woensdag 5 mei 2010

Coreferenties (6)

Vandaag: literatuur- en boekwetenschapper Kevin Absillis (1980). Eind 2009 verscheen bij Meulenhoff/Manteau Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970), de handelseditie van zijn proefschrift. Eerder schreef hij het boekje Een kleine uitgeverij van stand (Demian, 2005) en redigeerde hij met Katrien Jacobs de essaybundel Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging, 1950-1960 (Garant, 2007). Hij is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de Universiteit Antwerpen en werkt rond (doorgaans op Vlaamse contexten toegespitste) thema’s als het denken over taal/literatuur, culturele identiteit en moderniteit en de geschiedenis van het gedrukte woord. Op internet zijn van hem stukken te vinden als deze, deze, deze, deze en deze. En dit is in opbouw.


De relevantie en de spreidstand

Ooit stelden schrijvers het fenomeen subsidie ter discussie omdat ze het concept als zodanig ondeugdelijk vonden. Zo betoogde August Vermeylen in 1922: ‘De letterkundige, als persoonlijkheid, dient niet te worden aangemoedigd.’ Elke vorm van overheidssteun ontglansde de authenticiteit van het schrijverschap:

‘De scheppers zijn het zout der aarde, de trots, de onafhankelijkheid en, dikwijls, de opstand! Dat is de schoonheid van hun zending, en die moeten zij volledig aannemen. Zelfs moet men, meen ik, diegenen ontmoedigen die geen roeping hebben; en degenen die niet het voldoende heldhaftige temperament bezitten om aan de moeilijke toestanden te weerstaan.’

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het denken over schrijverschap op dit punt. De vooroorlogse economische crisis werd aanvaard als bewijs dat de meest drieste vormen van laissez-faire-kapitalisme niet vol te houden waren. Wie na 1945 nog de alleenheerschappij van vraag en aanbod verdedigde, had niet goed opgelet. Het ideaal was een staat die de markt laat floreren, maar zou ingrijpen als de algehele welvaart in gevaar komt. Welvaart had toen ook een immateriële component: een minimale voedselbedeling voor de geest werd noodzakelijk geacht om de beschaving op peil te houden. Nieuw aan dit cultuurbeleid was dat naast de (beoogde) verbruiker de producent duidelijker in beeld kwam. Hoe gehecht ook aan hun heldenstatus, schrijvers gingen geloven dat ze tegen het ‘schrikbewind’ van de vrije markt en de ‘bekrompen’ smaak van het publiek niet meer bestand waren, of alleszins niet zonder de hulp van een marktcorrigerende overheid. Deze ideeën ontwikkelden zich tot een doctrine.
De doctrine is nooit onweersproken gebleven, maar de laatste tijd lijkt de kritiek aan intensiteit te winnen. Wat mij in dit licht interesseert is een geschiedenis van de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’. De inburgering van deze staande uitdrukking is lang met wantrouwen gadegeslagen door verdedigers van intellectuele en artistieke autonomie. (Het begrip kon toch alleen een verdere infiltratie van het nutsdenken betekenen?) Het streven naar die autonomie, dat in Vlaanderen pas na 1945 enige onvoorwaardelijkheid kreeg, was trouwens – dan is dat ook eens gezegd – geen op zichzelf staande ontwikkeling. Het was een onderdeeltje van het sinds de Verlichting haast allesoverheersende program van de moderniteit, waarin bovenal ‘functionele differentiatie’ als nastrevenswaardig werd voorgesteld (de verkaveling van de maatschappij in aparte domeinen waar met echte of symbolische diploma’s uitgeruste specialisten de plak zwaaien).
Er bestaat dus een verband tussen de ideologie van de vrije (zo ongecorrigeerd mogelijke) markt en de ideologie van autonome kunst. Het komt onder meer tot uiting in denkpatronen (posthistoricistische bijvoorbeeld), argumentatieve strategieën en tot op zekere hoogte in poëticale opvattingen (o.a. de koestering van vernieuwing en subversiviteit). Toch blijft het vaak onbenoemd, omdat de vrije markt in het discours van culturele autonomisten, zeker sinds het einde van de verzuiling en de vermeende ontideologisering, als publieke vijand nummer één is bestempeld. Terwijl culturele autonomisten commerciële wetmatigheden als de motor van heteronomie bestreden, is de vrije markt in de ogen van haar advocaten echter eveneens een affirmatie van autonomie (wat van de staat afhangt is niet autonoom). Ieder zijn discursieve praktijk dus. Iemand als Pierre Bourdieu is daar vlotjes rondgedrenteld. Zeker in het postscriptum bij Les règles de l’art waarin hij de absolute onafhankelijkheid van kunst en literatuur zowat verheerlijkt, gaat hij ongebruikelijk weinig reflexief voorbij aan de beschavingsmythe waarop zijn betoog is geënt.
De discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ lijkt intussen buiten de oevers van mainstream media en ministeriële kabinetten getreden. Begrippen als relevantie, urgentie, engagement en betrokkenheid, niet verwisselbaar maar enigszins verwant, zijn ‘in’, ook in academische en in literaire literatuurkringen. Dit geeft aanleiding tot opmerkelijke spreidstandjes. Neem de vierde aflevering van het tijdschrift nY. Die was opgehangen aan de kwestie van het ‘opinisme’, een term die door mijn gastheer is gemunt. De redactie vroeg zich af waarom sommige auteurs tegenwoordig gretig ‘uit het literaire domein’ springen en via krant of weblog allerhande opinies openbaar maken. Schuilt daar een poëtica achter enzovoort?
In de inleiding onderstreepte de nY-redactie eerst dat ze zich ‘niet wenst op te sluiten in het strikt literaire’ en dat ze een literatuur verkiest ‘die zich niet vermeit ende verblijt in haar vanzelfsprekende waarde maar die zich afstelt op haar maatschappelijke context’. Het is toch nadenken geblazen over hoe deze uitgangspunten te rijmen zijn met de al gauw lichtjes kwalijke geur waarin de redactie de beoefenaars van het ‘opinisme’ zette. Want ‘opinisten’ zouden te weinig geloven in wat de literatuur met haar ‘specifieke vermogens’ vermag en het lezersvermogen om literatuur maatschappelijk te begrijpen ‘cynisch’ inschatten. Schat ik mijn eigen vermogen cynisch in als ik voorts lees dat de ‘opinisten’ stielbederf wordt aangewreven? Minstens gesuggereerd wordt alvast dat opinisten hun meningen ‘in kritische mindering [brengen] van hun ficties’ en door hun optreden niet-opiniërende auteurs een schijn van ‘autisme’ bezorgen.
Verwante denkbeelden en veronderstellingen broeien in de door mijn gastheer op deze stek voorgepubliceerde en in het vermelde nummer van nY verschenen reeks ‘Spreektijd’, die ik overigens buitengewoon lezenswaardig vind en die knappe ontledingen bevat, net als, mmm, opinies. Toch staat naar mijn zin het talig spel, de gezochte betekeniswoekering en de cultivering van het meerstemmige onvoldoende in verhouding tot het netto inzicht. Het lijkt me intellectueel (niet financieel) te comfortabel om vanuit een wolk van literatuur teksten die naar rechtlijnigheid en helderheid streven, te bekritiseren, of schichten af te vuren op Tom Naegels (hij werd hier opgevoerd als een te weinig linkse populist die in dagbladen zijn ‘meninggevoeg’ doet).
In de voorstelling van dat hele ‘opinisme’ zie ik toch weer een vorm van ‘autonomisme’ doorschemeren. Wat kan er immers worden bedoeld met die ‘specifieke vermogens van de literaire tekst’? Dat er vermogens bestaan die sommige teksten bezitten – de literaire – en niet-literaire teksten niet? Dat ruikt sterk naar, bijvoorbeeld, het Russisch formalisme. Het afwijkende, dat het literaire zou definiëren, heeft tot dusver niemand in de taal kunnen vinden, noch in narratologische en andere structuren – en jongens is er gezocht! Ik kan het literaire niet anders begrijpen dan als een sociale conventie. Ja ja, die deur staat al enige tijd wagenwijd te gapen, maar kennelijk zijn er gangetjes genoeg om ze te ontwijken.
Vanzelfsprekend vormt het bovenstaande, gebaseerd op een krankzinnig klein corpus en veel intuïtie, nog geen aanzet voor iets definitiefs. Maar een werkhypothese zou deze kunnen zijn: het literaire spreken over literatuur lijkt de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ meer te tolereren, maar als punt bij paal komt wordt altijd weer een ‘specifiek’, en wellicht ‘authentieker’ schrijven geprivilegieerd. Het literaire spreken warmt zich aan idealen van een zuiverende differentiatie.
De kloof met het academische spreken over literatuur oogt alvast verrassend klein. Ondanks een geproclameerde revanche van het engagement zetten op congressen zelfverklaarde saaie pieten de toon. En hun toon vormt een gebiedend wijsje: verwar uw Taak niet met uw hobby! Ook ‘authentieke wetenschap’ lijkt slechts te bestaan bij gratie van differentiatie. Het zal kortom wel even duren voordat niet-literaire literatuur niet alleen legitiem zal mogen heten, maar het ook zal mogen zijn.
Wat mij betreft? Het lijkt me raadzaam dat literaire en literair-wetenschappelijke spreekregimes ermee ophouden hun liefde te acteren voor de actief polyglotte wereld die Mikhail Bakthin een halve eeuw geleden in statu nascendi beschreef. Die liefde heeft behoefte aan geloofwaardigheid. Dat de literairen desnoods inspiratie putten uit het werk van Jeremy Rifkin. Deze econoom en bestsellerauteur (jakkes!) verkondigt overal dat we af moeten van het denkbeeld dat we rationeel, onthecht en autonoom zijn: ‘Die visie stamt uit de tijd van de verlichting. Ze werd 200 jaar lang gehanteerd en ligt aan de basis van de moderne markteconomie. De grote crisis is voor mij dan ook niet de financiële crisis, maar het feit dat wereldleiders twee eeuwen lang een verkeerde kijk op de mensheid hebben gehanteerd.’

In de eerste paragraaf parafraseer ik een en ander uit een tekst die ik vorig jaar in opdracht van Parmentier schreef. Mijn bedenkingen bij het ‘opinisme’-nummer van nY ontstonden toen ik eveneens in opdracht van Parmentier aan een tekst werkte voor een in juni te verschijnen dossier over de impact van verrechtsing op de Laaglandse letteren. Dank aan Arnoud van Adrichem voor de stimulans.