zondag 4 december 2016

Vertrouwensdemocratie




Het is een understatement dat het toespraakje van Jan Terlouw in De Wereld Draait Door iets heeft losgemaakt. NRC heeft inmiddels een heus ‘dossier Het touwtje van Terlouw’, genoemd naar het beeld dat de voormalige D66-lijsttrekker voor zijn kritiek gebruikte (het touwtje dat ooit door de brievenbus stak en waarmee de voordeur door iedereen viel te openen, getuigde van vertrouwen).
Twee dingen vielen me in die reacties op. Ten eerste dat een majeur punt in Terlouws aanklacht, de welbewuste verrampetamping van het milieu, kennelijk zo evident is dat er snel aan werd voorbijgegaan. Daarnaast verwekte de touwtjesanekdote een keur aan persoonlijke associaties en herinneringen, die moeiteloos werden geëxtrapoleerd tot een statement over de huidige maatschappij.
Dus laat ik daar even onbeschroomd aan meedoen, zij het in ontkennende zin. Waarschijnlijk ben ik, opgegroeid in de jaren zeventig, te jong voor de tijd waarover Terlouw spreekt en die een nogal monoculturele gedaante heeft, met vrouwen die thuis zitten ook. Ik kan me geen touwtjes in de sesam-open-u-functie herinneren. Wel werd binnen de wijk, aan de rand van de stad, een fiets voor een winkel niet op slot gezet. Toen ik dat in het centrum had herhaald en de fiets prompt gestolen werd, snapte ik wel dat moedertjelief mijn handelwijze onbegrijpelijk vond.
Wel werden meer of minder bekende wijkbewoners van mijn ouders' generatie ‘oom’ of ‘tante’ genoemd. Dat voelt echter niet anders dan nu, als vriendjes van mijn kinderen, al dan niet uit de wijk, me bij mijn voornaam aanspreken en ik daar blij mee ben (geen ruimte voor insinuaties in de pedofiele sfeer).
De ‘vertrouwensdemocratie’ die Terlouw in eerste instantie van politici verlangt, heeft inclusieve bedoelingen. Dus zouden er op basaal niveau ook bijdragen van burgers mogen komen. Bijvoorbeeld dat ze auto rijden zonder alcohol, downloaden met respect voor auteursrechten, producten kopen die niet onredelijk goedkoop zijn, geen schadelijke stoffen lozen, argumenten van een tegenstander correct weergeven.
Alleen vanwege dit willekeurige rijtje zou ik mezelf geen volkomen betrouwbaar persoon noemen. Maar het irriteerde me werkelijk dat de liberale voorvrouw Gwendolyn Rutten in de Krant op Zondag het voorstel om, tegen de uitstoot van fijnstof, geen openhaardhout meer te verstoken beschouwde als inbreuk op de persoonlijke vrijheid.
De hele wereld lijkt boos, maar terwijl het afgelopen decennium links begon te hameren op plichten, ziet rechts plots alom rechten.
Als ik me niet vergis druist Ruttens standpunt in tegen de interventie-ideeën van John Stuart Mill, maar mij stoort haar onwrikbare overtuiging dat de overheid zich gedraagt als een ouwe pastoor. Ze staat in die observatie bepaald niet alleen. Wat betekent dat de vertrouwensdemocratie, die immers steunt op een algemeen belang, bij voorbaat ondermijnd wordt.
In verband met Terlouw wil ik begrijpen dat niet iedereen één facet van zijn idylle terug wil: sociale controle. Maar dan de meest moralistische gedaante ervan, niet een zogezegd helpend oog. Ik sluit overigens niet uit dat de gesmade pastoors van ooit wel eens een boek hadden gelezen en zelfstandig konden nadenken.
Over het optreden van Terlouw durf ik niet te oordelen. Daarvoor zijn mijn vooroordelen te groot. Een gemeenschapspleidooi bij DWDD! Podium van anti-intellectualisme! Ik moest ook slikken van de stelling dat Terlouw ‘een man met een missie’ was. ‘Hij wil straks graag geen TED-talk geven, maar een Jan-talk’, enz.
Ik ben benieuwd of het nu Oorlogswinter of Koning van Katoren of Briefgeheim of Oosterschelde Windkracht 10 is dat afvalt, nu Terlouw ‘twee klassieke jeugdboeken’ blijkt te hebben geschreven. Kijk, daar is mijn vooroordeel dus, dat door het geprezen object bevestigd werd met de aanspreking van zijn gesprekspartner als ‘Matthijs’.
Da mag nie van Marc.
Laat ik het zo zeggen, dat ik schrok van het beeld dat oude mensen aankleeft. Terlouw bleek ‘kwiek’ te zijn, mede omdat hij een tekst ‘uit het hoofd’ kon opzeggen. De sympathie die de presentator ongetwijfeld oprecht uitte, leek me sentimenteel en stigmatiserend – een uitnodiging om in de deelbelangenindustrie van ouderenpartijen een extra niche te scheppen.
Misschien moet ik dus maar een eigen barrière doorbreken door mijn variant te vertellen van het touwtje door de brievenbus. Ik vergeet namelijk geregeld mijn sleutels uit de garagedeur te halen. Toch is er nog nooit iemand onaangekondigd binnengekomen.
Een tijd geleden werd er aangebeld. Het was onze straatjunk, die lachend me mijn sleutels gaf. Hij zei erbij dat hij te vertrouwen was, waarna een dosis wantrouwen door mijn aderen schoot.
Op een avond werd er aangebeld en was hij het weer. Ik tastte al naar mijn sleutels toen hij met een arcadische gejaagdheid zei dat hij te vertrouwen was. Betrapt liet ik hem binnen.
Hij vroeg of hij geld van me kon lenen. In de tijd die mijn brein nodig had om een diplomatieke oplossing te vinden begon hij zijn levensverhaal. Hij liet foto’s zien van zijn moeder (met hoofddoek) en vertelde dat hij in de gevangenis had gezeten maar louter omdat hij op de uitkijk had gestaan.
Ook herhaalde hij dat de teruggave van mijn sleutels bewees dat hij betrouwbaar was. Toen ik redelijkerwijs niets menselijks wist te verzinnen, leende ik (vader met verantwoordelijkheid) hem (een gespierde man) het gevraagde geld. Met een bedenkelijke rationalisatie poogde ik het te zien als een laat bedankje voor zijn goedheid en als straf voor mijn wantrouwen.
De dagen erna vertelde ik het verhaal aan verschillende mensen. Ik weet niet of het iets over hen of over mij zegt, dat ze me allen een ongelooflijk ruggengraatloze sukkel vonden. En dat ik dat volledig met hen eens was, maar toch vond dat ik iets nobels had gedaan.
Een week later ging de bel en gaf de man me het geleende bedrag terug. Hij wilde er wat rente bij geven, maar dat weigerde ik. Het staat me niet meer bij of dat uit principe was. 



Naschriftje

In Ik was een van hen: drie jaar undercover onder moslims door Maarten Zeegers, dat NRC rekende tot de 24 beste Nederlandstalige boeken van 2016, spreekt een schilder Willem over de Haagse wijk Transvaal (op de achterflap genoemd ‘het Nederlandse Molenbeek’) vóór de jaren zeventig:

‘We waren één grote familie. Je had geeneens sloten op de deur, die gingen open met een touwtje door de brievenbus. Bang voor inbraak hoefde je niet te zijn, want er was toch niets te halen. Nu jatten ze alles onder je kont vandaan. Als je ’s morgens je steiger opzet, dan is-ie ’s middags verdwenen’.
‘Was Transvaal vroeger ook niet al crimineel?’
‘Dat viel wel mee. Soms kwam de buurvrouw met een doos juwelen aanzetten. Die waren dan ergens van de kar gevallen. Mocht je er een uitzoeken voor een leuk prijsje.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen