zondag 14 oktober 2018

Aub




Gisteren bij de bakker voltooide een meneer zijn bestelling met ‘a.u.b.’. Schijnbaar niets bijzonders voor een land waar tijdens de dagelijkse uitwisseling van diensten en woorden ‘asjeblieft’ veel vaker weerklinkt dan in Noord Nederland, net als ‘misschien’, zij het dat de meneer het woord als afkorting uitsprak.
Ik voelde me decennia teruggeworpen in de tijd. En hoorde roepen: ‘Schoenen uittrekken, aa-uu-bee!’ Op hoogtijdagen ook wel: ‘Schoenen uittrekken, es-vee-pee!’ Van die verzoeken ging een zachte maar besliste dwang uit, herinner ik me. Ze stemden minder opstandig dan expliciete bevelen als ‘Schoenen uit!’ of ‘Doe je schoenen uit!’. Maar ergens voelde ik dat ik ook in de beleefde verzoekvariant werd geacht te gehoorzamen.
Bestaan soortgelijk behandelde uitdrukkingen nog?
Na een dag piekeren kom ik niet verder dan een hele rij met functionele termen (cfk, fte, gps, IQ, ngo, ZZP’er…), die wanneer ze bij hoge uitzondering volledig worden uitgesproken slechts verwarring zouden stichten.
Verder wint in het communicatiewezen de ‘pee-es’ het nog altijd van het postscriptum, zoals het de aanbeveling verdient iemand ‘in see-see [te] zetten’ in plaats van in carbon copy. In Vlaanderen blijft daarnaast de aanduiding ‘bee-vee’ de ronde doen voor Bekende Vlaming (Bekende Wallonen zijn er helaas amper, zodat ‘bee-wee’ hooguit de associatie oproept met de man die vandaag in Antwerpen een afspraak met de geschiedenis beweert te hebben).
Tot nog toe wil me dus geen uitdrukking te binnen schieten met dezelfde status als ‘aub’. Behoort de techniek dus tot het verleden? En in hoeverre is ze echt een Noord-Nederlandse hebbelijkheid? In mijn jonge jaren kon iets ‘ef-el’ kosten, indien dat erg veel was dan riep men ‘gee-vee-dee’ en moest men sparen om het ‘tee-zet-tee’ alsnog te kopen.
T.z.t.! Er is in schriftelijke communicatie een uitdrukking geslopen die voor mij lang domweg een raadsel was. Maar zelfs nu ik, dankzij geschreven uitleg, begrijp dat ze het tegenovergestelde van ‘tee-zet-tee’ betekent, weet ik nog altijd niet hoe ze moet worden uitgesproken, asap.

donderdag 4 oktober 2018

Oeps




In het geboorteland blijkt Sigrid Kaag, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, grote indruk te hebben gemaakt. Ik lees op het web althans het nodige terug over haar Abel Herzberglezing. Natuurlijk ligt er ergens in mij een mening te popelen over wat de naar verluidt aanstaande leider van D66 zoal te berde heeft gebracht, maar ik moet ook nog eten geven aan de schoenmaker die bij zijn leest wil blijven.
Dus laat ik me beperken tot het vermoeden dat Sigrid Kaag minstens één woord heeft uitgesproken waarvan ze ofwel de betekenis niet kent ofwel niet overziet.
Dit is mij ook al eens gebeurd, gedurende mijn hele leven tot nog toe om precies te zijn.
Pas onlangs werd mij dankzij mijn dochters bijvoorbeeld duidelijk dat ‘pistache’ eveneens de noemer is voor het natuurverschijnsel onafhankelijk van elkaar op hetzelfde moment hetzelfde te zeggen. Ook haastte ik me als puber eens naar huis om in het woordenboek te zien wat een vriend en vriendin met elkaar uitspookten. Uit een vertrouwelijk gesprek in een café bleek namelijk dat hun verkering in eerste instantie ‘platonisch’ was.
Maar goed, dit zijn vaktermen van anderen.
Uit mijn eigen mond is er geregeld iets gekomen waarvan de strekking me duister was. Zeer jong al, bijvoorbeeld bij verstoppertje spelen, wanneer ik triomfaal ‘buutvrij’ riep. Of toen ik, in ongeveer dezelfde leeftijdscategorie, rond Sinterklaastijd manisch probeerde te rijmen, liefst in gezelschap, en uitkwam bij ‘flikkerdepik’. Mijn veel oudere broer moest daar erg om lachen, dus hield ik het woord in mijn repertoire, als een mantra.
Het beschamendste vind ik tot op heden een woord dat ik gebruikte bij mijn debuut als freelance cultuurverslaggever. Als excuus wil ik nog altijd opvoeren dat het in een recensie was van een avondvoorstelling, dat ik er lang over had gedaan om de wachtwoordprocedure te slechten en dat vanuit een glazen hok de eindredacteur begon te brommen. Maar het is even waar dat ik indruk wilde maken als taalvirtuoos annex autoriteit, als pas afgestudeerd neerlandicus. En zo staat het me nog helder bij dat ik zelfs geen synoniem wilde overwegen voor, tja, ‘op instignatie van’.
Nu ja, ik heb dus compassie met één detail uit minister Kaags recente lezing. En stiekem hoop ik dat ik er naast zit. Laat ik zekerheidshalve het woord in de context citeren:

Wie de gewelddadige geschiedenis van ons Europese continent doodzwijgt en daardoor niet meer weet tot welk menselijk lijden nationalistisch geweld leidt, wie niet meer weet wat voor zinloze armoede en verlies wordt veroorzaakt door economische en monetaire concurrentie tussen landen, hoeveel kansen voor ontwikkeling en welvaart er verloren gaan door achterhaald protectionisme en handelsbarrières, die kan de enormiteit van het slagen van de Europese eenwording niet meer op waarde schatten. En wat niet meer op waarde wordt geschat, kan verloren gaan.

Mochten er mensen zijn die deze redenatie goed kunnen volgen, dan kunnen ze nu wegklikken.

Is daar nog iemand? Tussen ons gezegd en gezwegen kan er door mij ook weer niet voor 100% worden gegarandeerd dat hier iets niet klopt. Ik heb namelijk drie edities van Van Dale nageslagen op het woord. En er bestaat de betekenis ‘overmatige grootte’, die Kaag hier kan hebben bedoeld, in positieve zin wel te verstaan. Als een megasucces dus, en niet als iets wat daaronder bezwijkt.
Dat laat een andere, volgens mij toch wat dominanter betekenis onverlet, in welke variant ook: ‘grote stommiteit’, ‘grote domheid’, ‘verregaande onkunde’.
Voor wat het waard is, lees vanuit die wetenschap de andere passage uit de Herzberglezing waarin de minister het heeft over de enormiteit – en raak ontroerd van haar relativeringsvermogen:

‘Ik ben geboren in 1961 in Rijswijk. Ik ben Nederlandse. Ik ben Europeaan. Een voorrecht dat ik nergens aan te danken heb. Talent, ambitie, hard werken, het heeft er allemaal niets mee te maken. De enormiteit van het voorrecht is er niet minder om.’

dinsdag 2 oktober 2018

Noem het pernicieus, S.





Onlangs bekeken we met het hele team een dvd waarop twee prachtige korte films in de categorie ‘alle leeftijden’. Ze waren van de Franse regisseur Albert Lamorisse. De eerste, Le Ballon Rouge uit 1956, is befaamd. In een zichtbaar naoorlogs Parijs speelt Lamorisse’s zoon Pascal de hoofdrol van een jongetje dat een knalrode ballon uit een lantaarnpaal plukt. Daarna blijft het ding, in de grijze stad extra opvallend, vlak bij hem. Als was het een huisdier – bij kinderen en volwassen fantasten kan dat. Wel bestaat er zoiets als de mensheid, die iets moois geneigd is te vernietigen. Een groepje raddraaiers weet met een katapult de ballon uit de lucht te schieten en te doen verschrompelen. Toch kent Le Ballon Rouge een happy end, want alle ballonnen der wereld verzamelen zich bij het jongetje dat zo kan opstijgen.
Ik noem dat een happy end, in het kader van de verengelsing van de maatschappij natuurlijk. En ook omdat het jongetje, in de lucht boven de huizen, gezegend oogt. Mij stemt de verhaalontwikkeling echter droef. De illusie van het jongetje kan louter voortduren zonder soortgenoten, verheven boven de dagelijkse wereld. Alsof het een heilige is. Maar zowel het taalkundig genie als de gourmande vond het een prettig slot. Laatstgenoemde ducht nota bene elk teken van onheil. Blijkbaar overwoog in haar perceptie de intense tevredenheid van het jongetje.
Nog krasser vond ik hun reactie op de andere Lamorisse-film, Crin Blanc uit 1953. Deze speelt in de Camargue. Wilde paarden draven er door vlaktes van zand en gras en riet en water. Zo ook de titelheld, Witte Maan, op wie drie boeren het hebben voorzien. Het paard wordt in bescherming genomen door het jongetje Folco dat met zijn zus en opa leeft van de visvangst. Hij wil Witte Maan hebben, wat de boeren verleidt tot de grap dat dit mag als hij het dier vangt – en dat Folco dit zoveel tijd zal kosten dat zijn vissen vleugels hebben gekregen. Uiteraard slaagt het jongetje in zijn missie, ware het niet dat de drie boeren hem samen met Witte Maan klemrijden aan zee. En dan gaat het onafscheidelijke tweetal het diepe in. De vertelstem weet dat ze naar een eiland vertrekken waar mensen en dieren in harmonie samenleven.
Opnieuw waren mijn kinderen dolenthousiast. Terecht, daar niet van, maar ze vonden ook deze film goed aflopen. Geen moment hadden ze de indruk dat Folco en Witte Maan voor hun eenwording moeten sterven. Het taalkundig genie zei het mooi te vinden dat zo’n eiland van harmonie bestond. Na mijn ervaring met de eerste film kon ik dat alleen maar beamen, al kraste er een raaf dat ik mijn kinderen de waarheid moest vertellen. Vergeefs, mij ontbreekt ook het talent voor postdoodillusies, hoewel ik week word van de frase ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’.
Ik ben er nog altijd niet uit hoe kunstwerken zulke strijdige interpretaties kunnen opleveren. Daarbij durf ik niet te beweren dat de mijne beter is. Mijn kinderen zien wat ze zien en ik geloof hen. Wel is mij de ‘onvergetelijke’ annex ‘verpletterende’ indruk bekend die kunst op jonge leeftijd kan maken. Ik word daar zelfs dagelijks aan herinnerd, nu ik samen met de gourmande Alleen op de wereld lees. Van Hector Malots klassieker stonden me slechts twee fragmenten bij: uiteraard het slot waarin alles goedkomt (voor zover mogelijk na alle dierbare doden) en een logeerpartij van Remi, vrij aan het begin, op een boot bij een verlamde jongen en diens moeder. Ooit verdroeg ik het amper dat Remi, die zielsblij was op het water, dat tweetal al snel moest verlaten. Elke herlezing paarde zich aan de hoop dat het ditmaal koek en ei bleef op de boot.
Bij het einde zijn de gourmande en ik nog lang niet, maar de bootpassage hebben we al gehad. En nu frappeert het me, hoezeer Malot de verlamde jongen en moeder vanuit de wees Remi beschrijft in familietermen. Ik kan het amper knipogen of aankondigingen noemen – het slot duikelt achterover in de tekst! Zag ik destijds niet? Vermoedelijk overweldigden mij de sentimenten zodanig, dat de losse woorden waarmee ze verteld werden me ontgingen.
Natuurlijk wist ik destijds evenmin dat literatuur de usance kent lezers meteen te imponeren. De tijd die schrijvers spenderen om een achteloos betekeniszwangere openingszin te krijgen! Hier wat beginnetjes met een zekere renommee:

(a)     Wij verwachten uw antwoord op driekwart mijl afstand van Lausanne in een aardig huis dat ik te leen heb gekregen.
(b)     Ik was tweeëntwintig en had net mijn studie aan de universiteit van Göttingen voltooid.
(c)     Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.
(d)     Iemand moest Jozef K belasterd hebben, want zonder dat hij iets kwaads gedaan had, werd hij op een ochtend gearresteerd.
(e)     Traag en onverschillig, met gemak de ruimte van zijn vleugels schuddend, zijn weg kennend, vliegt de reiger over kerk onder de hemel.
(f)      Ik herinner mij niet precies meer hoe en wanneer de vreemdeling in huis gekomen is, maar hij loopt hier nu voortdurend rond.
(g)     De portier is een invalide.
(h)     In het begin wilde het meisje van de Dauphine per se de tijd bijhouden, al kon het de ingenieur van de Peugeot 404 niet meer schelen.
(i)      Op de dag dat Inni Wintrop zelfmoord pleegde stonden de aandelen Philips 149.60.
(j)      Toen Joana Carda met de olmtak een streep trok op de grond, sloegen in Cerbère alle honden aan, wat de plaatselijke bevolking vervulde met angst en ontzetting, want men geloofde al sinds de oudste tijden dat het eind van het universum nabij was als die dieren daar, waar ze nimmer een kik hadden geven, zouden blaffen.
(k)     Hij had er beter aan gedaan van al zijn zinnen uitsluitend de reuk en smaak te vertrouwen en dan nog alleen voor zover ze hem zijn eigen verrotting lieten ruiken en proeven: wat zijn oor ving was onherkenbaar vervormd door de angst, onder zijn aanraking kregen de dingen onmiddellijk een andere huid, terwijl zijn ogen ook wijd open niet veel anders meer zagen dan het schouwspel dat zijn vergiftigde brein voor zichzelf opvoerde.
(l)      Voortgestuwd door de stroming bewoog de praam zich snel oostwaarts over de brede rivier, die door de boeg in tweeën leek te worden gespleten.
(m)   Ik ken hem niet eens, denkt Esther, terwijl hij zijn hand verder onder haar rok schuift.

Een goed begin is het halve werk, heet het. Schrijvers ervaren bovendien dat het lastig is te stoppen, wanneer over plotopties onvermijdelijk een besluit moet vallen, desnoods met een open einde. Toch vind ik juist de meeste boven geciteerde zinnen, als ik zo vrij mag zijn, geforceerd. Wat dan te denken van de bijbehorende slotzinnen?

(a)     Door mij te dwingen, mijnheer, u dit zo droevige verhaal te vertellen, heb ik in zekere zin gemeend haar zin te doen en haar te gehoorzamen; om dezelfde beweegreden, dezelfde tedere eerbied voor haar nagedachtenis, zweer ik, al kan ik u ook geen vriendschap beloven, althans elk gevoel van haat af.
(b)     Zulke relaties aangaan is niet de manier om gelukkig te worden in het leven; wie zich eenmaal op die weg heeft begeven, heeft nog slechts de keuze tussen verschillende kwaden.
(c)     Maar mijn leven, mijn hele bestaan, onafhankelijk van wat er met me kan gebeuren, en elk ogenblik daarvan, is van nu af aan niet meer zoals vroeger zonder zin, maar is zinvol geworden door het goede waarmee ik het vullen kan.
(d)     ‘Als een hond!’, zei hij, het was alsof de schaamte hem zou overleven.
(e)     Traag en onverschillig keert de reiger terug; de hemel trekt een sluier voor zijn sterren; en onthult ze dan weer.
(f)      Zet dat kind in zijn stoel en laat die tekst met vrede, op hoop van zegen.
(g)     Maar geen enkel bewijs voor de hypothese die ik bewijzen moest.
(h)     En aan de radio-antenne fladderde het vlaggetje met het rode kruis wild heen en weer; ze reden nu tachtig per uur in de richting van de lichten die langzaam groter werden, zonder dat ze nog goed wisten waarom zo veel haast, waarom dat gejacht in de nacht tussen onbekende auto’s waarin niemand iets van de anderen wist, waarin de mensen strak voor zich uit keken, alleen maar voor zich uit.
(i)      Er bestonden dus kennelijk twee werelden, een waar de Taadsen wel, en een waar ze niet vertoefden, en gelukkig bevond hij zich nog in de laatste.
(j)       De olmtak is groen, misschien bloeit hij volgend jaar.
(k)     Hij was nog maar net begonnen aan zijn zelfmoord – mondjesmaat.
(l)      Op dat moment wist ik één ding zeker: hij zou me nooit meer verlaten.
(m)   Of het een kat is, of een vorm, uitgesneden als het lichaam van een kat – en of het nog leeft en spint binnenin, of al volop dood is, opgelost en ontladen – maar dan breekt het eindelijk door de deur, en het antwoord is: ja, hoe dan ook, helemaal, volslagen: ja.

Een steekproef van niks natuurlijk, maar het peil ligt hier volgens mij hoger dan bij hun aanstichters. Alsof de dienstdoende genii al doende in vorm raakten. Geef mij dus maar liever een trap na, zoals Lamorisse ten overvloede deed.

maandag 24 september 2018

Waarom?




Bij een festival in Utrecht bleken voor een voorleesmarathon van Anna Karenina exclusief vrouwen aangezocht, omdat Tolstoi’s hoofdpersoon ‘navigeert tussen haar rollen als minnares, echtgenote, moeder en prominent lid van een gemeenschap ’. Dat verwekte een ingezonden brief van Lieke Snelling. Stof van de archetypische Moeder de Vrouw-rel opwerpend, vond deze literatuurwetenschapster dat de voorlezeressen ‘een soort harem’ vormen ‘ter meerdere eer en glorie van een mannelijke auteur’. Auteur Pieter Waterdrinker proefde in die kritiek censuur (‘Es kotzt mich an’) en leesbevorderaarster Lidewijde Paris zag andere bedoelingen bij vrouwen die ‘gewoon met plezier en passie een mooie roman willen voorlezen, uit eigen vrije wil, gratis voor iedereen’.
Het was alsof men in Noord-België een genretoneeltje wou opvoeren dat Rudi Laermans net had geanalyseerd. De Leuvense socioloog ontwaarde cultureel-artistieke stellingoorlogen, waarbij gemeenplaatsen onvermoeibaar leken. Opmerkelijk was dat hij zijn pijlen richtte op linkse bijdragen aan stormpjes over identiteitspolitiek. De wens om onrecht bloot te leggen liet langs de achterdeur ‘een homogeniserend groepsdenken’ binnen. En het gepraktiseerde 'tekstivisme', waarin tekst en activisme samentrekken, huldigde de spektakellogica. Naar mijn gevoel poogde Laermans zo een balans te herstellen die ongewild was doorgeslagen. In 1997 had hij ‘neokritiek’ aan de kaak gesteld, geruisloos, totdat vijftien jaar later dit concept werd gerecupereerd in een Jeroen Mettes-uitgave. Waar neocritici ‘hypocrisie’ bij machtiger geachte Gutmenschen bespeurden, doen tekstivisten vanuit een diametraal ander gezichtspunt hetzelfde, begrijp ik. De verleiding van demystificatie blijft onverminderd.
Het kunstwerk dat ten prooi valt aan kritiek, stelde Laermans, doet er in het betoog eigenlijk niet zo toe. Hooguit is het de aanleiding, waarna steekwoorden (‘intersectionaliteit’) voor mede- en tegenstanders volstaan om te weten hoe de vlag erbij hangt. Snelling stapte in het Karenina-geschil met wat schetsen over identiteit en vrouwen en geschiedenis inderdaad soepel over naar de aanklacht. En haar oplossing, voorlezen uit Virginia Woolf, leek even schematisch. Tegelijk bezigde Paris termen die hooguit geschikt zijn voor mijn omzeillexicon in aanbouw. En wakkerde Waterdrinker een beschamende reflex aan dat de vrijheid van meningsuiting gevaar zou lopen.
Misplaatst vind ik het slot van Paris’ repliek. Niet zozeer omdat ze met haar gebod ‘Niet mekkeren’ insinueert dat Snelling een geit is, als wel omdat ze, in een week dat de neerlandistiek wereldnieuws was wegens een schamel aantal inschrijvingen, een vals onderscheid schept tussen soorten lezers waarbij academici aan de verkeerde kant staan: ‘Je bent een literatuurwetenschapper, laat ons nou maar lezen en dan doe jij de wetenschap.’ Paris doet van alles uitschijnen dat ik liever niet overzie. Maar het zal plakken van wereldvreemdheid, levenskunst en subsidies. Het neerlandistieknieuws bleek nota bene columnistische glunder losgemaakt te hebben in dankbare herinnering aan Karel van het Reves broodje-balwijsheden over ‘de’ literatuurwetenschap uit de jaren zeventig.
Waarom toch? Misschien moet ik vanuit Paris nagaan wat literatuurwetenschappers in de Lage Landen doen met vrouwen in een genre dat me bezighoudt, poëzie. Indicaties geeft dan een lofwaardig tweelingproject: Dichters van het nieuwe millennium (2016) en Bundels van het nieuwe millennium (2018). Vrouwen zijn er uitstekend in vertegenwoordigd, zowel onder de besprekers als onder de besprokenen. Wel is het niveau van de bijdragen ongelijk, wat deels zal voortkomen uit de kwaliteitsverschillen tussen de gekozen dichters. Citaten kunnen onbedoeld doen terugdeinzen, zoals bij Maud Vanhauwaert. Haar oeuvre, dat twee bundels beslaat, wordt nota bene in beide studies belicht, door de ervaren wetenschappers Jan Konst en Elke Brems.
Alles wat geïnteresseerden van en over Vanhauwaert te horen krijgen, voldoet veeleer aan de bevinding van plezier en passie. Het doorprikken van het alledaagse, onverwachtheid, de aparte leeshouding die poëzie zou vergen, diepgang, het onvanzelfsprekende, grapjes, spel met conventies, leegte en eenzaamheid, verstoorde communicatie, raadsels, het onaffe, associatie en analogie en, naar het schijnt, de kritische blik. Daartussen staan netjes opmerkingen van collega-beschouwers. Plus iets over interactie die Vanhauwaerts gedichten gelukkig aantrekkelijk maakt voor meer lezers dan dit genre gewend is. En die de keuze legitimeert voor haar als Antwerps stadsdichter, wars van tekstivisme en, getuige haar standaardfoto met een koffer op de schouder, onderweg naar arcadia. Daarover zwijgt deze literatuurwetenschap. Net als over het enigma waarom Vanhauwaert eveneens geconsacreerd is (tot in de redactie van het vernieuwingsgezinde tijdschrift DWB).
Zekerheidshalve: ik vind Vanhauwaert geen zwakke maar onbijzondere dichteres. Haar bewieroking dwingt schrijfsters tot het type onschuld waarbij raffinement wordt verondersteld, tot conformistisch non-conformisme. Waarom toch? Kan het anders, wel degelijk in de richting die Lieke Snelling wilde? Misschien moeten er voorwaarden worden geschapen waaronder literatuur de grootste kans heeft in het ongrijpbare ding dat we maatschappij noemen. Is het format van de bundel dan minder geschikt dan het evenement? Zo werd ik attent gemaakt op het poëzieprogramma Dichteressen na #metoo waarvan de korte aankondiging dat tenminste belooft:

‘De nieuwe generatie dichters staat zelfverzekerd op het literaire podium, geëngageerd en bevrijd van ieder juk. En oh ja, het zijn vaak vrouwen. Een jaar nadat het #metoo schandaal uitbarstte, laat BOZAR vijf dichteressen stevig terugslaan met poëzie. Tijdens de internationale dichtersavond Transpoesie lezen ze voor uit eigen werk, terwijl de Nederlandse, Franse en Engelse vertaling verschijnt op groot scherm.’

Over homogeniserend groepsdenken gesproken! Er werd niet eens geprobeerd een idee te formuleren, laat staan dat er uitleg was over de vijf dichteressen die het mochten invullen. Louter algemeenheden over de actualiteit, over vrouwen en over poëzie, op een toontje dat taal zelf beledigt (‘stevig terugslaan‘, ‘juk‘: materiaal voor mijn omzeillijst). Duister blijft of poëzie hier een spektakel dient of toch als ongewenste intimiteit geldt of als grensoverschrijdend. Er kan, hopelijk correcter dan in Bundels van het nieuwe millennium, geciteerd uit Vanhauwaert:

Wat doen we met het lichaam waaraan
een man zich optrok die zich daarna in
de mond drong en zei ‘je hebt het bij het
rechte eind’.

Met het verkrachte meisje en de mensen
die zeggen ‘zo mooi is ze toch niet’_

Sinds auteurs publiceren is het de hamvraag of hun teksten voorbij de esthetische conventie iets teweeg kunnen brengen. Het antwoord was meestal ontkennend, soms kwam er scepsis, sporadisch hoop. Maar voor deze gelegenheid is de vraag tevoren vermorzeld. Ook stuit het me tegen de borst dat dit programma prestigieus is, uit de koker van organisaties van naam en – het werd al aangeraakt – met aanzienlijke budgetten dankzij belastingbetalers. Bestaat het begrip ‘institutioneel cynisme‘ al?

maandag 17 september 2018

Uit de werkplaats





Uit samengestelde voornaamwoordelijke bijwoorden kan in België ‘er’ wegvallen. Het heeft even geduurd voordat ik de systematiek doorkreeg en mijn rode potloodje opbergen kon. Slordigheid noch personificatie regeerde. Een recente headline weet bijvoorbeeld: ‘Anonieme performer getuigt: “Fabre is als praline met rattenvergif in”.’ Hier staat het voorzetsel moederziel alleen efficiënt te zijn.
Iets van deze gewoonte moet zijn overgewaaid naar Nederland. Achter in een achteloze zin kan daar een voorzetsel aan komen sukkelen, dat was losgeraakt van bijwoordelijke bepalingen. Alsof de spreker tot slot alle stukjes verstrekt waarmee een correcte frase bijeen kan worden gelegd. Zo verklaarde afgelopen weekend de coach van PSV: ‘Aziz en Guti ben ik uiterst tevreden over.
Is dat exclusief spreektaal? Ooit verbreidde zich de merkwaardige uitdrukking ‘Daar is niks mis mee’. Ze verloor haar koplamp: ‘Niks mis mee’. Misschien heeft de ruimte van Twitter met dat beperkte zicht te maken. De ultieme formule in dezen is hoe dan ook: ‘Blij mee’.
Wat belandt daarvan in literatuur, dé plek waar registers botsen of in elkaar vervloeien? In Diepe aarde laat Maria Vlaar een egocentrische papa bekennen: ‘(…) ik genoot echt wel van hoe Masha en George samen over de vloer kropen met houten autootjes die zij voor hem kocht (…)’. Ondanks jaren gewenning in België mis ik in dit zinsfragment ‘er’, om precies te zijn tussen ‘genoot’ en ‘echt’. Of is dit een spreekgedachte? Zeker ben ik (er) niet (van).

Tekstbestanden op de computer geven rust, omdat je voortdurend kunt surfen naar woordenboeken en feiten controleren. In bijschriften zijn voor de auteur typeletters bovendien leesbaarder dan welk handschrift dan ook. Da’s niet te onderschatten bij suggesties, zeker wanneer je besmuikt poogt een onmogelijk beeld te signaleren, anders dan met een kringeltje.
Bij mij staat de computer, een desktop, op een bureau. Rug, schouders en nek laten zich al vrij snel gelden. Een pak papier is gezonder om te redigeren. Je krijgt er bovendien meer afstand tot de tekst door, en dus minder kans op schermblindheid.
Wel komen er naslagwerken om je heen te liggen, voor de controles. Minder praktisch buitenshuis. Op windgevoelige plaatsen, in het bijzonder op het strand, heb ik sowieso afgeleerd te redigeren; vele treinen hebben smalle opzettafeltjes waarop het pak papier schuift, wat bij een scherpe bocht ongewenste gevolgen heeft. Toch maar thuisblijven dan, in ruimtes die meer uitnodigen tot ontspannen dan een studeerkamer?
Ik ben afgunstig op Nikki Dekker die in een generatiebundel onthulde: ‘Tieten zijn twee zichtbare hompen die je overal met je meesjouwt – die je zelfs als boekensteun kunt gebruiken wanneer je op je rug op de bank ligt te lezen’.

Rivieren van Martin Michael Driessen vind ik een van de tamelijk geweldigste Nederlandse literaire boeken van de laatste jaar. [Opdracht: herschrijf deze zin.] Ik vraag me wel af hoe dicht de redacteur op deze verhalenbundel zat. Het fijne vind ik dat ze doorgecomponeerd is, wat meer overlegrondes vergt. Door steeds nieuwe tips en ideeën kan een auteur eigen tekst gaan doorgronden en dan onderdelen naar elkaar toe schrijven. Bij de eindes van Driessens drie verhalen veranderen namelijk verteltempo en tijd steevast. Ze worden drastisch, zoals in lagereschoolopstellen waar tijdens de ultracreatieve daad buiten de zon kon gaan schijnen of de pols domweg pijn kon doen.
Een ander bedrijfsongeval bij zo’n grondige aanpak is dat spellingsdingetjes blijven staan, mogelijk uit het idee dat er nog een redactieslagje komt. Op blz. 116 staat er over fruitboompjes dat ze worden ‘gepland’. Krijg nau wat! Toch valt die spelling met wat bochtige redenaties te verdedigen. In het geheel van teksten per dag leest een vermoeide persklaarmaker bovendien vaker over plannen (je seg plennen) dan planten. Mij was de fout ook niet meteen opgevallen. Een wakkere bibliotheeklezer had in de marge het potlood gehanteerd, met een overigens sympathieke grijstoon.

zondag 9 september 2018

De telefoon



Behalve dat woorden van betekenis veranderen, ontwikkelen de voorwerpen waarnaar ze kunnen verwijzen zich evengoed. Hoe gaan woordenboeken met die nimmer versagende metamorfoses om? 
Ik nam de proef op de som en belde naar de heer Van Dale:

telefoon zelfstandig naamwoordde mtelefoons, verouderd telefonen 1886 Frans téléphone, gevormd van Grieks tèle [ver] + -foon 

1 toestel om geluid, m.n. de menselijke stem, over te brengen d.m.v. galvanische stromen, die in geluidstrillingen worden omgezet
mobiele telefoon toestel voor mobiele telefonie
vaste telefoon toestel voor vaste telefonie
in iemands telefoon staan met zijn telefoonnummer in het adresboek staan dat is opgeslagen in iemands (mobiele) telefoon
informeel voortdurend op zijn telefoon zitten er steeds mee bezig zijn, bv. door te sms’en of te appen

2 aansluiting op het telefoonnet
draadloze telefoon = looptelefoon
publieke telefoon openbare gelegenheid waar je kunt telefoneren tegen inworp van een of meer geldstukken of na invoering van een betaalkaart in een automaat
de rode telefoon rechtstreekse verbinding tussen de president van de Verenigde Staten en die van Rusland

3 hoorn waarin telefonisch spreek- en hoorapparaat gecombineerd zijn
de telefoon opnemen, van de haak nemen, neerleggen
uitdrukking de hele dag aan de telefoon hangen voortdurend opbellen

4 telefonische oproep
de telefoon aannemen als er opgebeld wordt de hoorn opnemen en luisteren (en de boodschap overbrengen)
er is telefoon voor u



Dit lijkt me redelijk up to date. Bij het eerste betekenisveld ligt de nadruk op het handapparaatje zoals dat tegenwoordig overweldigend voorkomt. De klassieke telefoon met snoer vertegenwoordigt slechts één van de vier voorbeelden en staat niet bovenaan.
Het zal aan mijn zogeheten dada’s liggen dat ik in voorbeeld vier van het eerste betekenisveld een moralisme proef dat wel achterhaald lijkt. Tegenwoordig immers ‘zit’ iedereen voortdurend ‘op zijn telefoon’. Het is geaccepteerd om – bij vergaderingen, in cafés en restaurants – in aanwezigheid van anderen de blik te richten op het magische scherm. Bij die nieuwe sociale code mag er gezwegen worden.
In het tweede betekenisveld worden digitaal angehauchte jongeren bijgelicht. ‘De rode telefoon’ stamt uit een tijd dat de wereld dichotomisch was ingericht; China had nog niet de halve wereld opgekocht. Voor de communicatie dienden er verder dingen als telexen en typemachines. De ‘draadloze telefoon’ is voor latere generaties een gegeven, geen zombieachtige noviteit die er ooit toe noopte het woordenboek aan te vullen.
Hilarisch dunkt me de omschrijving bij ‘publieke telefoon’. Mastodonten noemden die namelijk een telefooncel. In het westelijk deel van de EU mag dat fenomeen uit het straatbeeld zijn verdwenen, onlangs heb ik er gezien in Polen, Italië en in Spanje. Sommige Italiaanse telefooncellen bieden zelfs de mogelijkheid om een fax, e-mail of sms te sturen.
Het besef dat er generaties zijn die niet hebben ervaren hoe het voelt om, met name bij ingewikkelde gesprekken, de wijsvinger door de snoer te wringelen. Hoeveel literatuur zal op basis van dit simpele ervaringsgegeventje binnen welke tijd als historisch worden aangemerkt?
Het derde betekenisveld gaat voort op achterhaalde technologie. Omdat ze in de voorbeelden staande uitdrukkingen laat zien, is er in het onderwijs wellicht uitleg nodig. Ik herinner me uit mijn eigen schooltijd tijdens de Engelse les zulke verheldering bij ‘to turn on the light’.
In het vierde betekenisveld wordt het voor mij nog interessanter omdat er, voorbij individualisme op maat, derden bij betrokken raken. Aan een docent het voorrecht te vertellen dat de telefoon een sociaal medium is geweest, dat zich, onbeweeglijk, bevond in een ruimte gedeeld met mensen die familie waren. Daarbij hoort het oprakelen van de gewoonte dat men zachter ging praten of de hand voor de mond hield wanneer er privékwesties aan bod kwamen.
In deze flashback valt te monteren dat er tijden zijn geweest waarin mensen niet ‘24 op 24’ bereikbaar waren, laat staan op één nummer. En dat met die tijden pas recent is gebroken, waarna een paradoxale toestand ontstond die Byung-Chul Han benoemde: ‘Het prestatiesubject is bevrijd van een externe macht die het tot werk kan dwingen of het zou kunnen uitbuiten. Hij is “eigen baas” en onderneemt zichzelf. Hoewel er dus geen machtsinstantie en geen externe drang meer is, leidt dit niet tot echte vrijheid, want het prestatiesubject buit nu zichzelf uit. De uitbuiter is de uitgebuite geworden. Dader en slachtoffer vallen samen.’
Klink ik nu bejaard? Toch ben ik volgens mijn identiteitskaart niet zo heel erg oud. Ik herinner me zelfs een revolutie op telefoongebied, die antwoordapparaat werd genoemd. Daar zaten cassettebandjes in, die ik helaas weggegooid heb terwijl de opgenomen stemmen me grenzeloos fascineerden.
Zo liet ik mijn piano stemmen door één winkel te Arnhem, die daar twee blijkbaar concurrerende mannen voor had. De ene stotterde, wat zijn ingesproken berichten aan de lange kant maakte. Wel kon hij tien soorten water van elkaar onderscheiden. De ander viel vooral op door de kwantiteit van zijn berichten. Zodat ik capituleerde en aan de deur een nepleren bruin jasje trof dat zei: `Hi there, ik ben Webster'. Binnen legde hij uit waarom zowel het klimaat van Johannesburg (te droog) als dat van Durban (te nat) funest was voor piano's.
Terug naar Van Dale. Het vijfde betekenisveld zal voor jongeren evenmin evident zijn. Voor mij roept het informatie op (één per oproep) over nummers die ontbraken in het regionale telefoonboek waarvan elke abonnee jaarlijks de recentste versie in de bus vond. Het tussenstadium werd, heel even, gevormd door het nationale telefoonboek op cd-rom. Daarna nam internet het over. Waarbij de ironie natuurlijk wil dat daar vele nummers onvindbaar zijn geworden* omdat weinigen nog een ‘vaste lijn’ schijnen te hebben.
Van grote schoonheid vond ik in die prehistorie de wederdienst, wanneer iemand telefonisch vroeg de naam te spellen. Zelf nam ik steevast de letterverklaringen van mijn vader over: Karel-Rudolf-Eduard-Gerard-Izaak-Nico-Gerard.
Overigens is de zesde betekenis die meneer Van Dale van ‘telefoon’ geeft mij onbekend. Heb ik iets gemist? Zijn omschrijving ‘telefono’ blijft hoe dan ook kort. Daarom klikte ik door: ‘foltermethode waarbij de folteraar met vlakke hand op de oren van het slachtoffer slaat, waardoor het trommelvlies gemakkelijk kan scheuren’. Hier staat bij dat dit woord een understatement is, wat het begrip zeker ten goede komt.
Hallo? Hallo!

*Dat rijmt met de recentste zeden. Smartphones blijken niet gebruikt te worden om te telefoneren. Voor communicatie met intimi dient de chat, en met onbekenden de e-mail.

maandag 3 september 2018

Oproep: lexicon!



Op mijn archiefblog heb ik een woordenlijst geopend, die de komende tijd permanent wordt aangevuld. Hulp van derden bij meer van die taal zou ik zeer waarderen.
Het gaat om woorden en uitdrukkingen die we beter zouden vermijden, omdat ze zo reflexmatig in spreek- en schrijftaal worden gebezigd dat hun betekenis gemold lijkt. En omdat het loutere gebruik ervan mensen aan weerszijden van een moraal plaatst, stimuleren ze bovendien verdeeldheid.

De aanleiding is een recent internetartikel, waarin ik en passant de fameuze ‘taalverloedering’ bij jongeren relativeerde. Want de pronkstukken van taal, literaire boeken, zijn evengoed gecorrodeerd, betoogde ik. Redacteuren, critici, boekhandelaren: iedereen doet aan die gestage verandering mee. Toevallig had dezelfde site een opiniestuk waarin Vlaamse neerlandici die lesgeven op universiteiten wel klaagden over het dalende taalniveau bij hun studenten. Een van de alarmisten had als lid van een vakjury een boek bekroond van een schrijfster die ik had opgevoerd als onkundige.
Wanneer ik mijn terloopse opmerking meer body wil geven dan een polemisch tikje, dan dient zich eerst de vraag aan of de grotere taalbeheersing van weleer algemeen was. Of regeert idealisering? Mijn natte vinger vertelt dat het over een periode gaat waarin eindelijk, dankzij een beurzenstelsel, ook jongeren uit lagere milieus konden studeren. Pure rechtvaardigheid, ze hadden daar de brains voor. Maar is dat geen tijdvak dat decennia terug werd afgesloten? Ik vertel toch niets nieuws dat universiteiten bedrijven zijn geworden, gebaat bij kwantiteit? Heel jongeren hebben daar nu toch niets te zoeken?
Voor de niveaudaling wijst men exclusief naar ‘het onderwijs’, met name naar het secundaire deel dat in Nederland de middelbare school heet. Ik geloof onmiddellijk dat daar van alles spaak loopt bij taallessen. Van de neerslag daarvan heb ik staaltjes onder ogen gekregen. Maar dat doet niets af aan een verder strekkende werkelijkheid: het aanbod waarmee die jongeren hun taalgevoel kunnen ontwikkelen.
Internet geldt als de grote boosdoener. Misschien is dat terecht. Ik zou dan wel twee dingetjes willen vaststellen. Dat de meeste ouders aan hun kroost al jong, vóór hun twaalfde jaar, tablets en smartphones geven. Vaak klinkt de verontschuldiging dat hun kinderen niet uitgesloten mogen worden door klasgenoten en vrienden. Met deze onvoldragen taalgebruikers kan er gewhatsappt en geskypet en alles. Er speelt vast geen andere reden mee dat ouders geen tijd hebben om samen te lezen en te spreken – en dat de speeltjes dus een uitkomst zijn tegen snelle verveling.
De tweede vaststelling behelst een enormiteit: dat er op internet zelden redactie is. Taal die jongeren al vroeg leren kennen kan een stuk beter. Zoals literaire teksten volgens mij evengoed beter kunnen, maar om budgettaire redenen hooguit worden opgelapt waarna de grootste aandacht uitgaat naar werving. Ook die observatie staat niet op zichzelf noch is ze van gisteren. Was voor redacteursfuncties ooit een al dan niet academische talenachtergrond gewenst? En leiden inmiddels niet marketing- en communicatieopleidingen tot deze posities, met eenheidsworstigheid tot gevolg?
Waarom zouden jongeren niet mogen wennen aan correctere en originelere taal? Nogmaals, ik begrijp en deel de bekommernis om ‘het onderwijs’. Maar moet ik als ouder ook niet naar mezelf kijken, als leverancier van taal? Bijvoorbeeld door helderder teksten te schrijven, zonder in de illusie van Klare Taal te duikelen? Plus door mijn kinderen uit te leggen waar en waarom bepaalde taal niets meer zegt? In mijn boek over maatschappelijke debatten heb ik het niet systematisch behandeld, maar er botsen eveneens voortdurend discoursen. Een paar steekwoorden blijken te volstaan om een vermeende tegenstander te vloeren.
Die werkelijkheid mag van mij ook wel eens verbeterd. Ik ken te goed de verleiding te kankeren optaalgebruik van pakweg managers of politici of kunstenaars. Niemand zit te wachten op dikdoenerij. Maar ik heb ook ervaren best te weten wanneer ik mijn toevlucht zoek tot makkelijke formuleringen. Wanneer ik oreer in plaats van argumenteer. En uiteindelijk: wanneer ik mijn best doe of wanneer ik me neerleg.

Ik ben dus begonnen woorden en uitdrukkingen te verzamelen. De lijst die zo ontstaat is slechts het eerste stadium. Vanwege de omvang van de arbeid, maar ook omdat ik verwacht dat het ene woord het andere zal voortbrengen.
Later hoop ik alle onderdelen van de lijst te paren aan betekenislekduiding en voorbeeldzinnen. Ik moet er misschien dan ook alternatieven bij geven – die op wonderbaarlijke wijze ontsnappen aan fixering die communicatieverstorend is.
Dan nu de oproep. Wie wil of wie bezwaren formuleert, helpe met een comment. Wie het leuk vindt ook. Een deadline of een omvang heb ik niet. Liever zing ik Don’t Stop ’Til You Get Enough.

zondag 19 augustus 2018

Nergens meer



‘No tirais! Vamos a cantar’


1.
Vlak voordat de assistente afdrukt, duwt zijn hand op mijn schouder me intimiderend vriendelijk naar hem toe. Naakt voel ik me, gevangen, maar ik tracht te blijven glimlachen en besef, buiten zijn voornaam, volstrekt niet te weten wie hij is. Laat staan of hij een Pool is, dan wel een Wit-Rus of een Oekraïner die de grens is overgestoken.
Wanneer de associatie met Poetin precies in me opkwam weet ik niet. Maar toen daags tevoren de assistente ons welkom had geheten op deze agroturystycka en we onze tent hadden opgezet, ging ik gewoontegetrouw naar de wc, om mijn gezicht te wassen en vijf glazen water te drinken. Bij binnenkomst in het souterrain van de fermette bleef mijn blik meteen hangen aan een ruige pels die de kapstok leek te willen sieren.
De assistente had verteld dat de eigenaar een weekje afwezig was en ’s nachts van vakantie zou terugkeren. Ze was neergestreken om de onderneming te laten voortdraaien. Met haar nieuw samengesteld gezin, inclusief haar eigen vader (die een dadeloze praatgraag blijkt). Waren zij al met achten, ze voorspelde dat er negen reserveringen voor de avond waren, dus ‘het kon een beetje druk worden’. Het privétoilet, op de eerste verdieping, mochten we daarom eveneens gebruiken.
Die avond was de keuken, ook zonder vliegen al smerig, voortdurend bezet. We hadden vroeg gekookt, en toen ik de afwas wilde gaan doen was een Rus pasta aan het koken op de pit links boven, die we wegens steekvlamuitstoot hadden dichtgedraaid. De ruimte had iets weg gekregen van een machinekamer in de buik van een schip. En toen moest de nacht nog invallen, waarvoor we de meisjes hadden aangeraden in het gras naast de tent te plassen.
’s Ochtends bracht de assistente ons een gastenboek, en ansichtkaartjes met foto’s van gasten. Plus een stempel van de boerderij waarmee de kinderen mochten spelen. Ze maakten, terwijl wij de tent afbraken, een tekening in het boek. Ook was de eigenaar in de tuin opgedoken, potig, en hij had aan de wegkapitein gevraagd of we een ontbijt wensten. Toen hij even later mij zag, stelde hij zich voor. We aten brood en muesli onder een afdak, waar op bijna museale wijze dierenhuiden hingen.

2.
Waaruit bestaat een beeld dat je meedraagt van een land, voordat je het aandoet? Bijeengesurfte informatie, dingetjes en weetjes die uit bochtige onderwijstrajecten zijn bijgebleven, uit romans en gedichten, nieuwsberichten die op of andere manier plots vaak Polen behandelen: alle input geurt naar verhalen, en we merken dat we onderweg gevoeliger zijn voor getuigenissen.
Op een dure camping in Italië waar we een eigen wc krijgen die verstopt is, ontmoetten we een Duits echtpaar van middelbare leeftijd, dat veel over de eigen plannen en reisrealisaties sprak en bij ons haastig tussenvernoemen van Polen repte van goeie prijs-kwaliteitsverhoudingen. Bij het aanspannen van de remmen op de eerste camping in Slovenië kregen we advies en hulp van een jong Duits stelletje dat eveneens maanden door Europa toerde. De jongen had Poolse roots en wilde niet meer naar zijn heimat omdat die ongastvrij en achterdochtig zou zijn geworden – hij vertelde er al een vreemdeling te zijn.
Betekent het iets dat anderhalve maand koers door het land ons welgeteld één zwarte man liet zien, in de relatief grote stad Gdansk? We bestreken een fractie van het immense land, voornamelijk langs de oostgrens. Warschau, Krakau, om wat metropolen uit de regio te noemen, hebben we niet eens genaderd. Bovendien zijn we grootgebracht met anti-essentialistische geloofszekerheden. ‘De Pool’ bestaat niet, ‘het Polen’ evenmin.
Desalniettemin is Polen is het enige land geweest waar tussengebied domineerde, buiten stads- of dorpsgrens. Zelfs de gps wist soms niet waar we ons bevonden. Behalve door wegen aan te duiden die er in geen andere vorm aanwezig waren dan in platgetrapt gras en door in die middle of nowhere fonkelnieuwe, door de EU gecofinancierde asfaltwegen te ontkennen. De dorpsgrenzen waren al bijzonder. Ze kregen langs de weg steeds twee borden. Eerst met de naam, daarna met het icoon van een aaneengesloten rij woningen met een kerk, terwijl ‘lintbebouwing’ een eufemisme was voor her en der een huisje aan een zandpad of kasseistrook.
Vanuit dit perspectief rijst de indruk Polen een ontwikkelingsland is, waarvan wij als schatrijke toeristen profiteren. Het klopt, relatief is onze portemonnee dik. Maar binnenslands, wordt ons verteld, lijkt er reeds een tweedeling: zij die zijn gebleven en zij die in andere EU-landen werken. De eersten zouden zo jaloers zijn op de laatsten dat er haat vrijkomt. Die valt bot te vieren op villa’s die alom in de periferie opgetrokken worden met het elders verdiende geld. Ik vraag me af of dit een broodje aap is. Net als de reden waarom achterblijvende Polen uiteindelijk niets ondernemen: bij ontstentenis van bars en een overvloed aan winkels waar het opschrift ‘alcohol’ niets te veel zegt, worden respectabele hoeveelheden drank buiten de publieke ruimte genuttigd. Zou bedwelming het draaglijk maken om voor veel geld, op een agroturystycka, met vele mensen 1 wc, 1 douche en 1 keuken te delen? Bedwelming kan wel de stoïcijnse avondhouding tegenover menigvuldige en luid aanwezige insecten verklaren.
Voor het ontwikkelingslandperspectief was ik extra gevoelig door de e-lectuur van de roman Rubber uit 1931. Daarin schrijft Madelon Székely-Lulofs over rubberplantages in het toenmalige Indië, door westerlingen geëxploiteerd. Eén verhaallijn reserveert ze voor het misbruik van deze natuurlijke bron, wel vanuit de fameuze witte blik. Gevoelens en gedachten van inlanders hebben overduidelijk Székely-Lulofs’ sympathie maar worden toegeschreven (aan het slot met een intensiteit en een als dierlijk gepresenteerde trouw die me aan De Artapappa’s van J.B. Schuil deden denken).
De meeste aandacht besteedt Székely-Lulofs aan nog een partij die ongevraagd in dat systeempje meedraait: vaak jonge en onervaren vrouwen van Hollanders die in de kolonie het grote geld hopen te verdienen om al vroeg in het vaderland te kunnen rentenieren. In paleisjes met veranda wachten op manlief in de hitte, achter muskietennetten, zoiets varieert op binnenkamerthema’s uit de Nederlandse literatuur. Székely-Lulofs vat mededogen voor deze vrouwen op. Begrip ook, dat ze echter het meest heeft voor Renée die uitbreekt en haar huwelijk met een even edelmoedige als pragmatische Hollander ziet stranden.
Dat de schrijfster soms al te snel draden afwikkelt (bv de angst van een witte vrouw dat haar man door opstandig zwart personeel wordt vermoord, wat dan prompt gebeurt) en haar roman met wel erg krachtige streken beëindigt, doet niets af aan de relevantie van dit debuut. Rubber lijkt me een boek dat steeds herontdekt kan worden. Bijvoorbeeld als een toenmalige Wolf of Wall Street. Het is frappant te lezen over een bedrijf dat steeds meer winst maakt op de beurs, en over wit personeel dat dit op lucht gebaseerde optimisme vertaalt in euforisch gedrag en, los van de rest van mensheid en flora en fauna, grimmig veel geld over de balk smijt – après nous le déluge.

3.
Met toenemende bewondering lopen we de verdiepingen af van het museum over de vakbeweging Solidarnosc in Gdansk (in het huidige Esperanto ook wel European Solidarity Centre genoemd). Het immense gebouw, het roestig rood ogende plaatstaal gecombineerd met hoopvol blauw, was van de buitenkant al een lust voor het oog geweest. En de permanente tentoonstelling, voorzien van de onvermijdelijke koptelefoon die in keuzemenu vele talen serveert maar geen Nederlands, valt voor onze kindjes best te volgen.
Normaliter ben ik niet zo tuk op wat dan multidisciplinariteit heet, maar hier heeft ze effect. Ik kijk en lees en hoor. Bijvoorbeeld bij het bekende Solidarnosc-logo waar de rode vlag uit het pootje van de n steekt. Bedenker Jerzy Janiszewski laat weten dat hij de afzonderlijke letters dicht opeen zette om gemeenschapsgevoel en geborgenheid te visualiseren. Mijn brein voert me dan onmiddellijk naar de handtekening van Donald Trump – oefent hij in solidariteit met zichzelf?
Uiteraard schrijnt het dat de vakbeweging in het logo een rode vlag droeg, omdat ze zich in Polen vanaf de jaren zeventig concreet kantte tegen het communistische regime. Het symbool was van eigenaar veranderd. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog marcheerde Jef Last met rode vlag, als evidentie dat hij bij de communisten hoorde en dus tegen nationalist Franco was. Zijn kameraden hadden die overtuiging geleerd op ‘de school van honger, onrecht en ontbering’.
Ik e-readde Lasts relaas in De Spaanse Tragedie (1938), uit de aangevulde druk drie decennia later toen hij zijn brieven aan het thuisfront liet volgen door een non-belligerent bezoek aan Spanje, vol revaluaties. Ook dit interbellumboek beviel me. Last legde zich nooit neer bij de bestaande verhoudingen, waar onderliggende partijen het woord niet krijgen om hun omstandigheden te verbeteren. Zodat De Spaanse Tragedie bij uitstek een studie namens de universiteit van het leven wordt. Ten overvloede bekent Last in de loopgraven geen plezier te beleven aan de lectuur van Point Counter Point door Aldous Huxley, wegens ‘de bloedloze objectieve neutraliteit van de schrijver’ en ‘de massochistische zelfaanklacht van een intellect dat voortdurend zijn onmacht bejammert om werkelijk te kunnen leven’.
Populistisch? Last suggereert vroeg in het boek dat ‘solidariteit’ voor sommigen een hol woord is – toen al! – en toetst dat idee aan de werkelijkheid om hem heen. Daarin worden vrijwilligers uit het buitenland zonder morren opgenomen in de rangen en zijn ze geen ‘vreemdelingen’ meer maar ‘broeders’. Maar goed, wat ik zie is natuurlijk hetgeen ik wil zien. Een menselijk trekje, dat in Krosno groots werd gedemonstreerd door het taalkundig genie. Ze wees overenthousiast op een gebouw met het uithangbord erotik. In een hoek rechtsonder bleek een loketje te zijn en daar werd schepijs verkocht.
Misschien was ik mede geporteerd door Lasts betoog, omdat ik vlak tevoren een e-readpoging had gedaan de twintig eeuwen oude wijsheden van Epictetus tot me te nemen. Maar van diens ‘maak je niet druk’-teneur kreeg ik snel genoeg. Filosofie heb ik graag praktisch, zolang ze maar niet wordt omgeven door haalbaarheidsbeperkingen. Deze Stoïcijn tracht veeleer de verbeelding te temmen en elke aanvechting om de realiteit te perfectioneren te smoren in, wat mij betreft al te principiële en verlammende, broodnuchterheid.
Ongetwijfeld zal al ergens opgemerkt zijn dat Epictetus de zoveelste anti-mei-68’er is. Ook dat valt bij mij niet in goede aarde. Maar ik snap best dat pakweg het Woodstockfestival met een fikse dosis cynisme te karakteriseren is als uit de hand gelopen agrotoerisme – de dienstdoende boer Max Yasgur heeft daar dan wel niets aan verdiend.
Jef Lasts betoog kan dan weer niet onschadelijk worden gemaakt door het verwijt dat formalistisch ingestelde veranderingskunstenaars menigmaal hebben gekregen: dat ze lijden aan al dan niet jeugdige moeilijkdoenerij. Herman Teirlinck diagnosticeerde in dat verband ‘originaliteitskoorts’ (in zijn boekje Brussel 1900 dat een schat aan informatie biedt). Last doet het tegendeel van bewust rook scheppen. Hij probeert een zo scherp mogelijk zicht te krijgen op het onrecht, de oorzaken en de remedies ervan. Door de confrontatie met het heden onderzoekt Last bovendien wat maatregelen sindsdien wel en niet hebben veranderd.
Al helemaal ontloopt Lasts boek de sneer dat het heeft potverteerd, dat het louter dankzij geld van anderen kon verschijnen. Het was veeleer een initiatief van zijn vrouw, die de brieven had verzameld om haar berooide echtgenoot, wie wegens zijn Spaanse communistische avontuur door zijn vaderland zijn paspoort was ontnomen, van enige financiële draagkracht te voorzien. Laatstgenoemd argument schoot me te binnen toen ik terug thuis was. Daar stuitte ik op een fluimende GeenStijl-posting over etiketjes in een Poolse hotelkamer, in Terespol aan de Wit-Russische grens waar wij ook even hebben verbleven, die fondsen voor ieder meubelstuk vermelden. Uiteraard zat de EU bij die fondsen. We hebben die stickers zo vaak gezien, steevast in hoopgevend solide contreien, en moesten erom lachen, zeker wanneer het voorwerp daarbij was genummerd als een ambtelijke referte.
Het European Solidarity Centre heeft een ruime financiële injectie gekregen van de EU. Een erg goede investering!