woensdag 27 januari 2010

Hélène

Voor de oplossing van menig vraagstuk acht ik me steeds vaker te jong. Vreemd, want als ik me niet vergis word ik dagelijks ouder. Of dat ook dom is, moet worden afgewacht – de top van het intellectueel vermogen schijnt iets voor de vijftig te liggen.
Die leeftijd dunkt mij instapgeloofwaardig bij functies met immense verantwoordelijkheden. In het bedrijfsleven, maar zeker bij degenen die dat moeten representeren en repareren: politici. Hoop ik dan op wijsheid, drift tot verandering of geduld? Indien de laatste faculteit overheerst, komt er uithoudingsvermogen aan te pas en dan rendeert enige jonkheid.
Zo zouden van het kabinet-Den Uyl de broekies de eindeloze vergaderingen het best hebben verteerd. De premier had ministers als Pronk, Lubbers, Duisenberg, Van Kemenade, Boersma en Van Agt die, amper 40, niet snel omvielen. Bij de laatste was dit tegelijk een probleem, dat toesloeg op een moment dat zelfs de premier geen lust meer had in een debat.
Of het nu de fysiek is die wint, de invloedrijkste regering uit de afgelopen eeuw was bij het aantreden amper de luiers ontgroeid: Bormann 33, Goebbels 36, Göring 40, Hess 39, Himmler 33, Speer 28. Met zijn 43 was Hitler waarlijk een nestor. Deze cijfers haal ik bij Armando, die er verder op wees dat afgaand op de leeftijd het vak van generaal erg gezond blijkt.
Hoe anders ligt dat bij popidolen. Jimi Hendrix heeft niet eens de 30 gehaald, op welk kroonjaar Lennon & McCartney al zo’n beetje het hele Beatlesrepertoire gecomponeerd hadden. Pensioen kan in die branche maar beter snel komen.
Behalve voor Doe Maar. Elders heb ik uitgeweid over de even fascinerende als bizarre constellatie waarin die groep in de hoogtijdagen opereerde: de fans hadden hun kinderen kunnen zijn. Gelukkig raakte het babyboomergezelschap tekstueel de eigen sores aan, anders waren ze trendwatcher geworden, het treurigste beroep denkbaar.
Een intrigerend nummer is dan ‘Belle Hélène’ uit 1982. Levenslustig bezingt het de escapade van een oudere ik-figuur met de titelheldin. De crux ligt in de brug: ‘Je bent dezelfde maar toch anders / Zo heb ik jou nog nooit gezien / Je bent ineens geen kind meer / Maar zo mooi en minstens zeventien.’
Het onderliggende skaritme maakt het liedje zelfs onbezorgd. Ik zie dat als goedmoedige spot (waar Doe Maar patent op had) met de moraal van hun jeugd. De titel verwijst naar een Offenbach-operette, een genre waarvan de Wiener variant in het nummer ‘Doris Day’ ook de lachlust opwekt en aan ouders kleeft. Voor hen zal een avontuurtje met een tiener niet comme il faut zijn geweest. Maar het kwestieuze onderwerp wordt zo slechts sterker gerelativeerd.
Vanuit hedendaags standpunt is dat kras. België kaart na over een zedenzaak, waarvan het land een explosieve geschiedenis kent. De wet laveert; het is sowieso de charme en de afgrondelijkheid van het land dat er, ondersteund door een ambtenarenapparaat dat decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, toewijzingen, aanstellingen en ordonnanties spuwt, te raadplegen in het jaarlijks meer dan 50.000 bladzijden tellende Staatsblad, een helder doorzicht principieel onmogelijk is. Maar toch niet zodanig dat een dader zich ‘een tweederangs-Jood, een tweederangs-Dreyfus’ kan wanen?
Amerika spreekt van statutory rape, een godsdienst heeft terzake een twijfelachtige reputatie, en bovenal zijn er over de hele wereld zulke kwesties geweest. Complexe materie, waar bijna grimmig materiaal voor en tegen wordt vergaard: welke leeftijd mag, wat is toestemmen, autonomie, enz. Hoe ongemakkelijk ver de standpunten uiteenlopen, toonde de zaak-Polanski, en dan moet bij enkele opvattingen nog ijdelheid worden verdisconteerd.
Je hoeft niet eeuwen terug naar de pretieners van gearrangeerde huwelijken in hogere standen voor het besef dat met de praktijk de visies veranderd zijn of andersom. Zo gelden ‘de jaren zestig’ als omslag (en projectiescherm van alles wat vies en voos is: lollig hoe bij de herdenking van ‘mei ’68’ het nagestreefde egalitarisme van toen nu uniform hoon kon ontvangen). Dan ontstaat er context voor Doe Maar. Ook valt een Cohn-Bendit op te voeren, die in 1975 zijn aanpak in een Frankfurtse antiautoritaire crèche memoreerde, waarvoor hij vijfentwintig jaar later op zijn noten kreeg.
Wat een platitude te constateren dat de wereld is veranderd, net als de Belle Hélènes en hun grondslagen. Ik snap het niet, elke getuigenis is te recupereren. Kan het interessanter worden zich met alle ondubbelzinnige meningen te verplaatsen in het gelaakte?
Van ‘Belle Hélène’ is in 2000 een uitvoering gemaakt door Daryll-Ann, die trager is en bovenal melancholiek. Het perspectief lijkt verschoven naar twijfels bij de ik-figuur. Zo komt het accent op tweede couplet: ‘Ik weet niet of het goed of slecht is / Dat ik met je vrijen wou / En wat een ander ook mag zeggen / Ik vond het fijn bij jou’. Goh, daarop rijmt trouw.

Naschriftje
Uit de documentaire Dit is alles blijkt dat ‘Belle Hélène’ kandidaat voor een single is geweest, maar afgewezen werd door Vrienten en Hendriks. De reden was dat het nummer te weinig luchtig zou zijn, Jansz’ zoveelste ‘liefdesbrief aan één meisje in plaats van zeshonderd’. Getuige glunderende beelden van comebackconcerten uit 2013 is dat aantal alsnog gehaald – bij goed geconserveerde dames van respectabele leeftijd die de mijne zou kunnen zijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen