woensdag 20 juni 2012

Nou hoor je het eens van een ander


‘Afscheidsdiner’, het openingsgedicht van Ilja Leonard Pfeijffers debuut van de vierkante man uit 1998, heeft een merkwaardige status verworven. Als drager van ressentimenten jegens ‘hermetische’ poëzie die destijds gemeengoed waren, werd het enigszins beroemd. Tegelijk is wel vastgesteld dat Pfeijffers hekelende toespeling op het chrysantengedicht van de toen al gestorven Hans Faverey niet helemaal klopte en dat de onaantastbare Gerrit Kouwenaar het eigenlijke doelwit zou zijn.
De kritieken beperkten zich hoe dan ook tot de literaire biotoop, dus kon iedereen rustig blijven slapen. Tot het jongste zomernummer van EVA-Magazine, het blad voor Vlaamse vegetariërs. Het besprak zeer kort Pfeijffers recentste boek, om terug te kunnen keren naar diens eerste gedicht. In deze context worden bepaalde strofes ineens vreemd reëel:

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie


Aldus mag het logisch zijn dat de dichter een afkeur uitsprak voor ‘vegetarische stilleventjes’, in EVA-Magazine klinkt hierin niet de historische kritiek op vermeend hermetisme en/of academisme door uit de inleiding van de bloemlezing Maximaal uit 1988 (‘het figuurzagen van fletse stillevens, die geen enkele aantrekkingskracht bezitten’). Heden evoceert Pfeijffer onbedoeld een dagelijkse werkelijkheid, waarbij de recensent besluit dat de auteur laat zien niets ‘van eten te weten’.
Des te grappiger wordt het, voor mij althans, dat in hetzelfde nummer de Londense hoogleraar voedselbeleid Tim Lang beweert dat vleeseters in met name Nederland, Engeland en Amerika de planeet in gevaar brengen. Ze bedrijven hogere carnivoristiek. Om hun consumptiedrift te bevredigen, moeten dieren ‘eten als prinsen’, en graan, soja en land opsouperen dat de wereldbevolking van pas zou komen. Nu lijden bijna 1 miljard mensen honger en zijn 1,3 miljard lui zwaarlijvig. Laat vooral aanrukken, dat rondborstig banket, voedingsmultinationals horen de kassa al rinkelen!
Tim Lang steekt overigens de hand in eigen boezem. Terwijl sinds de eerste kredietcrisis van 2008 de voedselprijzen alleen maar stijgen, zouden maatregelen voor beter voedsel hem niet deren, omdat hij zich als goedbetaalde prof niet druk hoeft te maken over hoeveel iets kost. Juist mensen die het nu al moeilijk hebben en ongezond eten, zouden met doordacht beleid gestraft kunnen worden. Want, beweert Lang, wat mensen eten heeft weinig te maken met een vrije keuze. Het wordt bepaald door sociale klasse en inkomen, en bespeeld door reclamecampagnes die hooguit laten selecteren uit gecoiffeerde rommel.
Een keuze kan ook negatief zijn. Wil een voedingssysteem bijdragen aan het behoud van de planeet, dan zou een minder eenzijdig menu helpen. Ik weet niet of Lang bekend is met het oeuvre van Ria Valk, maar in de jaren zeventig, toen de Club van Rome uit het industrieel beleid in De grenzen aan de groei apocalyptisch aandoende consequenties voor het klimaat had geschetst, gaf zij reeds enige suggesties:

Ik heb worstjes op mijn borstjes
Preitjes op mijn dijtjes
Karbonade en salades op mijn bil
Ja, worstjes op mijn borstjes
Bietjes op mijn knietjes
En op mijn hoofd een haantje uit de grill


Wel speelde Valk de chef om de liefde van de man via zijn maag te winnen, een serviele manoeuvre die zeker in die tijd niet onproblematisch was – de wellicht belangrijkste feministe heette Kool. En heden begint de overtuiging post te vatten dat de achterliggende politiek-economische ideologie van de groei, Operatie Obesitas in termen van Willem Schinkel, geen zoden aan de dijk zet.
Dat vergt een grote aanpassing in denken en doen, omdat we van jongs af aan met allerlei geplogenheden van groei raken doordrenkt. Zo zei het taalkundig genie in een speeltuin onlangs tegen een door testosteron aangevallen jongetje dat ze vijf jaar is, waarop hij beweerde: ‘Ik ben al meer dan een jaar zes.’ Maar omdat in de evolutie de fittest overleven zal, dringt de noodzakelijke aanpassing aan een postgroeipraxis vroeg of laat heus door. Nog minder of helemaal geen vlees meer eten getuigt dan pas waarlijk van verantwoordelijkheidsgevoel en visie. Het zou het veelgebruikte begrip ‘duurzaamheid’ ook een buitentekstuele betekenis geven.
Is Ilja Leonard Pfeijffers gedicht nu ineens een aanfluiting omdat het een puberaal pleidooi is voor een grotere ecologische voetafdruk? Natuurlijk niet, en het zal toeval zijn dat ‘hermetici’ zich veeleer willen wegschrijven. Pfeijffer verkoos slechts een metafoor en zijn onderwerp was literatuur. Daarmee diende hij een oertype van de gedichtenlezer: de jager op poëticale diepvriesmaaltijden.
Dat die reductie, en de laaglandse commotie eromheen, ten slotte iets onnozels heeft, bewijst een derde, Wikipedia-achtig stukje in het betreffende EVA-Magazine. Het gaat over Rainer Maria Rilke. Dit twintigste-eeuwse icoon van poëzie die Pfeijffer zal aanspreken, werd vegetariër en beschouwde dat als een levenswijze – waarvan de kosten lager lagen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen