zondag 8 oktober 2017

Om van te duizelen




Misschien komt het doordat ik recent enige Albert Camus-titels heb herlezen, maar kan het zijn dat bij alle commotie rond Het beste wat we hebben van Griet Op de Beeck een basale verwijzing wordt genegeerd?
Ik begrijp dat het hoofdpersonage een voormalige rechter is die op een brug probeert mensen te weerhouden van zelfmoord. Hint dat niet naar La Chute (1956)? Daar geeft een advocaat de brui aan zijn praktijk, nadat hij is doorgelopen ondanks een plonsgeluid in de Seine, waar hij een meisje op een brugleuning had gezien.
Moet ik verder iets bloggen? Het oeuvre van Op de Beeck is mij onbekend, net als het televisie-interview met haar dat controverse wist op te wekken. Ik kan dus niet oordelen. Dat lucht me op.
Wel zag ik een recensie op Het beste wat we hebben die de stijl bekritiseerde. Die invalshoek kwam superieur op me over. In de postideologie een bestsellerauteur confronteren met de beheersing van de stiel geeft aan de criticus de aura van het ware inzicht.
Wat krijgen we nou? Shooting the messenger? Ik die altijd emmer en vit over techniek? Betrek ik nu de stellingen van leraren uit de seventies, die bij de Citotoets antwoorden op – huns inziens irrelevante – spellingsvragen verklapten aan hun leerlingen?
Tot tweemaal toe wees Dirk Leyman ambachtshalve Op de Beeck terecht: ‘Toch valt uit haar romans en verhalen een objectieve waslijst van stilistische onbeholpenheden en kromme metaforiek te distilleren. (…) Veel zinnen kronkelen en meanderen als een op hol geslagen bergriviertje.
Wordt hier niet tegen de wind in gepiest? Of moet ik werkelijk opmerken dat dit zelf proeven van onbekwaamheid zijn? En veronderstellen dat er vele andere vallen op te duikelen in mijn eigen teksten?
Het stijlverwijt vind ik bovendien misplaatst, omdat het als argument al lang niet meer opgaat. Mij schieten slechts een paar laaglandse romans uit de postideologie te binnen die getuigen van een volwaardige beheersing en exploratie van de Nederlandse taal.
Volgens mij raakte literatuur gewend aan een andere standaard, die door literatuurjournalistiek is getoonzet. Leymans citaten uit Het beste wat we hebben stemmen mij inderdaad niet vrolijk, maar zijn recensie doet dat evenmin, zeker stilistisch. Omdat ze zowel in De Morgen als de Volkskrant stond, hebben eindredacteuren in België en Nederland beeldarmoede bekrachtigd.
Literatuur en bijlagentaal zijn aan elkaar gewaagd. Mede door de vraag naar non-fictie zorgden journalisten voor uitbreiding van het personeelsbestand in wat ooit met grote vanzelfsprekendheid bellettrie heette.
Leyman lijkt me van die cultuurindustriële ontwikkeling een voortbrengsel. Dat maakt de intro van zijn bespreking bijna pervers:

Het is een kwestie waar menig successchrijver mee worstelt. Omarmd worden door extatische fans. Verkoopcijfers om van te duizelen. Publiek bezit worden en merken dat elk woord dat je welbewust in de media-arena gooit, het effect van een voetzoeker heeft. Toch loopt de literaire kritiek met een boog om je heen en drukken boekenjury's meestal hun neus wanneer je roman op tafel ligt. Dat wringt. Want je wil toch ook literaire erkenning?

Ik zal maar niet meer jijbakken opsommen. Al was het omdat de nepidentificatie van recensent met auteur me kwalijker voorkomt.
Nu etaleer ik dus alsnog een oordeel. Snel het woord terug aan Albert Camus, die in 1954 te Den Haag een lezing hield over De kunstenaar en zijn tijd: ‘Beroemd worden betekent in onze tijd vaak dat je erin geslaagd bent niet meer gelezen te worden. (…) Deze tijd van marktdenken geeft een verstikkende toename te zien van commentaren op kunstwerken ten koste van de kunstwerken zelf.’

1 opmerking: