maandag 30 maart 2020

‘Dring verder door, mijn geest!’




Net als Anne Frank is er een auteur in de collectieve herinnering geraakt die niet direct van plan was aan bellettrie te doen maar ooggetuige werd en bijzondere omstandigheden vastlegde. Gerrit de Veer was aan het eind van de zestiende eeuw mee op een pretentieuze Nederlandse handelsmissie om naar China te varen langs het onbekende hoge Noorden.
Het schip kwam klem te zitten in het ijs en de bemanning besloot ter plekke te overwinteren. Op de ambachtelijkste wijze fabriceerde ze een noodwoning, die Het Behouden Huys is gedoopt. Het was opgetrokken uit – als een geschenk van God aanvaard – drijfhout, en dichtgesmeerd met pek en geïsoleerd met zeil. Tijdens de bouw stierf uitgerekend de scheepstimmerman, uit Purmerend. Bij de resterende arbeid waakte men ervoor spijkers routineus in de mond te steken, want ze vroren meteen vast aan de lippen. Lostrekken op straffe van vlees- en bloedverlies.
En zo woonden voor een onbepaalde duur, die zo’n halfjaar bleek te beslaan, op het respectabele oppervlak van ongeveer zestig vierkante meter twee leidinggevenden (Barentsz en Van Heemskerck) en veertien vrijgezellen. Kuchschermen waren afwezig. De overwinteraars werden niet bedreigd door zoiets onvatbaars als een virus, maar door kou en honger. Om dit duo te bestrijden moesten ze naar buiten, geen evidentie omdat de wind zo snijdend kon zijn dat het verstikkingsgevaar immens was en omdat er ijsberen rondwaarden die ook wel een hapje lustten.
Niet zozeer kreeg het zogeheten jagersinstinct in de mannen een belletje, feitelijk werden ze naar buiten gejaagd. Zeker wanneer binnenin de ijslagen te duimendik werden was er domweg stookhout nodig. En dan nog hielp vuur niet altijd om zich te verwarmen (het schoenleer ontdooide niet meer van de voeten, De Veer heeft meer van zulke details). Nog een geluk dat er rond Het Behouden Huys geregeld een poolvos in hun vallen tuinde. Behalve dat het dier carnivoren tevreden stelde, kon zijn huid dienen als bontmuts.
Waarom waan ik me in semi-lockdown nu een hele piet wanneer ik, gewapend met vier fietstassen, boodschappen doe voor mijn gezin?
Die zeelui voerden hun strijd tegen de elementen natuurlijk zonder internet. Behalve ad-hockennis ontbeerden ze dus sociale contacten. Voorwaarde bij de aanmonstering was dat ze geen partner of kinderen hadden. Hun hoop stelden de mannen in God die het recept voor groepsimmuniteit kende. Ook baden ze voor een zomer die Zijn mooiste schepping de zon op het podium zou slepen, zodat ze het schip uit het smeltende ijs zouden kunnen loswrikken.
Vooralsnog was het vat bier meteen kapotgevroren; wat eruit lekte was veel te sterk om te drinken en het ontdooide bier smaakte dan weer naar water. Een wijnvat had meer nut want werd verbouwd tot badkuip waarin de mannen soms konden stoven. Verkwikkend, zeker in combinatie met het laxeermiddel dat de chirurgijn gaf, garandeert Gerrit de Veer. Troost bood soms ook wat fantasie over feestmaaltijden en natuurlijk samenzang.
Zelf bedachten deze lui voor hun stramme gestel oplossingen die nogal op de onze lijken. Ze trachtten de ledematen soepel te houden met wandelen en rennen, maar ook met klootschieten. En eenmaal ontsnapt aan Het Behouden Huys zou tegen scheurbuik een plantje helpen dat lepelblad heet. De Veer vertelt het alsof iedereen die ervaringswetenschap beheerst.
Het was binnen erg donker. Dus hielp het toen de mannen een ijsbeer wisten te vermoorden en het ampele vet uit zijn huid brandstof werd voor hun lampen. Sporadische bezoeken aan het schip, zesduizend passen verderop, maakten hun duidelijk dat beren daar evengoed kwamen, het luik van de kombuis was zelfs opengebroken. Logisch. Uit een buik van een ander omgelegd dier visten mannen restanten van een zeehond, met huid en haar verslonden. Een andere dode beer werd dan weer terstond opgepeuzeld door een soortgenoot.
Mijn vingers reproduceren deze weetjes, terwijl voor het raam, in de erker van mijn studeerkamer, momenteel drie beren hangen.
De honger voelde volgens De Veer aan als een zwaard in de maag. Om dat te af te weren moest er gewerkt, maar daartoe ontbrak wegens voedseltekort de kracht. Goede hoop kon soms wel activiteit verwekken, overactiviteit helaas, want daarna diepere teleurstelling van lichaam en geest dat het schip nog muurvast zat in het ijs.
Dat we dit allemaal weten, komt natuurlijk door een waanzinnige stamina. Om die reden is ook het verslag overgeleverd, waarin Barentsz en Van Heemskerck dé namen blijven. In dat verslag bewerkte Gerrit de Veer zijn aantekeningen nog een beetje, vooral door van de ‘zij’-vorm (bijna altijd) over te stappen naar de ‘wij’. Dat foefje bood de sensatie meer dichtbij te zijn.

donderdag 19 maart 2020

‘Ik wou moedig zijn, maar het was moeilijk’





Nu we in België zo’n beetje locked down zijn, uiteraard zonder die term te gebruiken, wordt het tijd optimistisch te worden. Laten we kracht ontlenen, beminde jongelui en vogels en bloemen, aan hen die ons zijn voorgegaan.
Anne Frank, bijvoorbeeld. Het is dat de nazi’s haar in 1944 oppakten, anders zou ze de dikke twee jaar die ze in het Achterhuis had doorgebracht moeiteloos hebben verlengd. Geen sinecure. Ze bewoog zich over een veel geringer oppervlak dan een gemiddeld huis in de Lage Landen nu waar men bovendien vaak een tuin of koertje kan benutten. En overdag mocht Anne zich nota bene amper bewegen, getuigt ze in haar in rode ruitjes gehulde dagboek, laat staan de wc doorspoelen.
Werd er in die tijd net zo gehamsterd als nu? Er was zeker papierschaarste, maar voor sanitaire zaken maakt Anne Frank er slechts eenmaal melding van. Ik heb al besloten dat hier de nood niet snel aan de man zal zijn, maar veeleer aanleiding wordt de boekenflora te snoeien. Te beginnen met de non-fictie, en te besluiten uiteraard met de dundrukken.
Behalve familie had Anne Frank een tandarts en een zakenpartnertrio om zich heen. Op de jongste loot daarvan werd ze verliefd. Het is van de Lepe Primaat Geschiedenis wel rechtvaardig dat ze, zoals dat precies zo vaag heet als dat het uitpakte, iets met hem kreeg.
Patricia de Martelaere zette Anne in een geweldig essay over dagboeken af tegen drie volwassen en professionele collega’s in het genre: Anaïs Nin, Cesare Pavese en Virginia Woolf. Een ongelijke strijd, maar wat opvalt is dat De Martelaere, die debuteerde met een roman in dagboekvorm, streng is voor Anne.
Zo zijn de oeverloze beschrijvingen van de karige dagactiviteiten en van de dito menu’s, waar De Martelaere ibbel van wordt, allerminst onbegrijpelijk. Omdat ze zo onspectaculair zijn benadrukken ze het nijpende én onveranderbare aan Annes situatie. Ook de figuur van Kitty, die zoals bekend ontleend was aan lievelingsboeken om diepste en banaalste geheimen mee te delen, mag niet op een onverdeeld begrip rekenen van De Martelaere.
Schrijven als principieel onbegrijpelijke onderbreking van het leven verdrijft de verveling die vaak dat leven lamlegt en die in zeer bijzondere gevallen, zoals nu en zoals in de oorlog, structureel wordt.
Anne kon niet, zoals het taalkundig genie, in het virtueel les krijgen over obesitas (‘Bezemkast?’, vroeg de gourmande). De adviezen die heden dankzij websites en programma’s te verkrijgen zijn over een dagindeling die soelaas biedt aan het verplichte, relatief lichte isolement, paste vader Otto Frank, zelf Dickens lezend, moeiteloos toe. Ook in de pre-SmartSchool-era had de combinatie van discipline en ontspanning best een effect.
En zo groeide Anne Frank in de tijd dat ze aan de Prinsengracht verbleef uit tot een intellectueel-in-de-dop. Ze figureerde onlangs nog in een debat over het N-woord.
Hoort bij die aanzwellende status dat ze, na via radio Oranje lucht gekregen te hebben van algemene interesse, haar dagboek begon bij te werken voor verhoopte publicatie? Voor De Martelaere vormt herlezen een essentieel onderdeel van dagboeken schrijven, maar bij Anne heeft ze er weinig genade voor. Het meisje blijft in haar ogen een puber uit duizenden, met teksten van ‘betrekkelijk ordinaire aard’.
Wanneer ik ‘ordinair’ definieer als ‘alledaags’, dan is dat exact de reden van de interesse vanuit een alvast gedroomd naoorlogs perspectief: gedetailleerde informatie over omstandigheden. En dan mag ten minste, voor de zoveelste keer, worden vastgesteld hoe onberispelijk Anne Frank schreef.
Misschien is het overdreven om haar een tweedetaalgebruiker te noemen, maar Anne kwam op vierjarige leeftijd naar Nederland. Haar Verzameld Werk bevat brieven aan haar oma, in keurig Duits, wanneer Anne zeven is, en als twaalfjarige annoteert ze aan dezelfde bestemmeling wat ‘ouderwets’ en ‘gezellig’ in die taal zo ongeveer betekenen. Ze correspondeerde op haar elfde bovendien in het Engels met een vriendinnetje.
Dat ze ‘ongetwijfeld wat talent’ had, zoals De Martelaere beweert, lijkt me minstens voort te komen uit oefening. In het Achterhuis hield Anne Frank een Mooie-zinnenboek bij, waar Shakespeare in het Duits figureert, Jacob van Maerlant oorspronkelijk overgenomen is, en Oscar Wilde en Goethe in hun landstalen. Anne was toen geen vijftien! Al die taalbeheersing, waaraan menig hedendaags auteur nog een puntje kan zuigen, door privileges?
Een hele lap tekst al. De wegkapitein en ik hebben om pedagogische en psychologische redenen een coronadagboek door de strot geduwd van het taalkundig genie en de gourmande. Hoewel we toevallig het Achterhuis onlangs hebben bezocht en ondanks alle voorkennis spontaan onder de indruk raakten, heb ik niet het gevoel dat Anne Franks schriftelijke getuigenissen, waarvan het roodgeruite omslag door zo veel publiek werd aanbeden dat we ze maar lieten, als inspiratie dienen. Ze werden vooral saai bevonden.
De gourmande toont zich bij haar Corona-dagboek veeleer gesterkt door Bezette Stad van Paul van Ostaijen, waaruit ze op school, vlak voor de semi-lockdown, de boem creatief mocht paukeslagen waarna ze thuis de integrale bundel heeft bekeken.
De eerste resultaten vind ik ronduit bemoedigend. Bezette Stad blikte terug op de oorlog, terwijl Anne Frank er midden in zat. Is het symbolisch, bizar of realistisch dat momenteel het Achterhuis zijn deuren voor het publiek heeft gesloten vanwege gevaar van buiten?

donderdag 12 maart 2020

Kloofstaat aan de Schelfzee




Prepositie, propositie, polepositie. In sommige kringen heet een crisis een kans. Moge perikelen in de neerlandistiek dan gelijkaardig uitmonden. Na opdoeking anno 2019 van de vakgroep aan de Vrije Universiteit kwamen er al een Olympiade en Neerlandistiekdagen, gecoverd door het programma De Taalstaat. Vibes & dies meer dat me aangenaam kietelt.
De VU ontwierp bovendien een Multatuli-leerstoel, van waaraf hoogleraar Jacqueline Bel een oratie gaf. Het schijnt een vrolijke, drukbezochte bijeenkomst geweest te zijn, waarop ze nieuw leven blies in de neerlandistiek, met erkenning van des patiënts kwalen: ontlezing, gebrek aan motivatie en vaardigheid om teksten te lijf te gaan, last op de schouders van leraren in het middelbaar onderwijs.
Fijn dat Bel, getuige het opiniestuk dat ze van haar pleitrede maakte, weigert te capituleren. Ze schetste cognitieve en emotionele voordelen van lezen én ze eiste geld voor groot onderhoud waarmee ‘het tij moet worden gekeerd’. Allemaal aan de hand van Max Havelaar, de debuutroman van Multatuli waarmee Bel de moderne Nederlandse literatuur vervroegd liet beginnen.
Wonderlijk leek me wel dat dit complexe boek in het opiniestuk uitsluitend diende als afzetpunt. Bel somde diverse reacties op, primair refereerde ze er slechts tweemaal aan. Nederland werd weggezet als ‘de roofstaat aan de Noordzee’, een bekend verminkt citaat; Max Havelaar ageert tegen ‘de roofstaat aan de zee, tusschen Oostfrieschland en de Schelde’.
Werk maakte Bel van een andere passage uit de outro : ‘Ik wil gelezen worden.’ Dit huldigde haar centrale gedachte dat literatuur een ‘narratief’ zou zijn want ‘verhalen’ bevat ‘die mensen verbinden’.
Minstens is het ironisch dat de figuur van Multatuli voor dit doel model staat. Hij was een polarisator pur sang. En of het verhalen zijn die verbinden (wat een woord voor een neerlandica om zonder aanhalingstekens te gebruiken!) betwijfel ik. Als ik iets heb geleerd van jarenlang opiniestukken en comments doorspitten voor mijn studie De ware marsrichting is het wel, dat mensen hun verhalen weigeren te confronteren met die van andersdenkenden.
Of was ik tijden niet goed bij mijn hoofd of zit ik op mijn stokpaardje van brave identiteitspolitiek die splijt? Dan kan er gekeken worden naar een standaardprocedure op Twitter, wanneer er bij wijze van forward een ‘mooi stuk’ aangeprezen wordt: het sticht facties in plaats van gemeenschappen. Het woord verdeelt burgers eerder waarbij niet hoeft kennisgenomen van feiten.
Daarom zou juist de ‘nieuwe minor’ aan de VU een docentenopleiding Nederlands mogen uitstallen, van en voor academici, al dan niet in de dop. Helaas kondigt Bel De Schrijfacademie aan, die studie van literatuur koppelt aan ‘creatief schrijven’. Daarmee honoreert men de zendersdrift die (door internet?) alom is gerezen, terwijl literaire kritiek bewijst dat er nood is aan de edele kunst van het ontvangen.
Zou dat zo moeilijk zijn? Herschreven, vereenvoudigde klassiekers verraden behalve pragmatisme vooral pessimisme. In mijn gezin weerlegd door twee mintwaalfjarigen die op de e-reader tijdens een lange fietsreis uitsluitend historische kinderboeken konden verslinden waarvan grammatica en spelling verouderd waren. 
Geen klachten.
De neerlandistiek mag wat mij betreft een smaakmaker worden in plaats van trendvolger. Daartoe moet het zo dicht mogelijk op de wereld raken en kan het een platitude omhelzen: eindeloos lezen, met aandacht voor taal zelf, het materiaal waarvan literatuur immers gemaakt is. Max Havelaar leent zich daar zeker toe, zoals heden taal zich fabuleus ontwikkelt met alle invloeden en registerschokken.
Zo kunnen de dwaze schotten tussen taal- en letterkunde meteen weg en hoeven neerlandici alleen nog, nadat de wereld hopelijk gedecoronaïseerd raakt, te stoppen met het nabauwen van concepten. En kan studie concreet en collectief worden, een activiteit die alle eeuwen beslaat. Wat betekent het bijvoorbeeld dat Özkan Akyol, oud-student aan de VU, zijn debuut Eus een schelmenroman noemde en het een motto gaf uit Dichtertje? Hoe zou men in 2121 een zin interpreteren als ‘Ik werd zo geil als Becel’?
Meer vragen. Hoe kwam de auteur tot zijn verrassende toepassing van het weinig gebruikte bijwoord ‘bijster’? Wat wil op de achterflap de pertinentie Dit is geen roman over multiculturalisme? Is het nog structuralistisch dat Akyol de proloog, dus zijn eerste bijdrage aan de Nederlandse literatuur, liet beginnen met het woord ‘Kut’ en het slotdeel ook, en daar de proloogpassage hernam in een andere alinea-indeling?
Het eerste hoofdstuk startte Akyol dan weer met de waarschijnlijk langste zin uit het boek: ‘Het arbeidersvolk in de Bergpoortstraat lag al te slapen en het schorriemorrie van seksclub Isabelle voerde geheime gesprekken op straat, toen mijn oudste broer, ruim na bedtijd, de longen uit zijn lijf holde, op zoek naar onze vader’. Wat doet die kommaexplosie daar, en ‘holde’? En waarop entte Zwagerman zijn stelling dat na Eus de vaderlandse literatuur nooit meer dezelfde zou zijn?
Zulke vragen vergen tijd en concentratie. Hangt daar een elitair geurtje boven? Zelf weet ik niet of Bel gelijk heeft met haar these dat literatuur ‘taal op z’n best’ is. Ik hoor daar een taalbeheerser in. Voor mij toont literatuur taal op haar kwetsbaarst, in een laboratorium waar idealiter de toekomst wordt voorbereid.
Een seminarie-achtige studie zoals ik die me voorstel kost geld, zij het allicht minder dan het door Bel aangekondigde Deltaplan. Weer zo’n woord! Het klinkt als de Deltareeks, waarin de neerlandistiek afscheid nam van potentiële lezers. Bijvoorbeeld Max Havelaar kreeg een mooie gebonden editie in delen, met eindeloze annotaties en varianten. Ik had gehoopt dat historische teksten beschikbaar zouden raken in boekjes die je in je binnenzak kan vouwen.
Dat de peperdure, verramsjte edities alsnog op internet te raadplegen zijn, is een zegen. Maar ze wakkerden wel voor de Boekenweek bestelde redenaties van Akyol aan, dat saaie onverkoopbaren hun praatjes beter dimmen. En dat onder de vlag van het CPNB-thema Rebellen en Dwarsdenkers! Iets conformistischer zou ik niet weten.
Toch redeneerde De Groene Amsterdammer in dezelfde week hetzelfde. Voor het project De 21 Beste Romans van Eeuw dat, als in het meest paternalistische onderwijs denkbaar, de Multatuli’s van nu op een rijtje wilde zetten, vielen succesvolle boeken buiten de boot omdat ze ‘mainstream’ zouden zijn.
Aan dit project deden nota bene neerlandici mee, van wie sommigen eerder het even bizarre als treurige DWB-nummer over ‘Het literair klimaat 2010-2019’ hadden gevuld. Opnieuw richtten hun boodschappen zich op een beperkt, mediaal gebrandpunt corpus dat, naar een provinciale traditie, wegzag van België.
Quod nu Katharina? In De Groene Amsterdammer viel de term ‘heteronormativiteit’ en was er een ‘institutioneel seksistisch en racistisch blijvende literaire context’. Stopt daar niet het denken? Dat klinkt vreselijk onaardig, maar geurvlaggentaal kan louter met aanhalingstekens aangevat worden. Hier was het extra tragisch dat een maatschappijkritisch streven ontaardde in anti-intellectualisme.
Dan liever hardcore academisme, de prettige waanzin van de detailanalyse, de zalige stoffigheid van het ‘ontleden’. Inclusief Bels signaalwoord ‘via’, het pocketje onder de voorzetsels.

donderdag 5 maart 2020

Van al zo veer (en de kleuters van Éluard)


Vandaag: Philip Ingelse (1943). Hij was leraar Frans en debuteerde bij Meulenhoff met de bundel Gratie (2002). Dezelfde uitgeverij bracht zijn Spiegel van de Franse poëzie van de elfde eeuw tot heden (2004). Momenteel voltooit Ingelse zijn nieuwe bundel Met ontzag naar buiten. Onderstaande autofilologie bevat daar proeven uit.



SEKSISTISCH

In elke mond een luchtig goedje,
legt een vleeskleur op de dingen,
een weekheid in albast.
Het zijn teerhartige Erinyen,
zij vinden prilheid met een mes
en de charmes van de honger,
en nu speuren zij in mijn bloed
naar de opslag van wapens
en willen dat ik boet
voor de gil van een laurier.
Ben ik hun weerga, een welgezinde
die leven keurt op kunne
en haar zift op haar drempel,
zich hoedt voor de maan
en snijdt waar zij bloedt,
haar bekleedt met eer en tralies?
Zo kom ik binnen
en zij ademt door mij heen.

Het is altijd weer een schok voor mij dat wraakgodinnen (Erinyen regel 4) ook welwillenden of welgezinden(r.11) heten (Eumeniden). Zo’n soort schok(je) zou ik ook willen voor plastische chirurgie (r.5), afvaldieet (r.6), het onrecht van testosteron (r.7,8), de verkrachting van Daphne door Apollo (r.9,10), het aborteren van meisjes bij eenkindpolitiek (r.12,13), taboe op ongesteldheid (r.14: nog niet zo lang geleden werden vrouwen als periodiek invalide beschouwd), vrouwenbesnijdenis (r.15), eerwraak et cet (r.16). Een levende verhouding is anders: de laatste twee regels.
Er zit iets vals in zo’n uitleg, want die is achteraf.
In gedichten ben ik het minst gesteld op wat ik het snelst uitleg en het meest op de regels waarvan ik de verklaring niet al heb wanneer ik ze schrijf.
Bijvoorbeeld:

HORTUS: IN PARADISUM

(Hans, Ischa, Ria, Alexandra)

Als wij ons de hortus
ingevochten hebben,
weten we niet wie:
sterven is in speeltijd.
Maar nu in wartijd
versnijd ik
niet weten wie
met weten wie
raakt adem geroerd,
aftelrijm hermetisch,
score zoek,
heugen high,
oude taal versleuteld,
en tuin om tuin
verspreek ik mij.

Hortus en paradisus = allebei tuin. In tuinen spelen en vechten kinderen. In paradisum is een citaat uit het Requiem.
r.4: in speeltijd = de kindertijd waarin je speelt, maar ook zolang de wedstrijd duurt
r.13: oude taal = de taal die je op de middelbare school sprak, maar ook Grieks, Latijn.
Belevenissen van vroeger komen in een ander licht te staan wanneer iemand sterft met wie je in de klas gezeten hebt, onverschillig of hij/zij je lief was of niet (r.9 t/m 13). Daarvoor is geen uitleg nodig.
Maar r.1 t/m 8 en de laatste twee regels omcirkelen een gevoelige plek die misschien moeilijker bereikbaar is, waar het levende kind en de dode vergeefs in elkaar proberen door te dringen in een onmogelijk besef van de tijd van nu in de tijd van toen en omgekeerd. Dat gaat met geweld en zachtheid tegelijk.
Ik heb gespeeld, gepraat, gegeten en gedronken met mensen die nu dood zijn, en toen wist ik het niet. En als ik het wél weet, weet ik niets. Een enkele keer weet ik het heel even met een week besef van meer dan één tijd, en is me dat alweer ontglipt. 

donderdag 27 februari 2020

‘Och joeng, noedels’



Vandaag: Ivo Victoria (Antwerpen 1971). In 2002 emigreerde hij naar Nederland, waar hij werkte voor het Lowlands Festival en waar zijn geruchtmakende debuutroman Hoe ik nimmer de Ronde van Frankrijk voor min-twaalfjarigen won (en dat het me spijt) verscheen. Ook zijn vier volgende boeken (Gelukkig zijn we machteloos, Dieven van vuur, Billie & Seb en Alles is oké) werden gunstig ontvangen. Victoria was een van de eerste schrijvers die blogden. Hij verzorgt columns voor de Vlaamse krant De Morgen en voor het Nederlandse radioprogramma Spijkers met koppen.
Onderstaande speech gaf Ivo Victoria in het programma Zilverlingen: het verraad of de beloning van taal?, voor Perdu, Amsterdam 21-2-2020.


Ik groeide op in het Antwerpse als de jongste zoon van een Vlaamse moeder en een van oorsprong Franstalige vader die thuis enkel Nederlands sprak, wellicht omdat de vader van mijn moeder een Flamingant was maar op familiefeesten aan mijn vaders zijde werd door de volwassenen Frans gesproken. Nu woon ik alweer achttien jaar in Amsterdam samen met een Franse vrouw die thuis enkel Nederlands praat. Ik moet eigenlijk zeggen: een Bretonse vrouw – dit ligt gevoelig. Bretagne is zoals u weet het Friesland van Frankrijk, inclusief een eigen taal – het Bretons of Brezohneg – een taal die mijn vrouw niet spreekt terwijl haar eigen vader voor zijn achtste levensjaar geen woord Frans kon. Dit terzijde. Die Franse vrouw leerde mij kennen in 2001 – toen Marc Kregting de oversteek naar België maakte – en net op het moment dat zij met veel moeite en pijn het Nederlands onder de knie had gekregen en vrijwel accentloos ook. Wie mijn vrouw spreekt zal denken dat zij Nederlands is behalve misschien wanneer u haar vraagt waar de krant is, dan zal zij zeggen dat deze ‘op tafel staat’. Samen hebben wij twee dochters die geboren zijn in Amsterdam, allebei de dubbele Belgisch-Franse nationaliteit bezitten maar zichzelf als honderd procent Nederlands beschouwen. Omdat mijn vrouw in de eerste jaren van hun leven nog Frans sprak thuis – iets wat ze nu enkel nog doet als ze boos of opgewonden is – begrijpen deze twee dochters perfect Frans, spreken ze het zelf redelijk goed én kunnen zij het Vlaams van hun vader beter imiteren dan elke Nederlander die ik ooit Vlaams heb horen imiteren en geloof mij: dat zijn er nogal wat.
Maar ondanks of juist door deze geschiedenis, heb ik taal nooit echt beschouwd als onderdeel van mijn identiteit. Of beter: ik heb altijd geweigerd om taal als een onderdeel van identiteit te zien. Dit komt waarschijnlijk omdat ik reeds als kind een enorme hekel had aan de taalkwestie die mijn vaderland al zo lang verdeelt en die er de oorzaak van is dat België vrijwel onbestuurbaar is. Ik kan me nog zeer goed de totale verbijstering herinneren die zich van mij meester maakte toen ik als kind besefte dat zowat alle problemen van mijn land waren terug te voeren op taal – iets wat wederom blijkt tijdens de huidige, hopeloos aanslepende, regeringsonderhandelingen. Wat maakt het uit welke taal mensen spreken, dacht ik als kind, als we elkaar maar begrijpen? En dat ben ik in feite altijd blijven denken. Dit schijnt ongelofelijk naïef te zijn.
Ik word er met grote regelmaat op gewezen dat mijn spreektaal door de jaren heen in toenemende mate is vernederlandst of verhollandst. Soms denken mensen zelfs dat ik Nederlands bén. Ik zeg om de haverklap ‘nou’, heb er geen enkele moeite mee zaken ‘kort te sluiten’, dan wel ‘aan te geven’ of via een welbepaalde route ‘aan te vliegen’ en in de kroeg neem ik volkomen naturel woorden als ‘klerelijer’, ‘tyfuszooi’ of ‘opflikkeren’ in de mond. Zodra ik evenwel voet aan de grond zet in mijn voormalige thuishaven Antwerpen praat ik met hetzelfde gemak opnieuw Vlaams alsof ik er nog steeds woon. Ik zou nu dus kunnen gaan beweren dat taal in mijn dagelijkse leven niets meer is dan een middel, een handig stuk gereedschap waarmee ik kan communiceren met de mensen om mij heen en dat ik naar eigen inzicht en vermogen kan aanpassen en bijstellen. Maar dat is buiten mijn lichaam gerekend.

donderdag 20 februari 2020

Deleted scenes





Die gruwelijke uitdrukking kill your darlings, alsof Mozes weer met zijn wetstafels aangestiefeld komt. Wat is het toch dat leidt tot het besluit iets uit een oorspronkelijke opzet te verwijderen?
Ik spreek uiteraard voor mezelf: geen idee. Graag laat ik me leiden door schrapadviezen van een derde en altijd komt er weer een moment waarop ik even beslist meen dat iets moet blijven.
Dan is er een definitieve versie, die in drukproeven nog wat tikjes op de kin krijgt en dan ja dan is een tijdschriftpublicatie of een boek en de trots en opwinding wanneer dat product in de bus valt, en de angst bij het uitpakken dat ik iets over het hoofd heb gezien, waarna een vluchtige, afgewende blik en een zwier met dat product, in de kast.
Maar telkens komt er, ooit, een tijd waarin ofwel die tekst alsnog de verhoopte objectieve lezersblik van de schrijver ondergaat of dat in diens geheugen zoveel vragen beginnen op te spelen dat, en daar werkt de computer natuurlijk efficiënt op het gemoed, de oorspronkelijke opzet terug op het scherm komt.
Bij mijn recentste boek Zilverlingen bekroop me dat gevoel afgelopen week al, relatief razendsnel na verschijnen, en zocht ik in het oude tekstbestand naar iets wat ik niet vond, wellicht omdat onderweg mijn blik was blijven haken aan een fragment waarvan me niet eens bijstond dat ik het als kandidaat-tekst had beschouwd.
Toen ik het las, dacht ik evenmin te kunnen verklaren waarom ik het vervolgens had verwijderd. Die sensatie valt naar mijn idee te verbinden met één liedje dat ik zelf ooit nog coverpoogde. Het is geschreven door de grote Donny Hathaway, die onlangs enigszins terug in de aandacht kwam wegens de documentaire van David Kleijwegt.
Het nummer heet ‘We’re still friends’ en ik kan het amper zonder droge ogen beluisteren. Het gaat over een voormalig koppel dat elkaar jaren na dato tegen het lijf loopt. Wat een klap! Want zoals dat gaat, harten breken terug open en het lijkt een raadsel waarom er ooit überhaupt afscheid genomen is.
De kwestie dringt zich op of een potje rationaliseren hier nut kan hebben. Met nuchtere vragen als: was het destijds echt koek en ei? Is er iets wat ik me niet herinner omdat het beter verdrongen kan worden? Hoe vergaat het mij in het heden?
Enfin, ik had dus een fragment geschrapt, ook een koppel eigenlijk, dat bij dezen alsnog aan het hooggeëerde publiek wordt getoond:

MARC OEFENT ’S MORGENS DE LOGICA (1)
De melk is geschift
Ik ben dol op melk
Ik ben geschift

MARC OEFENT ’S MORGENS DE LOGICA (2)

De melk is geschift
Ik ben geschift
Ik ben melk

Puur autobiografisch, industriëler kan het bijna niet. 
Wie wil weten waarom dit op éénduizendste punt de finish van Zilverlingen niet haalde, moet morgenavond, als in het Zonnige Zuiden de carnaval losbarst, misschien toch maar even naar Perdu in Amsterdam komen.

maandag 10 februari 2020

Here we are now




Op Neerlandistiek.nl was onlangs een debat over correct vreemdewoordengebruik. Aanleiding was een melding op een geinig soort publiekskliklijn voor taalfouten. Een hobbyvereniging had zich in haar naam bezondigd aan potjeslatijn en ondanks schriftelijk protest van een kundige bleef ze die naam in het vaandel dragen.
Er kwamen opmerkelijk veel reacties. Kennelijk was een snaar geraakt die toch wel erg hard het ‘O tempura, o rolex’ liet resoneren, de zinspreuk waarmee de Zuid-Amerikaanse vleugelspits Zebedeus Lacuña zijn beklag deed dat de krijtlijnen vroeger smakelijker en stipter werden gelegd. Een enkeling deed bij het debat iets minstens zo populistisch door een sekte te veronderstellen van gymnasiale figuren die zich weigeren neer te leggen bij de realiteit.
Ik pleegde trouwens ook een piepklein comment, waarin ik maar niet onthulde dat ik tegenwoordig voor vragen van het taalkundig genie over de klassieke oudheid met een polsbeweging doorverwijs naar mijn boekenkast, eventueel te ontsluiten op het internet.
Het kan niet alleen de leeftijd zijn dat ik mythologische helden steeds vaker met elkaar verwar; toen ik als adolescent De toverberg probeerde te lezen, in vertaling, liep ik vast en jaren later, bij een toneelbewerking, voelde ik dat één personage, afgaand op webinformatie de Hollander Peeperkorn, zulke namen door elkaar haalde, maar wat dan de juiste was wist ik evenmin goed.
In de uitstekende roman De wezenlozen van Wytske Versteeg geeft de vaderfiguur klassieke talen op een middelbare school. Hij waant zich dinosaurisch tussen posters met opschriften als Lysistrata: geen vrede, geen seks en Odysseus: into temptation en Zeus: de mijne is dodelijk (verbazend mooie dubbelepunten) Buiten het gebouw karakteriseert hij iemand buiten school aldus: ‘Het is zo’n type dat parfum uitspreekt met de klemtoon op de eerste lettergreep en dat zegt alles al’.
Zijn veel jongere en minimaal geschoolde vrouw laat zich dan weer ontvallen dat hij nog geen thee kan zetten – Willem Wilmink scheen die kunst evenmin te beheersen. Ze pareert zijn apocalyptisme met gesneer naar intellectuelen.
Zo schiet het lekker op.
Ik weet niet, in België bekruipt me evenveel treurnis om Bart De Wever wanneer hij weer met een Latijnse spreuk komt aanzetten als om de kenners die daarna zijn gebrek aan kennis van klassieken bewijzen. Voor een indruk van mijn stemming beroep ik me maar op Versteeg als ze in haar roman een jongen opvoert ‘die zijn vriendelijke gezicht probeerde te compenseren met dreigende teksten op te grote capuchontruien’.
Uit eigen expertise herinner ik me bij Latijn in het examenjaar te zijn overgebleven met vijf andere leerlingen, een horreur omdat ik bij dat vak dus niet kon ontkomen aan huiswerk.
De leraar was er wellicht even verlegen onder dat de lingua franca van eeuwen her op een Bredaas lyceum ten prooi was gevallen aan enkelingen. Zonderlingen? Hij wilde ons moed inpraten, bijvoorbeeld door de spot te drijven met mensen die normalíter zeiden, alsof ze een flaconnetje uitgoten, terwijl onze club behoorde te weten dat het normáliter was.
Kennelijk is de ene gevoeligheid toch niet helemaal de andere. Elders heb ik uitgelegd waarom dt-fouten in de hotsebotsetaal die Nederlands heet beter te vermijden zijn. Ze hangen namelijk samen met een positie in een zin die onvermijdelijk een basale kapitalistische orde demonstreert. Tussen onderwerp, lijdend en meewerkend voorwerp bestaan verbanden, niet altijd even rechtvaardige afhankelijkheidsrelaties, die een lezer én lever beter doorgrondt. Daar heeft taalonderwijs volgens mij nut.
Misschien echoot het Neerlandistiek.nl-debat, waar nog een nastoot op kwam, de commoties over de veronderstelde verengelsing in de Lage Landen. Weerkerend bezwaar daarbij was immers dat de kwaliteit van de huidige lingua franca achter bleef bij het grosgebruik. Zou dat niet gewoon worden gerepareerd door komende generaties?
Wytske Versteeg werd geboren in 1983. In haar roman laat ze de dochter van de classicus beseffen net te jong te zijn geweest om ‘Smells like teen spirit’ ten gronde te beleven, een klassiek nummer van Nirvana uit 1991, ‘en nu ben ik vaak bang zonder herinnering te blijven, als ik oud ben te ontdekken dat er niets is om op terug te kijken omdat ik altijd bezig was met braaf zijn’.