maandag 26 oktober 2009

Spreektijd (1)

Kort na elkaar zijn er in België, Duitsland en Engeland deksels van putten gelicht. Voor zover je daarbij een algemene teneur mag optekenen, ging het erom dat vraagtekens bij het gedrag van allochtonen in een multiculturele samenleving altijd met potlood in de kantlijn moesten staan. Anders zou men discrimineren en, zeg eens iets, sociale achterstand toejuichen.
De Engelse casus week in die zin af, dat de spreker van dienst een naam hoog te houden had aangaande rabiaatheden over de Ander tot en met ontkenning van de Holocaust. Zo werd de kwestie van zelfcensuur verbreed naar publieksverbreiding: mochten onfrisse geluiden uit de zogeheten onderbuik van de samenleving worden gefaciliteerd? Het is boeiend de motivatie van de betreffende verantwoordelijke te lezen. Volgens hem is het aan het parlement, niet aan de staatsomroep om uit te maken of ‘the public’s right to hear the full range of political perspectives’ moet worden gefnuikt. Tot die tijd vertegenwoordigt de partij van de gewraakte spreker domweg een deel van het electoraat.
Het deed me denken aan de mooie biografie over Joop den Uyl – die me alvast leerde dat ambtenaren sloop ‘amovering’ noemen. Als voorstander van participatie had de socialistische voorman uit de jaren zeventig een boontje voor zoveel mogelijk zeggenschap bij burgers in hun werk en leven. Is die voorkeur historisch goed te verklaren (begin jaren vijftig had in Nederland 85% alleen lagere school en 1% universiteit: dat mocht wel eens veranderen), Den Uyl betwistte er wel gangbare ideeën over de kiezer mee, die in den lande waren vertolkt door socioloog W.A. Bonger. Deze wilde de moderne democratie grondvesten op het vertrouwen bij het volk, dat louter verkozenen de expertise hebben om het land te besturen. De paradox van deze outsourcing is uiteraard dat het volk kennelijk wel voldoende goochem wordt geacht de kundigste politici te kiezen.
Aldus bespeurde ik deze parallel: mag je voor anderen beslissen wat goed, en vooral wat niet goed voor hen is? En daaruit: bestaan er voor hen stemmen die je moet uitsluiten en waarom? Het gaat dan vooral om extremen. Nu is de vrees dat ze strategisch gezien te besmettelijk zijn om ze zomaar te laten horen, terwijl in Den Uyls tijd het polarisatiemodel regeerde waarin ze principieel tot uiting mochten komen – of daar notie van werd genomen, is een vraag die heden wordt gesteld. Allicht was ‘de kloof tussen politiek en burger’ toen niet zo diep. Men wist waar de politicus voor stond, Den Uyl was sowieso voor absolute openheid, en men kon meevoelen met zijn zaak. Tegelijk werd de nadruk waarmee hij zijn punt maakte gepercipieerd als drammerig. Het lijkt niet toevallig dat destijds de sympathie toenam voor zijn antagonist Dries van Agt, die juist de kronkellijn, suggestie en relativering waardeerde.
Het besef dat Van Agt een katholieke achtergrond had en Den Uyl een gereformeerde geeft het beeld van het hedendaagse Nederland door Ian Buruma in Dood van een gezonde roker extra reliëf. Deze pikt dan wel in vanaf het moment dat Theo van Gogh is vermoord, zijn verklaringen gaan mede terug op de roemruchte jaren zeventig waarin de gepropageerde politieke openheid een persoonlijk equivalent kreeg in het fenomeen assertiviteit. Zo ontwaart Buruma de ‘eis van totale eerlijkheid, de gedachte dat tact een vorm van hypocrisie is en dat alles, ongeacht hoe gevoelig het is, in alle openheid en zonder enige beperking gezegd moeten kunnen worden, die verheffing van lompheid tot een soort moreel ideaal […] Misschien ligt de wortel in het protestantse piëtisme, een reactie op wat men destijds zag als katholieke schijnheiligheid. Biechten moest in het openbaar worden gedaan. Discretie betekende dat men de waarheid achterhield, tact was een teken van oneerlijkheid.’
Zo bezien deed met het internet een protestants medium zijn intrede! De extremen waarvan we liever verschoond blijven, worden daar gedropt (met niet-aflatende ijver of routineuze onverschilligheid?). Indien ik een politicus was die ‘voeling met de achterban’ wilde houden, dan zou ik dagelijks enige uren spenderen aan het besurfen van het web. Maar ik ben geen politicus. Evenmin een gelovige, al herken ik me een beetje in het protestantisme dat Buruma schetst en voor mij een cordon sanitaire, dat zich na 1989 ondanks plichtmatige verwijzingen naar de Holocaust met de beste bedoelingen manifesteerde opdat het volk niet geïnfecteerd werd met extremen jegens de Ander, even ‘katholiek’ als onbegrijpelijk maakt. Maar dan spreek ik als Nederlander, die al jaren in België woont – en zelf een allochtoon is.

maandag 12 oktober 2009

Een zon moet niet te dichtbij zijn

In de bundel Langzaam en zacht had Nachoem M. Wijnberg dit gedicht:

Als hij moe terugkomt na een dag
wacht thuis op hem de kapitein van het ruimteschip
in zijn gesloten ruimtepak.

Als hij moe op zijn bed gaat liggen
drukt de kapitein in zijn ruimtepak zich tegen hem aan.
Misschien voelde hij zich dood in de ruimte.

Behalve als het ruimteschip
door een wind van stof vloog en hij op zijn stoel
als op een stier zat en de seconden hardop telde.

Als de wekker hem ’s ochtends wekt
ligt de kapitein nog steeds wakker naast hem,
zijn ruimtepak de kleur van de ochtendhemel.

Wat is de kans dat er in de ruimte nog een keer leven is
dat op hem lijkt, zoals Tarzan
op Adam of Ajax?

Een zon moet niet te dichtbij zijn.
De kapitein in zijn ruimtepak ontbijt met hem.
Stom geluk.


Bij eerste lezing ‘gaat dit over’ escapisme. Het helpt bij benauwende omstandigheden en dito gevoelens, waar de fantasie een andere, bovenal veilige wereld tegenover stelt. Dit indien er tijd is voor verbeelden en geen acuut handelen vereist wordt. Is escapisme iets voor kinderen? Op ouderen die ermee kampen en bijvoorbeeld denken dat ze Tarzan zijn, zullen snel psychodramatische termen worden afgevuurd, terwijl het bij kinderen op een gezonde, uitgebalanceerde ontwikkeling zou wijzen. Zo wekt het gedicht bijna automatisch de veronderstelling dat de ‘hij’ een jochie is dat niet moe thuiskomt van zijn werk, maar van school. Voor ik het weet is het een ‘typisch Wijnbergpersonage’, dat geen aansluiting vindt wegens te snugger of te gevoelig. Eventueel valt er te veralgemeniseren dat elk kind schijnt te denken dat de mensen die zich zijn ouders noemen vervangers zijn van de echte, die heel misschien vermoedelijk wel zeker van een andere planeet komen. Kinderen kunnen überhaupt de indruk krijgen met werkelijk niemand contact te hebben wegens een verregaand anders-zijn – en daar helpt escapisme.
Maar zou deze diagnose ook niet radicaal kunnen worden omgedraaid? Dat het de rest van de melkweg is die vluchtgedrag vertoont? Bepaalde gelovigen schijnen de lof der inconsequentie te prediken en een van de onstelpbare clichés over ‘het postmodernisme’ behelst het niet-aflatende spel met diverse rollen, maar er bestaat iets veel simpelers en basalers: een sociaal masker, dat wordt gedragen om zich acceptabel te maken bij een meerderheid op een bepaalde plaats op een bepaald moment. Aardig zijn is daar maar het begin van; het kan zich uiten in een dictie (wegmoffelen van dialect of juist niet), aangepaste kleding (stropdas of juist niet) en tutti van zulke quanti meer. Het omslag van Langzaam en zacht toont nota bene een leeg colbert waar een met homo sapiens gevulde huid nog in moet. Evengoed is het sociale masker praktisch voor opvattingen. Meer dan welke eeuw ook heeft bij mijn weten de twintigste laten zien hoe atletisch mensen soms onbewust kunnen zwenken in hun overtuigingen, steeds volgens de grootste overlevingskans die ook wel onopvallendheid heet. De brutaalsten onder hen weten enkelen die hun eigen lijn trachten vast te houden te kwalificeren als ‘puberaal’ en ‘sektarisch’.
Deze interpretatie valt te overwegen op het moment dat in het gedicht het drievoudige ‘Als’ niet in de betekenis van ‘wanneer’ geldt maar van ‘indien’. Ze werd me ingegeven door een foto van Cruz Beckham, de derde zoon van de beroemde voetballer en de beroemde zangeres. Hij heeft zo’n ruimtepak aan, en het lijkt wel of zijn moeder zich voor hem schaamt, door zowel zijn blik als die van de dan plots als een autoriteit te aanvaarden fotograaf te ontwijken. In dat geval lijkt het haar probleem. Cruz wijst haar desgewenst de weg, en voor de rest heeft hij verantwoordelijkheden genoeg. Hij zorgt al voor brood op de plank bij journalisten in wie zijn voornaam reeds het vuur van de exploratie doet ontbranden en voor wie elke beweging die hij maakt en kreet die hij slaakt nieuws is. Get a life, lijkt hij hun te adviseren in zijn pak.
Wat hij voor het oog van de camera doet lijkt me ronduit dapper en allerminst een exempel van vluchtgedrag. Om het in termen van het gedicht te zeggen, het ‘leven dat op hem lijkt’ benadert hij zo dicht mogelijk. Dat dunkt me zelfs een teken van volwassenheid en misschien vindt Wijnberg dat ook. Het gedicht heet namelijk IETS ZOETS EN KOFFIE, hetgeen zal verwijzen naar het slot, ‘stom geluk’ dat het ontbijt teweegbrengt. Wellicht zal die koffie, zoals dat in Nederland onnavolgbaar heet, verkeerd zijn, zwaar gedrogeerd dus met melk en suiker, maar het blijft een drank die de poort openzet naar de grote mensen (gezegend met een beroerd geheugen herinner ik me de trots bij mijn eerste koffie tot in de details, maar die zijn uiteraard privé). Houdt het geïnitieerde jongetje stand? Vooralsnog kan hij meezingen met Bobby Byrd: ‘Sayin’ It And Doin’ It Are Two Different Things’. Een verschil van dag en nacht.