zondag 7 januari 2018

Ontnozeling (2)



Vertraagd las ik in 2017 Kees ’t Harts essaybundel Het gelukkige schrijven. Met de boeken van deze schrijver heb ik een gespannen relatie. Meteen begon ik ze eind jaren tachtig te volgen, menend dat dit oeuvre voor mij geschapen was. De essaybundel duidt achteraf uit waarom: ‘dat de heersende moraal steeds opnieuw bevestigd wordt wanneer de schrijfwijze van de roman zelf buiten schot blijft’.
Ik stuitte op de grenzen van mijn lezerschap, of karakter, toen mij ter ore kwam dat er een fanclub voor deze auteur bestond. Stomtoevallig vond ik na dat nieuwtje ’T Harts boeken minder interessant. Betrapt in mijn annexatiedrift? Minstens lag mijn idee van periferie, dat ik verrukt had afgeleid, in de poeier. Ook institutioneel bleek ’T Hart onexcentrisch.
Hij publiceerde ooit het boek De ziekte van de bewondering. In die volgens hem on-Hollandse state of mind lag met terugwerkende kracht mijn bezwaar. ’T Hart dweepte me te veel, was niet echt kritisch. Met ‘niet echt’ bedoel ik dat hij bij sporadische kanttekeningen een leukige jongensboekstijl inzette, waardoor mij ontging wat hij bedoelde. Of hij iets bedoelde.
Aldus was Het gelukkige schrijven een eyeopener, dat ’T Hart minder hardnekkig lofprijst dan vermoed.
Zo kapittelt hij Karel van het Reve, zeker de zogenaamd heldere en onbeschroomd polemische Henk Broekhuis-columns uit de jaren zeventig, tegen pretenties en opscheppers – ook twee hinderpalen voor ’T Hart zelf. Inmiddels maakt zich volgens hem er niemand druk om, behalve ’andere stukjesschrijvers die ook weinig zin (en tijd) hebben zich ergens met volle kracht in te verdiepen’.
Ik denk niet dat die controversialiteitsafname helemaal klopt. Wel ogen die columns heden saai. Al zijn er, juist door die stemming, details waarvoor ik val. Bijvoorbeeld wanneer Broekhuis in 1975 VARA-presentator Joop Koopman citeert, die bij zijn gesprekje met een Twee voor twaalf-kandidaat ontdekt een VVD’er voor zich te hebben: ‘Ik wens u evenveel succes als ieder ander.’
Het meest kritisch is ’T Hart, zoals bekend, over Alain Badiou. Onder de neptitel ‘Altijd die verdomde filosofen’ is hij eerst positief. Maar dan blijkt Badious filosofie volgens ’T Hart helemaal niets aan te tonen en te hameren op hetzelfde aambeeld, tegengesteld aan wat de tekstbezorgers Ernst van den Hemel en Joost de Bloois beweren: ‘Soms krijg je bij deze inleiders het gevoel dat je aan tafel zit bij een vergadering van het Centraal Politbureau in de jaren twintig in Moskou.’
Hier gebeuren meer dingen. Het beeld van rabiaat communisme is klassiek populistisch. Door de bril van ’T Hart wordt het ook een autoriteitsargument. Geboren in 1944 heeft hij de gevolgen beleefd van wat ik in mijn vorige Ontnozeling als een mei ’68-valkuil bezag. Hij vertolkt het zo: ‘Althusser! Wat heb ik lang met hem verkeerd, ik wist zeker dat hij al mijn schrijfproblemen zou oplossen. Foucault! Derrida! Heidegger! Lezen maar jongen, anders wordt het niks met je.’
Geïnsinueerd wordt dat Badiou, in ons taalgebied geïntroduceerd door Yang in 2004, een tijdverschijnsel is (niet: iets modieus of commercieels). Ideeën lijken verklaringen te bieden die van pas komen. Zoals recentelijk pakweg Gloria Wekker.
Die historische relativering plaatst T’Hart bovendien uit zijn notoir rode opleiding aan de Universiteit van Amsterdam, waar de tekstbezorgers onderzoeker zijn. Met die achtergrond is zijn paraderend bewonderen tevens een vlucht uit wat destijds krities heette. De slotperoratie van zijn Badiou-kritiek luidt:

‘Het gaat in de (schrijf)kunst om ruimte, om ademhalen, om perspectief en vergezichten. Om de vrolijkheid of de verschrikkingen van het verlangen, om het nu ook maar eens te zoeken in warrige metaforiek. Om tot Gelukkig Schrijven te komen. Onbevreesd schrijven. Niet gehinderd door schuldgevoel, integendeel, schrijven om je onschuld in stand te houden. Daar gaat het om. Je engagement verbergen in dromerigheid, naïviteit en verlangen naar tegenspraak. Trouw blijven aan wat je niet kunt bereiken. Ongelijk hebben.’

In de revolutiejaren zullen onschuld en naïviteit betwist zijn als burgerlijke wensdromen. De jongensboekenstijl wordt er meteen door verklaard. Ze verdween toen er een fijn internetdebatje over het Badiou-stuk ontstond en ’T Hart zich ernstig begon te weren.

De poëtica van het-zich-niet-uitspreken kent wel degelijk oprechtheid:

‘ik wil altijd in een situatie verkeren dat ik op weg ben naar een moraal, of de weg kwijt in een droomscenario, en alweer nergens ben aangekomen. (…) Ik wil mijn moraal zo veel mogelijk mijn eigen moraal laten zijn, een moraal waarmee ik me alleen als schrijver kan engageren, ik ben geen dominee of politicus. Een zeker geen columnist. Ik wil wel actievoeren maar alleen tegen mezelf in mijn eigen werk. Dan maar een asociale eikel.’

Paradoxaal is deze poëtica door de voorschriften zo dom mogelijk te blijven, onbevooroordeeld te kijken en theorieloos te schrijven. Dit zijn uiteraard utopieën, maar ik denk dat ’T Hart er nog een valkuil mee wilde vermijden. Na de ideologieënval van de Muur begonnen collega’s ‘eigen vooronderstellingen’ te onderzoeken, wat behalve aplombeus nogal zelfverliefd uitpakte.
Ontkomt ’T Hart met zijn aansporingen wel aan dat narcisme? De gretigheid waarmee zelfkritiek nog altijd geëtaleerd wordt, vanuit vele politieke gesternten… Ook de afwezigheid van elk plan is een plan, dat ’T Hart heeft verdisconteerd doordat hij beweert de inconsistentie te huldigen en bewust ongelijk wil hebben.
Ronduit bizar vond ik zijn verantwoording bij De 100 beste gedichten voor de VSB Poëzieprijs 2016. Hij had zich niet laten leiden door eigen opvattingen, ’al zullen die er wel eens doorheen steken (…) Het ging me vooral om wat de dichters uitprobeerden. Bleven de dichters trouw aan zichzelf? Haalden ze het hoogste uit hun eigen ideeën over poëzie? Waren het geen na-apers, betweters, zelfmedelijders of prutsers? Daar ging en gaat het om.’
Misschien wil Kees ’t Hart bij al zijn oncontroleerbare zekerheden een punt bereiken waarin hij niets meer zegt. Dan wordt het de vraag of hij ‘de heersende moraal’ niet bijtreedt. Met dromerigheid kan hij louter een wereld terugkaatsen die fictie heet en de roman toebehoort.
Het gelukkige schrijven herinnert eraan dat Enno Develing, een excentrische auteur uit de jaren zestig, in achttiende en negentiende-eeuwse auteurs waardeerde hun tijd maatschappelijk, religieus en sociaal uit te leggen. Als wezenlijk voor zijn era zag Develing de Brienenoordbrug, de Deltawerken en het nieuwe Schiphol.
Die wereld moet dan maar het domein worden van een essayist, altijd genegen inwisselbaar te zijn – met een activist.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten