vrijdag 29 oktober 2010

Bestaande ficties (6)

Ooit schreef Bart Meuleman: ‘geen bevindingen, mijzelf daarvan te midden’. Die regel is op mijn huid geraakt. De Gemeinschaft van Wilders’ stemmers op wie hij zich beroept als hij weer hele groepen tergt? Viel er een dag eens niet te vernemen dat hij zijn vrije meningsuiting bedreigd weet! Ze is te kwestieus om er egocentrisch mee te schermen, laat staan dat politici immuniteit mag verleend nopens ‘het maatschappelijk debat’. Hans Achterhuis gaf een memorabel voorbeeld op basis waarvan die meningsuiting beter niet zo onbeperkt wordt als Wilders het wil: het beroep dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken erop deed toen het gevraagd werd uitzendingen te hinderen van het tot het vermoorden van Tutsi’s oproepende Hutu-radiostation Mille Colines.
Het voorbeeld staat in Met alle geweld, de imposante studie waarmee Achterhuis solidariteit en moralisme herijkt. Met relativering van de intentionaliteit door verwijzing naar een notoire vlinder trekt hij van leer tegen denkers als Foucault en Sartre, die overal uitingen van ‘macht’ ontwaarden. Gestaag veranderen zij in stereotypen: star en zonder zelfkennis en met monocausale blik op de ander, idealisten die overtuigd zijn van hun gelijk en onberispelijkheid en die immer tekens van ‘het systeem’ duiden. Maar deze opvatting heeft Achterhuis ooit gedeeld, zoals hij er nu afstand van neemt: tweemaal in een intellectuele meerderheid. Zou dat ‘het systeem’ niet onderstrepen?! Activeert elke poging tot trouw louter de lachspieren?
Achterhuis blijkt zich te schamen voor zijn idealisme van weleer dat hij realiteitsverblind acht. Wel zegt hij dat de boeken waarin hij die vervoering uit de doeken deed allerwege positief werden besproken en veel verkocht. Daarnaast acht hij het een heldendaad ‘op een centraal punt van je denken te erkennen dat je je vergist hebt’ – achterlangs komt bij dat voortschrijdend inzicht superioriteit binnen die hij Fou & co aanwreef.
Ben ik dan buitenmatig integer? En zou ik wel kunnen ontsnappen aan de gemene delers van mijn era? Neu. Het is een best amusant en angstaanjagend idee zelf menen te denken terwijl die gedachten zo sterk lijken op die van je tijdgenoten dat ze geïmpregneerd blijken. Daarom vind ik het des te pijnlijker dat bij veel meningen over toekomstig cultuurbeleid Arnold Schönberg als een modernistische, cerebrale karikatuur fungeert die niet overeenkomt met mijn beleving als amateur (= Latijn voor liefhebber of linkse hobbyist?). Maar op subsidiejacht schijnt iedereen te ‘ontregelen’ en met wat clichés over ‘de politici’ wordt alles dan erg inzichtelijk.
Kennelijk weegt de ander loodzwaar. Nederland telt zo’n 6% moslims, maar door pertinente meningen over hen lijkt dat percentage oneindig veel groter, met de groeten aan ‘de politiek’. Wordt aan de staat van ‘de moslim’ eigen geluk afgemeten? Toen onze driejarige dochter met twee staartjes in op het schoolplein haar hartsvriendin trof, barstte die in tranen uit omdat ze ook twee staartjes wilde. Haar moeder had een elastiekje bij zich waarmee ze alvast één staartje kon maken – waarna ons dametje begon te pruilen dat ze één staartje wilde.
Buiten deze mimetische spiralen is ze altijd te lijmen met snoep en beduidend minder met beloftes (dan nog eerder met dreigementen), wat de korte termijn belangrijk maakt. Dit rijmt met een algemene ontwikkeling die onder invloed van de technologie de laatste twintig jaar beslag heeft gekregen – en die louter extremer zal uitpakken: snellere bevrediging van een wens. Toen Encarta bestond grepen scholieren niet meer naar papieren encyclopedieën. Voeg daarbij de massa’s antwoorden die Google terstond biedt op vragen, de gsm waar afspraken tot op het laatst mee kunnen gewijzigd, de aandrang om via Facebook en Twitter een wereld te berichten van de recentste wederwaardigheden, en de lange termijn bestaat amper.
Anderzijds heeft Coolen over Dorp aan de rivier vijf weken gedaan.
Staan we op een keerpunt? Rondom ons zijn er al diverse tradities. Ook op overeenkomsten met historische personen is gewezen en ik wil daar tot slot eens op voortbouwen, omdat de kwestie bekend lijkt: lullen of poetsen. Wat geldt nog als geloofwaardig?
Academicus Ter Braak was geen kei in sport. Door zijn veeleer mentale verplaatsingen was hij een goeie voor de Gesellschaft. Daartegenover beloofde A. den Doolaard, een reiziger tot in het pseudoniem, Ter Braaks kompaan Du Perron vanwege diens Uren met Dirk Coster ‘een gratis pak slaag’ in een artikel dat niet alleen actueel oogt, maar de Gemeinschaft ook compliceert. Den Doolaard construeert namelijk een onderscheid tussen de studeerkamergeleerde Du Perron (net als hij een autodidact) en zichzelf, die even terug was in Nederland. De onbehouwenheid stamt dus van een globetrotter, ook veel meer een publieke figuur. Hij gaat niet in op de gewraakte tekst, die hij belachelijk vindt – en de maker spoort voor hem domweg niet.
Even leerzaam is de reactie van de betrokkene, in zijn briefwisseling met Ter Braak die zich ook over de kwestie uitspreekt. Maar eigenlijk willen de heren erover zwijgen. Du Perron als het haantje, Ter Braak rationaliserend. Er lijkt door de werkelijkheid een bres geslagen in hun briljante cordon; de toch al aanmatigende toon over mensen buiten hun dorp verlokt ons heden tot de aansporing: get a life!
De highbrow bleek niet anders te kunnen dan bij elkaar billijkheid te accentueren, en zich aan te sluiten bij het geminachte dat dezelfde cultuur van ontkenning omhelst. Het martelaarschap revisited. In meer opzichten was Ter Braak criticus op eenzame hoogte, maar natuurlijk niet belangenvrij. Dat laatste is nooit veranderd, dat eerste helaas wel en bovenal zijn de draagwijdtes verschoven naar het betreffende medium. Dus wat rest er?
In Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates schreef Connie Palmen: ‘Het eigene wordt nooit het eigene als het een geheim is en verborgen blijft. Het eigene moet vals worden, publiek worden, het moet herhaald, besproken, bepraat, doorverteld, misverstaan, herkend en erkend worden, om betekenis te kunnen krijgen en zich waar te maken. Alleen door het meest eigenlijke ook aan de anderen over te laten, kan er zoiets als het eigenlijke bestaan en kan een eigennaam betekenis verwerven.’

woensdag 20 oktober 2010

Bestaande ficties (5)

In Theater van de angst citeert Beatrice de Graaf furiositeiten tegen het radicaliserende hippiedom in Amerika destijds, en het achterafoordeel ‘verongelijkt’ strijdt met ‘aandoenlijk’. Menig protesterende blanke jongere had speelruimte vanwege ouders die de portemonnee wel trokken voor de borgtocht. Zulke verwende studentjes, langharig en promiscue, moesten de wereld onderrichten?!
De Graaf toont dat de metafoor van ‘het hellend vlak’ voor de homegrown onrust altijd nabij was – en dat Nixon ervan profiteerde door zijn paranoïde veiligheidstrucs te legitimeren met de zogenaamde toevloed van internationaal netwerkend ‘communisme’. Bracht dit beleid aan enkele infiltranten tenminste het geluk met ‘liberale’ meisjes seks te hebben (en konden dito uitverkorenen voor de Brigate Rosse met de verdachten meestuderen en diploma’s halen), de ontdekking van onwettigheden bracht regeringen in dermate grote verlegenheid dat, met de grotere openheid en controle die dit tot gevolg had, is beweerd dat hun veiligheidsdiensten bij 9/11 mede daardoor zo faalden.
Lollig was ondertussen dat de tegencultuur een klein aantal mensen behelsde wier opvattingen in verdunde vorm werden geabsorbeerd. Dat schijnt een ongeschreven wet uit de marketing: nieuwe merken en gerechten worden lang door studenten getest om zich over de gegoede burgerij te verspreiden, waarna doorsijpeling naar allen.
Wat zie je en wat wil je zien? De Graaf vertelt dat in de jaren zeventig van de treinkapingen zes Indonesische zeelui op een station na aanwijzingen van medereizigers werden gearresteerd. Ze golden als potentiële Zuid-Molukse kapers (wier politieke motieven weinig serieus werden genomen en die dus wel criminelen moesten zijn). En omdat zij nog uit de kroonkoloniën kwamen, lijkt het een ministap naar het fameuze failliet van de multiculturele samenleving.
Echt? Op dezelfde tijd biedt Wim de Vries een leerzame blik:

Droom
Ik droom nog altijd van
een dorp temidden van de
velden.
Met pittoreske huisjes
en een kerkje op het plein.
Waar mensen nog met sterke
longen wonen en waar het hart
tot op het laatste bloed verslijt.
Een dorp waar nog van iedere dode
afscheid wordt genomen.
Waar men zich op de komst van
ieder kind verblijdt.
Waar ligt zo’n dorp, waar
kan ik zoiets vinden.
Zeg mij waarheen hoe ver ik
ook moet gaan.
Het is er niet, zo’n dorp
heeft nooit bestaan.

Voor mij komt dit gedicht, van een man die in de betreffende bundel zijn ‘lidmaatschap van de PvdA’ bekrachtigt, tegemoet aan een intuïtie die ik wegens te jong nooit hard kon maken: dat fatsoensbetogen van Balkenende en Wilders, onder referte naar weleer, geen bestaande wereld evoceren. Dat klinkt naïef, maar het lijkt me goed dat eventjes expliciet te constateren. Temeer daar een ‘vreemdelingenprobleem’ niet van binnenuit gevoeld bleek.
Het probleem lijkt geschapen door hen die het wilden vermijden. De vaak relevante reacties op de afbraak van kunstsubsidies suggereren dat nu ook, als men bij de nieuwe regering en haar achterban wraak detecteert. Die moet toch een oorsprong hebben: linkse arrogantie, tot op de dag van vandaag en inmiddels ook in rechtzaal, altijd druk de ander terug te stigmatiseren door vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog of een ‘bruin’ kabinet (als het niet zo treurig was, kon eraan worden herinnerd dat Provo na de bom bij het huwelijk van Beatrix dezelfde verwijten kreeg, van De Telegraaf).
Revelerend is een reportage van Bas van Putten in het Eetnummer van De Gids over lowbrow te Las Vegas: ‘grootburgerlijke analyse van smakeloosheid is zo onbeschaafd hautain dat ik niet weet wat erger is, het vergrijp of het oordeel’. Vervolgens belicht hij mensen die voor Flaubert en Henry James niets kopen: ‘Ze leven in een wereld waar wij (…) weinig tot niets van weten, en die ons meer zou moeten interesseren dan debatten met verveelde soortgenoten in De Balie, waar schrijvers niets te doen en niets te zeggen hebben, waar ze als jongeling voor Werther spelen en op een kwade middagbare dag als krantencommentator neerzijgen, omgeven door een stankwalm van gevorderde nuance.’
Zoiets op de knieën te dwingen moet haast euforisch stemmen. De besparingsmaatregelen, geenszins exclusief laaglands, hoeven, conform de wraakpassage uit Dorp aan de rivier, niet eens ingevoerd. De vermeende vijand ligt al plat, juist door zijn morele superioriteit die dan wel oprecht is, maar bovenal kosmopolitisch hypermetroop. Hij vergeet dat elke kunstenaar een politieke gemeenschap dient die hij door zijn werk sticht en waar dus ook antigemeenschappen rijzen. Kijk, ik vind het vreselijk dat kwantiteit als parameter is gaan gelden en kwaliteit niet eens meer zou bestaan. Maar niet te ontkennen valt dat aan die opportunistische dwaling wat voorafgegaan is, dat aan de andere strategie appelleert: negeren.
Precies door die euforie zal het moeite kosten om het huidige kabinet niet bij voorbaat af te serveren. Aan de ene kant is de regie, inclusief voorrechten, uit handen gegeven. Natuurlijk zal Wilders na zijn steken naar de koningin bij de formatie niet meer consequent zijn, door erop te wijzen dat twee ministers informateur zijn geweest en de hem faciliterende CDA-voorzitter staatssecretaris werd, laat staan meejoelen dat de uitverkorenen juist behoren tot het establishment – hoeveel van die lui zouden er, net als ik, niet hun dienstplicht hebben vervuld? Aan de andere kant verbergt Wilders zijn rancunes allerminst. Toen een ingelast journaal, keurig in de rust van Ajax-AC Milan, deze regering aankondigde, vond hij het meest ‘historisch’ aan het akkoord dat ‘de heer Cohen’ en ‘mevrouw Halsema’ niet aan de macht kwamen.
Ik moet zeggen dat met name dit moment, ingeluid door de aanblik van enige met micro-oortjes uitgeruste kleerkasten, mij emotioneerde (angst inboezemde). Dat Verhagen op de avond van de inauguratie, toen hij eindelijk als superminister mocht spreken, een grijns van oor tot oor niet meer kon bedwingen, zeker nadat werd gezegd dat het kabinet beëdigd was vlak voor de vakantie van zijn kinderen, ergerde mij veeleer (als slecht verliezer, die ook een bepaald beeld van het CDA bevestigd ziet).
Mijn emoties ontgaan mij. Het wetskluwen rond van wat steeds identiteitsverruimender én -vernauwender Europa heet, belet toch ingrijpende regelingen?

maandag 11 oktober 2010

Bestaande ficties (4)

Ter Braak zou, als hij de oorlog had overleefd, aanhanger van D’66 geworden zijn, stelde Aad Nuis ooit. Misschien in Nuis’ tijd een evidentie, maar erg geloofwaardig lijkt het scenario niet meer. Een recente lezing van de tegenwoordige D’66-leider waarin deze elke polarisatie afwijst zou Ter Braak, die nochtans van programmatisch ‘schipperen’ hield, teleurgesteld hebben. Had het schematisme waarmee soepel oorzaken en oplossingen worden aangebracht en tegelijk betekenisloos gebabbelde begrippen het richtsnoer moeten zijn, veeleer zijn spotlust opgewekt? Ik ducht kwalificaties als ‘diepgaand’ of ‘oppervlakkig’; de ontplooide visie is even dik of dun als de pragmatiek vergt.
Constateringen als deze zijn vaker gedaan. Een standaardremedie is vervolgens dat er in de postideologie een nieuw Groot Verhaal moet komen, meer in het bijzonder van ‘links’, dat kan begeesteren. Iets zegt me dat Ter Braak daar evenmin om zou juichen, maar eigenlijk is het gevaarlijk (en makkelijk) in het hypothetische te blijven. Temeer daar bij deze oproep steevast gezegd wordt dat Geert Wilders, gedoogpartner van het nakende kabinet, als enige wel nog kan aanspreken – maar zijn dystopie wordt door de meerderheid vooralsnog niet gesmaakt.
Doordat er aanzienlijke massa’s tegenover elkaar lijken te staan, treedt er een schoolvoorbeeld van framing op. Waar het traditionele Grote Verhaal, van liberalisme tot socialisme, op lange termijn uitging van gemeenschappelijkheid, moet zij volgens de update wegens acuut gevaar worden opgeschoond. Tot welke onverzoenlijkheden deze frames leiden, bleek uit het feit dat Wilders was voorgedragen voor de Sacharovprijs van het Europees Parlement, voor mensen die opkomen voor de vrijheid van meningsuiting. Hij zou zijn leven wagen om namens de PVV het Westen te vrijwaren van de ‘islamitische ideologie’. Vanuit het andere frame schoffeert hij die.
Elke tijd zijn kruis? Onder de naam kussa werd de courgette begin jaren zestig in Nederland gelanceerd, met reclames en recepten – tevergeefs. In de multiculturele samenleving is dat toch beter gegaan. Daarna heeft de postideologie ook haar onvruchtbare zijden getoond. Juist het idee na 1989 principienreiterij overwonnen te hebben, werkt zulke niet zozeer polemische als wel zelfontkennende taal in de hand. En dat Wilders ook pragmaticus is, bleek bij het begin van de formatie toen hij meteen zijn cruciale punt van de handhaving pensioenleeftijd inleverde. Bij het vele dat de postideologie mogelijk maakt veegt ze het nodige onder het tapijt. De Partij voor de Vrijheid impliceert Mijn Vrijheid; de fel bevochten meningsuiting, gelegitimeerd door het onheil van de ander, is de mijne. Wilders’ spel werkt louter vanuit zijn eigen regels.
Aldus is vrijheid al enige tijd de taart die de tegenstander in het gezicht gesmeten wordt. Wat opvalt is dat steeds meer autoriteiten zich gedwongen voelen mee te doen of weg te duiken, zodat de collateral damage groeit. Bijna onmogelijk valt hieraan te ontkomen. Bij elke beschrijving schemeren de standpunten door en de jij-bak ligt altijd dichterbij dan het besef van het effect. Zo zou Wilders in zijn Berlijnse rede de islam met het nationaalsocialisme vergeleken hebben. Maar hij trok een waarschuwende parallel met de Weimarrepubliek. Tevens citeerde hij Mark Alexanders opsomming van kenmerken van het nationaalsocialisme en communisme die ook voor de islam moesten opgaan. Men kan dan zwijgen, en zo respect tonen voor de vrije meningsuiting. Deze wordt uit een kennis over tegenfeiten echter misbruikt. Ook kan men roepen dat sommige van Wilders’ catchphrases gelden voor zijn eigen partij en dat zijn toepassing van democratie meer lijkt op die van zijn aartsvijanden.
Samenwerking tussen de twee frames slaagt louter door invertebralisering van ten minste één ruggengraat. Tot die tijd blijft het eeuwig soebatten (dit woord had het Arabisch van de islam lang vóór Neerlands kolonialisme in het Maleis geplant en van daaruit kwam er een scheut tot aan Den Haag).
Meer dan historische parallellen maken deze elkaar uitsluitende invullingen van abstracta de huiver voor het aanstaande kabinet begrijpelijk. En doordat ondertussen uitgerekend de premier een soort extremistische tolerantie belijdt en bijvoorbeeld voor CDA-dissident Koppejan de meerderheid in zijn partij moet tellen, groeien de opties voor dier gedoogpartner Wilders wiens partij bewust slechts één lid heeft: hijzelf!. (Misschien valt die absurditeit te verhelderen door een tragische actualiteit: de uiterste terughoudendheid die na de zelfmoord van een acteur aan de pers werd verzocht door zijn neef, die dagelijks op de televisie de roddelkoning van Nederland uithangt.)
Dat ‘de islam’ soms voordeel zou kunnen gaan trekken en dat Staphorster agendapunten binnen bereik raken steunt de geproclameerde eenheid-in-verscheidenheid. Maar ze geldt niet voor Wilders, zodat het speculeren blijft over de gevolgen. Het is precies het gebrek aan verantwoordelijkheid voor de praktijk, dus het onderuit schoffelen van pluralisme, dat door de gedoogvariant wordt bevorderd. En hoe groter de risico’s die de drie betrokken partijen daarbij nemen, hoe meer populariteit ze in de polls verweven – ook het CDA na het bizarre congres.
Want wat wil ‘het volk’ eigenlijk? Hoe kunnen de ideeën van Wilders, die dag en nacht wordt omringd door bewakers en toch op de hoogte zegt te zijn van wat er onder het volk leeft, enig raakpunt met de wereld hebben? Wat betekent het dat hij telkens de martelaarsrol op zich neemt namens zoveel kiezers die zouden zijn genegeerd? Hebben zij nog iets anders gezegd dan NEE?
Volgens Newsweek wijkt wat in de Lage Landen gebeurt niet af van een algemene trend in Europa: ‘The politics of Gemeinschaft (community) is replacing the politics of Gesellschaft (society).’ Indien dat waar is, blijkt Coolens Dorp aan de rivier nog relevanter dan gedacht. Juist de dokter, die voor een kosmopolitische – en door de meerderheid gewaardeerde – injectie in het rurale leven heeft gezorgd, besluit immers te vertrekken. En niemand weet waar hij gebleven is, behalve misschien één. ‘Cis den Dove praat er niet over.’

maandag 4 oktober 2010

Bestaande ficties (3)

Schreef H.H. ter Balkt: ‘De verpletterde wil verpletteren, / de verslondene verslindt en wie door / angst is ingepakt als een brug door Christo / is een vluchteling onder alle daken.’ Houdt de diepe kloof die in het CDA is geslagen verband met het meermaals geproclameerde nieuwe type politicus? Principes zijn vervangen door concrete doelen, terwijl de eerste boeiender zijn voor media. De niet-aflatende verklaringen van gretig aanschuivende CDA-partijveteranen zullen bij de ondersecretaris van de afdeling Duiven voor schouderophalen hebben gezorgd. Hij laat zijn stem op het congres wel gelden.
Het zou me niet verbazen dat er naast de fameuze kloof tussen burger en politiek er ook eentje tussen partijideologen en kader is. Schier non-stop geleuter leidt immers onherroepelijk tot standpunten en zoals er binnen partijen rapporten en aanpalende papieren bestaan, zijn er daarbuiten meningen in alle soorten en maten. Hoewel ik het fenomeen een beetje bestudeer, ben ik de tel kwijt hoe vaak er recent verklaringen zijn uitgegaan over ‘het drama van links’, hun vooronderstellingen, de misstanden die ‘ze’ bij anderen aanwijzen en ze zelf evengoed zouden hebben aangericht, terwijl ‘rechts’ soortgelijk…: de jij-bakken vliegen in de rondte, en overtuigen enkelingen die reeds overtuigd waren en laten velen de blik afwenden.
Wie of wat zij ook mogen zijn die hovaardig ‘de linkse elite’ worden genoemd, ik krijg er zo onderhand medelijden mee. Dat had ik reeds met ‘de PVV-stemmer’: hoe lang wordt deze al niet geconstrueerd en vervolgens aangevallen of verdedigd, en opgetuigd met nobele of gore motieven? Het schijnt dat antipathie voor die opinie-industrie een rechtse reflex is à la Dirty Harry, maar ik weet het werkelijk niet. Al dat antisinguliere dat voor het wendbare, te pas en te onpas ingezette zware geschut – conform de nieuwe politiek – van die causaliteitsreeksen nodig is.
En dan voel ik me nota bene nog met geen van de twee categorieën verwant, noch met het duo dat niet zegt weg te willen lopen voor de regeringsverantwoordelijkheid. Wat Verhagen te horen heeft gekregen! Het is één ding dat commentaar van buitenstaanders alle vooroordelen over ‘de katholieken’ bevestigde die hij sowieso in hoogsteigen persoon weet los te maken, maar hetgeen oudere christelijke partijgenoten tegen hem te berde brachten suggereerde dat hij een minderwaardig mens is. In hun morele gedecideerdheid hadden die critici zelf bij mijn weten voordien niet echt uitgeblonken. Een van hen weigerde ook op het congres zijn spreekrecht van één minuut omdat hij dan slechts kreten kon slaken. ‘En ik zou me in een lange rij achter een microfoon moeten opstellen zoals vroeger bij de distributiekantoren of bij de groenteboer. Dat verdom ik.’ Thans maakt hij naam met de verdediging van de Palestijnse zaak.
Ook Mark Rutte kreeg vanuit de eigen, liberale gelederen opvallend paternalistisch ‘advies’. En nadat er eindelijk wat letters bekend raakten van het akkoord, klonken zelfs verwijzingen naar de Tweede Wereldoorlog. De beschaving zou op het spel staan en barbaren rammelden aan de poort! Binnen het CDA doemde dezelfde parallel.
Nou ja, het is natuurlijk ook maar een mening dat ik hier ibbel van word. Aan de andere kant poneerden insiders dat de VVD en het CDA een faux pas van de gedoogpartner incalculeren, waarna het kabinet sneeft en deze partijen hun handen schoon hebben – want anders dan het hooghartige links in elk geval geprobeerd, voor het landsbelang, een coöperatie op te zetten. Dat zou pas echt cynisch zijn.
Als ik het goed begreep hadden de betrokkenen geen moeite met het akkoord, maar met de gedoogpartner. Dat duidt op asymmetrie en uitsluiting, die nou net hém aangewreven worden. Op die tegenstrijdigheid wees ook de minister van Sociale Zaken en hij verklaarde zich op het CDA-congres vóór samenwerking. Net van hem was dit principe onaannemelijk, vanwege de druk hij voordien had uitgeoefend op de twee, stigmatiserend ‘dissidenten’ genoemde collega’s om hun grondwettelijk recht op een eigen visie te verlaten ten faveure van de partijeenheid.
Maar betreft het hier wel principes? En laten prominenten die eerst op narcistisch-chanterende wijze dreigen en dan daadwerkelijk demonstratief hun partij inwisselen voor een andere niet zien dat zij wel ethisch onfeilbaar zijn? Ik moet denken aan wat Roggeman in Practicum over Adorno beweerde: ‘zeker getekend door de oogkleppen van het higbrowmilieu waarin hij zich in de States had te bewegen, ontkent de filosoof zijn subversieve denkactiviteiten tegen een maatschappij die hem vreemd is en waaraan hij vooral vreemd wil blijven.’ In het verlengde stelt Roggeman: ‘Ik stel mij de vraag hoeveel proletariërs door Freud ooit werden behandeld. De meest extreme vraag is: in hoeverre behandelt de Freudiaanse psychoanalyse niet alleen geesteszieken die in de burgerlijke era werden gegenereerd? Een analoge afhankelijkheid van de burgerlijke maatschappij vertoont de problematiek die door het Institut für Sozialforschung werd ontwikkeld. Hoe ambivalent de verhouding tot het burgerdom ook mocht zijn, zonder dat burgerdom is Adorno bijvoorbeeld ondenkbaar.’
Ik kan me tevens voorstellen dat naast de gedoogpartner vooral Rutte en Verhagen door alle kritiek juist meer verbeten zijn geworden en hun gedoogkabinet een vorm van wraak is. Het is instructief om daar een passage uit Dorp aan de rivier bij te pakken, waar H.J.A. Hofland meer dan eens op heeft gewezen. Er is een boer die kwaad heeft gesproken over mevrouw Van Taeke. Steeds als de dokter daarna langs de betreffende boerderij komt, maakt hij halt en richt hij zijn geweer op de boer, zonder te schieten, telkens weer. En de boer wordt knetter!
Misschien is het daarom dat me gaande de dagen het gevoel bekroop dat de regeringsvorming klein bier is, bedacht door heel slimme en strategisch uitgekookte mensen, maar vanachter bureaus. Aangrijpender nieuws begon ik de onzekerheid over het lot van Tanja Nijmeijer te vinden. Het dunkt me veel te makkelijk haar af te serveren omdat ze doet denken aan andere tijden die momenteel uit de mode zijn. Je kunt het met haar opvattingen, voor zover door derden uitgekristalliseerd, eens zijn of niet, ze heeft gekozen voor de daad die de speelruimte voor woorden minimaliseert (constateer ik achter mijn toetsenbord).
Niet dat ik me de huiver niet kan voorstellen voor het aanstaande kabinet, laat staan dat ik het in de inmiddels wereldberoemde gedoogpartner kan vinden. Maar da’s een ander verhaal.