zaterdag 31 december 2011

F.C.

Een megasupermaxfeitje in de Nederlandse literatuur afgelopen jaar: Geerten Gossaerts Experimenten vierde zijn eeuwfeest. De bundel bleek een geval van overvoltooiing: de twintig gedichten van het origineel werden er ultima manus zestig. Ondertussen raakten Gossaerts diverse niet-literaire interesses gebald onder zijn burgerlijkestandsnaam F.C. Gerretson. Hij leidde een publiek leven, van hoogleraar over CHU-kamerlid tot Telegraaf-medewerker. In gemeenschapskunst, voor ‘het grauw’, zag hij niets.
Gossaerts dichterschap heeft volgens mij alleen nog prominente steun van Hafid Bouazza die geen hinder ondervindt van ‘bezielde retoriek’ en een ritme dat niet uit spitzen maar paardenhoeven opklinkt. Terwijl autochtonen bekennen mondjesmaat poëzie te proeven (‘soms een gedicht, boek wegleggen’), adviseert Bouazza slempen, zodat het gedicht zich kan nestelen in de bloedbaan. Dit past bij de stamina van Gossaerts volkomen gekunstelde lyriek.

Helena in Ægypte

... Toen stond hij stil
En zag rondom zich, luisterde en snoof...
Maar geen vervolging tierde achter ons.
Rondom ons sloot de eenzaamheid. Alleen
Een rauwe bergbeek, buldrend in ’t ravijn,
Bekende nors de sombre heerschappij
Der stilte, ontzachwekkend als de dood.
En toen, in vreemde heete razernij,
Smeet met een plotsen ruk hij ruglings mij
Neêr in de ruigte en, over mij gebukt,
Zag ’k éenen oogwenk ’t bloeddoorlopen oog
En rooden, siddrende vertrokken mond
Eer hij mij met zijn uitgespreide hand
’t Gelaat bedekte en mijn weêrstrevend hoofd
Naar achtren over drukte in ’t vaarnen bed
En met het bot geweld van breede knie
Den opstand en het onbewust verweer
Geprangder dijen en gekromder kniên,
Mijn teêre borsten morzlende, bedwong...
Toen, plotsling willoos, roerloos uitgestrekt
En stil het raadloos wentelen des romps,
Doorvoer mij van de zolen tot den scheel
Eén lange smartelijke siddering
En ’k proefde ’t speeksel, schuimende op mijn mond,
Wrang, als het sap van de ònrijpe vrucht
Des wìlden wijngaards.

Geenszins ab ovo, zoals volgens de mythe Helena zelf, toont de [niet op deze blog zichtbaar te krijgen] halve witregel in het begin dat zij getuigt tegenover onzichtbare derden (rechters, oppergoden?). Dit spreken wordt versterkt door het herhaalde ‘Toen’. Na de eerste keer zegt Helena pas ‘ik’, als een diepe zucht voor ze weer iets voor het voetlicht brengt. De adem van de verontwaardiging reguleert de parenthetische stijl.
‘Helena in Ægypte’ doet verslag van een verkrachting. Geschreven rond 1905 zou Gossaert zich er, mede getuige de vijfvoetige jambe, nog niet ontworsteld hebben aan de Tachtigers. Wel geldt hij in de literatuurgeschiedenis als hun antipode. Experimenten was een poëticaal eindstation – dat dit gedicht pas mocht meedoen in de derde druk van 1919, zou verhulling wezen.
Helena, de veelbezongen aanleiding van de Trojaanse oorlog omdat ze geschaakt was door de appel voor een euro inruilende überconsument Paris, sprak Gossaert kennelijk aan. In het Vlaamse tijdschrift De Boomgaard stond een ‘Fragment’ waarin zij vanuit hetzelfde Egypte aan het verlangen is naar huis. Ook figureert Helena in ‘Euphorion’, dat haar een protestantse pers geeft:

Niet ijdel is het oudherkomstig woord
‘Dat meest ontvalt dien het meest bezit’
En beter is het niet tè schoon te zijn
En niet tè machtig en vooral – vooral
Niet tè gelukkig; want geluk is nauw
Der goden deel, doch menschen voegt het niet.

Dit lange gedicht had een sonnettendebuut moeten openen maar landde in de trechter van Experimenten. Daaraan ontsnapte Gossaerts bedoelde afsluiter, zijn vroegste (XXe Eeuw) publicatie ‘Palonidie’, officieel een gedicht dat uitlatingen herroept. Deze voert Helena vol lof op: ‘Ik dank u – meerder dan ik ooit kon prachen/ Hebt gij geschónken – wereld-liefde en -lust’. Gossaert-poëzie is toneelmatig, met veel apostrofs ook. Ze lijken breekijzers om buiten de fictie te raken. ‘Palonidie’ noemt dwaas degene die ‘zijn zinnen het meest op ’t spel der menschen zet’.
De godin draait mee in ongewenste omstandigheden. Ageert of gedoogt ze? Ambivalent in ‘Helena in Ægypte’ oogt de focalisatie. Het gedicht was ook te vroeg voor Gossaerts gestaltepoëzie met personages als scherm waarachter blootgeven doenlijk is. Maar toch, indien je de begin- en slotregel voor het metrum elkaar last, sluit de vijfvoetige jambe niet helemaal.
Vanuit de losse pols zullen er antidemocratische ideeën in te bespeuren zijn, die de maker hebben gepromoveerd tot meester in the gentle art of making enemies. Dan doemt echter Gerretson, met zijn Groot-Nederlandse opvattingen. In de jaren zestig kregen ze een steuntje van de Boerenpartij, die haar electoraat vond in steden. De opvattingen zouden nu populair moeten zijn, hoewel Dubravka Ugrešić vermoedelijk een punt heeft dat fervente verdedigers van eigen geschiedenis en cultuur niet veel afweten van hun stokpaard. Ze hebben de wereld ook niet bereisd, zegt ze, maar bekritiseren vanuit de draaicirkel van één plek alles daarbuiten. (Gossaert ontvluchtte het ouderlijk huis naar Mexico en als assistent van Colijn bestreek hij de hele aardbol.)
Het bekritiseren heeft wel een traditie geschapen. Stilaan is het kerstbetoog van de koningin onaf zonder een nijdige tweet van Wilders. Om dat te begrijpen helpt het essay ‘De koppige openbaarheid der opinie’ van Dirk Lauwaert, gebundeld in zijn boek Onrust. Hij vertrekt vanuit de historische kant van de mening die het geboorterecht van het vrije individu tekent. Men kon er zichzelf in plaats van een opgelegde waarheid mee verantwoorden, en voorarbeid verrichten voor een daad die suggesties gaf. Nu is de opinie, vooraf aan een dialoog, een fait acccompli. Ze serveert eigendunk en bedreigt de publieke sfeer die informatie vermarkt.
Ontspruit de kritiek op het niet-eigene nog uit ‘de arbeidersklasse’ of uit ‘de hardwerkende middenklasse’? Voor de overtuiging genegeerd te worden bestaat sowieso een gelijkluidende uitweg: opzouten! Toevallig ontdekte ik een verzamelelpee uit 1970, getiteld ’t Oproer kraait. Daarop zingt Jenny Arean, met koor, ‘Zo gaat-ie goed!’. Het lied huldigt volk dat niet meer met zich laat sollen na ‘de verlossing van de regentenknoet’. Wederom voer voor het cliché dat linkse thema’s zijn verschoven: regenten heten heden intellectuelen, multiculturalisten et cet. De oorspronkelijke titel van het lied was ‘Ça ira!’, uit 1789, toen de Bastille bestormd werd. Multiculturalisme op z’n Hollands is volgens Bouazza een lachertje omdat het cultuur zou begrenzen tot gastronomische en sartoriale gebruiken, ‘de karikatuur van interesse’, ‘de chimaera van de tolerantie’. Er is volgens hem geen spreekwoordelijke melting pot, waarbij de som groter is dan de delen.
Maar Gossaerts poëzie onttrekt zich aan elk geheel.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen