woensdag 30 januari 2019

Wat postapocalyptische hints




Onlangs maakte ik, vaag hopend, aantekeningen bij Jan Blommaerts Frames, formats en selfies. Wat moordenaars, hoofddoeken en bewakingscamera’s vertellen over onze identiteit. Er was iets met die studie dat ik, zoals veel, niet thuis kon brengen. Mij moest dat nog ontschieten toen ik Rob van Essens De goede zoon al las. Die roman, geafficheerd als een dystopie, deed me beseffen wat ik had verward.
De goede zoon zoekt naar een antwoord op de vraag wat de door Blommaert geanalyseerde virtuele wereld voor gevolgen heeft. De wetenschapper wil geen cultuurpessimist zijn, al was het wegens de verknooptheid met het offlineleven. De bellettrist kijkt vooral naar het product dat literatuur heet en dat in zijn toekomst is verzwolgen omdat lezers, na de introductie van het basisinkomen, schrijvers zijn geworden.
Frames, formats en selfies kent een droge stijl. Heeft Van Essen zijn boek dan uitbundig gestileerd? De redacteur in mij twijfelt. Metabewust rept de roman van ‘proustiaanse zinnen’. Een hoofdrol krijgt de komma, die ervoor zorgt dat het betoog meandert, mij soms te demonstratief (maar ik heb iets met de punt). Ook de pretentieloze humor rijmt niet met het studiegenre: ‘Het was onmogelijk om niet naar zijn ontbrekende been te kijken. Het was ook onmogelijk om daar wel naar te kijken, want het ontbrak. Maar ik paste er voor op om dergelijke paradoxen met hem te delen, ik kwam niet verder dan eenlettergrepige antwoorden op zijn vragen.’
Tot zover is het onderscheid vertrouwd. Dan beweert Blommaert: ‘De Chinese internetwereld is de meest dynamische, diverse en spannendste die ik de afgelopen jaren heb leren kennen, met een onwaarschijnlijke wildgroei aan talige, visuele en culturele vernieuwing op een schaal die alle verbeelding tart.’ Dit dunkt me een uitspraak van een personage dat een eigen universum aan het bouwen is.
In de roman heerst echter onbegrip dat rondtasten veroorzaakt. Ook op verhaalniveau, bijvoorbeeld na een eerste onduidelijke test van de naamloze hoofdpersoon: ‘Of hangen alle testen samen en wordt de betekenis pas aan het einde duidelijk? In het midden van mijn leven bevind ik me in een donker bos’. Die divineske richt een open constructie aan (waarin veel later de hoofdpersoon alsnog, per zelfrijdende auto, in een donker bos komt).
Van Essen schept een academisch perspectief, waarin op basis van de nieuwste data bevestigd moet, verworpen of geherformuleerd. De goede zoon thematiseert dan ook het eigen verloop en leeft mee met een auteur gespecialiseerd in plotloze thrillers. Over zijn manuscript wordt door een uitgeefster per mail geoordeeld en onderhandeld. We lezen een boek dat permanent onder onze ogen herboren wordt.
Blommaert verandert echter zelf de werkelijkheid. Hij dateert het ‘origineel’ van het standaardwerk Homo ludens op 1950. Daarmee stelt hij niet dat Huizinga als lijk gewoon doorschreef. In Blommaerts universum ‘hanteert’ men bij het herscheppen een eigen taal, van een editie met de ondertitel A Study of the Play-Element in Culture. Consequent staat op de achterflap dat Blommaert werkt ‘aan Tilburg University en de Universiteit Gent’. Het lidwoord is in Nederland weggevijld.
Wellicht nopen de omstandigheden Van Essen tot een wetenschappelijker houding. De goede zoon huisvest het dystopische cliché van de Big Brother. De hoofdfiguur werd altijd geobserveerd, elkeen zat in het complot (in plaats van een wrakende god). Daarvan hoopt hij door het schrijven de clou te krijgen. Hij is dan wel laconiek over het feit dat hij in de auto geen stuur heeft, plotbeheersing kent hij niet. Bovendien moet hij soms antwoorden aan een interviewer: ‘De truc is, ik schrijf dit vanuit de toekomst, zoals je ongetwijfeld hebt gemerkt. Vandaar dat ik er zo nu en dan wat postapocalyptische hints tussendoor gooi.’ Hij expliciteert dus zijn methode, en daarmee zichzelf.
In Frames, formats en selfies ontbreekt dat broodnuchtere zelfbeeld. Blommaert bespreekt zijn eigen Twitteraccount, als ‘academicus en kennisactivist’. Is een hoogleraar dan activist op metaniveau, die iets extra’s brengt aan doorsnee militanten? Over de bijbehorende foto op zijn profiel onthult hij dat hij ‘arbeiders’ toespreekt. Tegelijk aanvaardt Blommaert geen norm, want die is de uitdrukking van macht en ondermijnt de creatieve kracht van het betoog. Hij bestrijdt pleidooien tegen vegetarisme en duurzame producten: ‘Daar wordt de verdenking van persoonlijke zwakheid nog aangevuld met de beschuldiging dat je door het ongezonde consumptiegedrag ook anderen schade kan aanbrengen’ (de reguliere men- en we-vorm wordt even verlaten).
Aan het einde van Frames, formats en selfies vindt Blommaert sociaal en eerlijk gedrag, hoezeer het voorschriften ook internaliseert, het beste. Zolang het wegblijft van het identaire format, dat statisch en essentialistisch zou zijn – onwerkelijk. Hij wijst op de ons omringende superdiversiteit, versus het leven in de klassieke dystopie die Orwells 1984 werd.
Aan dat essentialisme heeft Van Essen zich ontworsteld. Zijn personages delen een verleden in een Archief, dat in Kind van de verzorgingsstaat werd opgevoerd. Toen schiep Van Essen een volgzaam tijdsbeeld met topoi over links die mij niet overtuigden (een residu levert De goede zoon met ‘de onbespoten groenten en de bruine rijst’). Nu denkt de schrijver bij een wrak wegdek, afgezet door tape: ‘Het systeem is in verval. Het is een iets te dramatische gedachte, een beginzin voor een essay waarin de tijdgeest wordt gevat.’
Hij heeft even een baan om de werkleider van het Archief, na een akkefietje met justitie, een nieuwe identiteit te geven, een levensverhaal, te beginnen met een jeugd. Van Essen laat open of De goede zoon evenzeer het product is van een radicale herschrijving op basis van de vraag. Wel citeert hij twee (gereformeerde en atheïstische?) versies van een oudbakken wandtegeltje die uiteenlopende betekenissen genereren: Van het concert des levens krijgt niemand het program en Van het concert des levens bestaat geen program. Uit het postkatholicisme herinner ik me Van het concert des levens krijgt niemand een program.
Blommaerts boek sorteert juist voor het overzicht. De titel geeft een indicatie, die via de regel van drie wil verleiden. Daarna voorspelt de ondertitel onderwerpen en kader. Toch dekt ze de lading niet. Blommaert heeft het ook over tatoeages, om uit te komen bij N-VA-minister Jambon. Plus over de Antwerp 10 Miles, om uit te komen bij N-VA-leider De Wever. Hun duiding brengt monolithische identiteiten. Een structuralistische roman, waarin het geheel meer is dan de op elkaar afgestelde delen.
Bij de tatoeages haalt Blommaert een gepromoveerde Zuid-Afrikaanse onderzoekster aan, met naam en universiteit, die hem heeft verteld dat de plaats op de arm (onder-boven) valt te relateren aan maatschappelijke status. Wat een precisie! Wel staat zoiets ook in het oer-Hollandse kinderboek De scheepsjongens van Bontekoe, wanneer de gegoede Rolf aan de eenvoudige, talentrijke Hajo adviseert een tatoeage hoog te laten zetten. Voor de toekomst.
Eerder had Blommaert op autoriteit van internationale hijabista’s (moslima’s die stijlbewustzijn op het web demonstreren) wetenswaardigheden geleverd over hoe bij dwingende kledingvoorschriften een eigen identiteit te presenteren door details. Hij had daar in België evengoed schooluniformen kunnen bekijken, waarbij een parelkettinkje al een wereld van verschil schept.
Maar nu toon ik me minder een redacteur dan een mierenneuker. Volgend leven beter.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten