maandag 2 juli 2012

Vijf pils voor de houthakkers

Joseph Brodsky beweerde ooit: ‘De samenleving is een organische eenheid, ze schept haar eigen organisatievormen zoals bomen hun afstand tot elkaar scheppen, en een voorbijganger noemt dat een “woud”. De idee macht, ofwel staatsbeheersing van het sociale weefsel, is een contradictio in terminis en komt alleen op bij een houthakker.’ Saillant natuurlijk voor iemand die onder een communistisch bewind is opgegroeid en die allicht wat te behappen kreeg van de Kritische Theorie.
De uitspraak ademt een type opluchting dat heden nog te voelen valt. Men weet zich voorbij het stadium dat alles nog politiek was, of ideologisch – en in een soort selffulfilling prophecy doorgevlooid door humorloze geleerden op symptomen van die macht, uiteraard versluierd. Maar valt aan dat pandemonium van systemen en aanklachten daartegen wel te ontkomen? Ik weet het niet. Men wenst in ieder geval geen slachtofferschap meer, roept eindelijk een volle verantwoordelijkheid uit voor elkeens levenspad en acht zich aldus veeleer praktisch. Toch is de overtuiging niet-politiek te zijn ideologisch. Dat lijkt een beginnersles van de notoire houthakker Antonio Gramsci, in wiens werk ik voor het eerst van mijn leven zit te lezen. Hij stelt dat iedereen een filosoof is, en iedereen een intellectueel en dat er hooguit van afhangt wat je daamee doet.
In Brodsky’s vormende jaren was er vanzelfsprekend propaganda en alles wat daar zoal aan vast hing, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij had kunnen bevroeden hoe bepalend media zijn geworden. Of dat nog valt onder de term macht weet ik ook al niet. Wel dat er misschien nu pas werkelijk een getal aan kleeft. Van het populisme bijvoorbeeld dat, om de beeldspraak te bewaren van Brodsky die van migratiestromen onkundig moet zijn gebleven, achter elke boom het establishment ziet.
Macht in boskwantiteit ontplooit zich op het internet, vaak vergeleken met een schandpaal. Hoe moet de geprivatiseerde variant beschouwd worden die Facebook heet? Dat dit sociaal netwerk een ongebreidelde macht bezit, bleek weer eens uit het verhaal over het gepeste meisje wier moeder het bijbehorende filmpje had gepost, zodat in een mum van tijd de pesters moesten worden beschermd tegen grosbedreiging. Eerlijk gezegd vrees ik in termen van macht een beetje voor alle betrokkenen, afroependerwijs, gelet op namen als Kayleigh en Kacey.
Een vertrouwde factor bij macht biedt de meidoorn die de ambtenarij is en waartegenover iedereen passant is. Aan de vervroegde verkiezingen in het vaderland wil ik meedoen, al was het omdat voor mij het argument niet opgaat van ‘de belastingbetaler’ (dat doe ik al jaren in België) zodat mijn eventuele stem, zonder dat ik reeds heb beslist waarop, redelijkerwijs wat minder belangenverstrengeld zou zijn. Een aanvraag om aan de verkiezingen mee te doen werd echter geweigerd, omdat mijn paspoort op eenduizendste dag verlopen bleek te zijn.
Toch eens naar het consulaat getogen, waar binnen beperkte openingsuren een nummertje valt te trekken voor de bevestiging van een bestaan. Plaats van handeling: een verdieping in een kantoorgebouw aan een rondweg. Ik was al er eens om dezelfde reden geweest, een lustrum geleden, ook met het taalkundig genie dat toen nog geen ‘I follow you tipsy baby’ zong maar lag te slapen in de kinderwagen terwijl ik hoopte dat ze geen kaka zou gaan doen. Nu hoefde ze slechts pipi, wat kon op de begane grond waar meerdere collega-ouders zich beklaagden over de verstopte wc.
Geen van allen verstond ik, en dat was het grootste verschil met weleer. Was er iets grondig veranderd of zat ik destijds nog te zeer in een prille vadertrots die het onmogelijk maakt ook maar iets te zien behalve roze? Grandioos toonde zich het multiculturalisme: er was bijna geen kaaskop te bekennen. Een kleurige bedoening, veeltalig tot en met een Chinese krant (een slimme tijd is op haar toekomst voorbereid). En ik wist snel zeker dat er ook Hollanders tussen zaten uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was (en humor om te lachen: ‘Zie je dat bos daar?’ ‘Nee, want er staan bomen voor’). Keurig uitgedoste enkelingen, ongetwijfeld niet in Brasschaat wonend, trachtten met praatjes aan het loket voor te kruipen. Hun aanblik gaf me meteen een tip voor de nog onwennige omgang met een leesbril: permanent aan een halskoord laten hangen en steeds opzetten wanneer je bijna gaat spreken en afzetten op het moment dat je een woord zegt.
Bottleneck zat toen in de foto, die onder een bepaalde hoek moet zijn genomen en waarop je niet mag lachen – bij niet-seculiere overtuigingen mag een hoofd bedekt zijn. Aandacht gaat heden vooral naar vingerafdrukken. Vergelijkbaar met de onvergetelijke uitspraak door een West-Vlaming op de radio van het woord hangar? Ik vond het allemaal fantastisch.
Het was bijna afkicken toen er nog wel degelijk voorbereidend ambtelijk handwerk bleek te bestaan. Hier in de stad kun je een aanvraag doen voor een speelstraat. Dan gaan er hekken omheen, zodat er geen auto’s rijden en kinderen voor de deur hun arcadia kunnen opbouwen. Dit is natuurlijk van een gierende ironie tegenover de globalisering van de kleinste eenheid. In wijkvergaderingen die ik althans heb meegemaakt, was er één topic: meer parkeerplaatsen. Was het nu Hippocrates of Hepie & Hepie die zei: ‘Democratie of dictatuur, standaardwerk of blog, het zal mij een Frankfurter Worst wezen, zolang ik maar kan kwijten’?
Ter beoordeling van de aanvraag mogen alle straatbewoners op een formulier aanduiden of ze voor of tegen zijn. Ik stond het in een trappenhuis allemaal uit te leggen aan een vriendelijk lachende allochtoon, zo te zien een Aziaat, die het een tamelijk geweldig plan vond. Tot zijn autochtone buurman aangestiefeld kwam en siste: ‘Nooit iets ondertekenen’. En de allochtoon vloog de trappen op.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen