd.
Mij lijkt de figuur van Herbie Hancock hier inzichtelijk. Hij mag boeddhist geworden zijn, in de loop van zijn leven speelde hij als pianist niet alleen met soms kakelverse beroemdheden, hij ging daarbij mee met een veelheid aan trends en genres – soms na popularisatie, soms daar de aanzet toe gevend. Bijhouden en kanttekenen. Volgens Hancock schreef hij aan het begin van zijn carrière zijn autobiografie met ‘Watermelon Man’, maar vanuit ongrijpbaarheid als anti-essentialistische essentie is hij in ‘Chameleon’ zijn persoonlijke explicador geweest, en evengoed in ‘Hang Up Your Hang Ups’ (op Man-Child, een destijds bekende titel van David Jonas en Doris Klein over infantilisering).
Dan maar geen commentaar? Louter singulariteiten? Gonzalo Millán heeft de wankele staat van verlossing bedicht, waarin oerangst kan zuigen nooit meer de weg te worden gewezen. Misschien noemde hij dat plaatje daarom Niemand:

De straten zijn stil
en verlaten. Alleen de schaduwen
van de bomen steken over.

Je hoort geen vogels, geen claxons,
zelfs niet de dreigende motor
van een altijd naderende auto.

De liften, de trappen
en de gangen in de gebouwen zijn leeg.

In een keuken een plas
om een ontdooiende
ijskast
de rekken zijn leeg
en de deur staat open.

Geconserveerd in het ijs
ligt alleen nog een doperwt
heel klein, rond en groen.

Natuurlijk komt dominante duiding achterhaald over. Ik ervoer dat gevoel bij de zesdelige BBC-serie Freud uit 1984. Ze lijkt eindeloos. Of de dialogen zich nu afspelen tegen het decor van een studeerkamer, een koffiehuis, een archeologische site of een bos, ze klinken als reacties bij monologen van de nooit in afwezigheid versagende titelheld, die de ene sigaar na de andere aansteekt. Uit eigen doos, want het in driedelig pak gestoken personage fungeert als explicador van de psychoanalyse. Getoonzet met aanzwellende strijkkwartetterij wekt de serie een negentiende-eeuwse indruk, maar dan is wat ik ‘eindeloos’ noemde gekleurd door updates.
Onvermijdelijk laten ze lege ruimtes. De heden scherpere montage, een equivalent van het zappen, heeft andere verlangens verwekt. Er is zelfs dat beweerd dat lengte als polemiek is ontstaan met onafgewerkte, quasi-suggestieve tafereeltjes. Megafilmprojecten als Heimat en La meglio gioventù zijn evengoed televisieseries – een economische behoefte bevredigend die in laatste instantie kennistheoretisch is? Zelf een nogal verwoed lezer ben ik op zeldzame wijze uit mijn sokken geblazen door het ampele, ‘op ware gebeurtenissen’ gebaseerde televisiedrama Unsere Mütter, unsere Väter.
Dat volgens het cliché door de geschiedenis heen achterhaaldheid steeds nieuw kan worden, bewijst de mediacratie nog het sterkst. Populair zijn mensen die soundbites kunnen verkopen, en dus binnen elk kader de explicador uithangen. Zonder hen hoeven talkshows niet eens te proberen te overleven.
De explicador geeft distinctie aan degenen die hem inhuren. Nu informatie naar hartenlust te knippen en te plakken valt moet, koste wat het kost, content worden gehaald uit de duiding ervan. Door mijn trouwe pispaal van de opinist? Deze gaat in elk geval anders te werk dan zinnetjes naast een artikel voorbij de 400-woorden-grens die samenvattend ogen maar citaat zijn door knippen en plakken in de tweede graad.
Thans, in wat eveneens het jaar wordt van de Olympische Zomer- en Winterspelen en Wereldkampioenschap Voetbal, over naar het modernste archetype van de explicador in wie de zijlijn is ingebakken, tijdens de rust van evenementen: de sportdeskundige. Verteller en personage Johan Cruijff heeft ook hierin innovaties doorgevoerd. Als enige op het ondermaanse stapelt hij als explicador woorden op en bemoeilijkt het begrip. Steeds de flirt met hermetisme, omdat zijn soundbites de schijn van werkelijkheidswaarde hebben: ‘Je moet appels nooit met peren vergelijken. Je kunt alleen zeggen: het is allebei fruit. En als ik zou willen dat je het begreep, legde ik het wel beter uit.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen