maandag 8 augustus 2016

Schutplaats op de planeet



Lang geleden dat ik me nog zo ongemakkelijk gevoeld heb bij een boek als tijdens lezing van Astrid Roemers Liefde in tijden van gebrek: memoires van een thuisloze. Die recentste titel, verschenen tussen toekenning en uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2016, blijkt nogal apart ontvangen. Ik stuitte op een paar interviews en oeuvre-overzichten, terwijl ik recensies en analyses via de hoofdingang had verwacht. Stil bleef de recensente die op de binnenflap haar nieuwsgierigheid naar Liefde in tijden van gebrek uitspreekt. De ontvangst in zijvertrekken lijkt een verlegenheidsoplossing, omdat het boek als onversneden autobiografisch is gepresenteerd en een heikel thema aanroert: betrekkingswaan.
Liefde in tijden van gebrek druist in tegen het exotische en maatschappijkritische beeld van Roemers schrijverschap dat rond de P.C. Hooft-prijs gereproduceerd werd. Beeldspraak blijft vaak achterwege, de stijl is veeleer sober dan exuberant. In dit boek registreert Roemer. In combinatie met het thema en de keuze voor één centrale hoofdfiguur die nevenpersonages, ‘kwaad-aardigen’ genoemd, door haar gedachtewereld filtert, levert dat een oer-Hollands, bijna naturalistisch boek op. Schitterend is een toevoeging bij het eerste voorzetsel in deze vraag: ‘Wat is er toch met betrekking tot mij aan de hand?’
De drukst optredende ambachtsmannen uit Liefde in tijden van gebrek zijn slotenmakers. Toch worden de – permanent tijdelijke – woonruimtes van de hoofdfiguur tijdens haar afwezigheid binnengedrongen, gaan haar elektrische apparaten stuk, verdwijnt er voedsel van haar geliefde katten, worden haar vuilniszakken onderzocht, wordt haar e-mailbox geopend, haar laptop gehackt, haar bankrekening geplunderd en een begrafenisverzekering voor haar afgesloten, zijn er seksboekjes geschoven tussen haar naslagwerken, medische gegevens van een onbekende in haar dossier bijgeschreven, verschijnt er een politiebericht op het scherm van haar gsm. ‘De gemeenschap’ formeert een status quo tegen het individu.
Wel dunken mij dit symptomen die zich evengoed aftekenen op de huid van de westerse samenleving. Cybercrime en NSA-gewemel behoren daar even vanzelfsprekend toe als zogeheten verdacht poeder. De term ‘dreigingsniveau’ is ingeburgerd. Achterdocht lijkt uiteenlopende fenomenen te verzamelen voor wat een onderbuikgevoel heet. Dat er aanslagen komen, dat een geloof de macht overneemt, dat er een systeem zit achter de terreur, dat ‘de media’ de kluit belazeren, enz.
Zo’n gevoel heerst overigens evenzeer in hogere kringen, wanneer Donald Trump insinueert dat Putin toegang heeft tot alle Amerikaanse instituties, inclusief ik weet niet wat, of wanneer Hillary Clinton insinueert dat Trump samenspant met Putin.
Roemers hoofdfiguur valt niet te betrappen op het belangrijkste bijverschijnsel: angst. Ook schiet de term ‘hoofdfiguur’ tekort. Het boek spreekt veelvuldig van ‘mijn organisme’, en hanteert het bijvoeglijk naamwoord ‘mentaal’ tevens als substantief (‘het mentaal leert, repeteert, integreert, adapteert’). Doordat Liefde in tijden van gebrek op meerdere plaatsen aanhankelijkheidsverklaringen uitspreekt tegenover Darwin en zijn survival of the fittest komt het ‘ik’ neer op een beweeglijke kern die door weloverwogen aanpassing (‘ik dans naar hun pijpen en speelt de naïeve negerin’) tracht te overleven.
Typisch is namelijk dat die beweeglijkheid beperkt blijft tot de gedachten, die motieven aan de nevenpersonages toeschrijven én die eigen gedrag legitimeren dat veeleer geduldig meebuigt dan ageert: ‘Ik ben niet iemand die anderen overvalt, de privacy van anderen ongevraagd binnendringt: ik heb geen kankermentaliteit. Ik ben liever een reeks vitaminen die vrijwillig wordt ingenomen en het organisme opwekt, versterkt, in stand houdt’. Wanneer het ‘ik’ haar autonomie heeft herwonnen is het juist onbeweeglijk. Dagen worden dan stukgeslagen in meditaties en geconcentreerde voorbereidingen op het maken van teksten.
Een andere sidderende tegenspraak binnen Liefde in tijden van gebrek is dat de argwaan grossiert in voorbeelden van hoe de privacy van het ‘ik’ geschonden wordt, en dat de beschrijvingen die dat willen bewijzen diezelfde privacy nog grover onthullen. Elke verklaring over de binnendringing van een ander boort een dieper gat in het zelf. De aanvallende mensen en instanties worden bedreigender doordat ze initialen krijgen of slechts vage aanduidingen: ‘de persoon aan wie ik liever niet denk’, de Haagse Mevrouw, de Amsterdamse Geliefde, de R-bank, Bekende Landgenoten,… Bij hen stelt de ik-figuur zich netwerken voor, die per dag in grootte toenemen.
Nog een middel waarmee Liefde in tijden van gebrek paranoia verzwaart is de alinea-indeling. Het lijvige boek kent, tegengesteld aan het opengewerkte proza van Roemers vroegere titels, amper wit of inspringing. Zo wordt het beschreven universum geslotener, meer verschanst. De drie delen waarin Liefde in tijden van gebrek uiteenvalt en die verbonden zijn met plaatsen, bevestigen die indruk, doordat er geen verschil tussen is: ‘Net als een vaderland en een nationaliteit, geslachtssolidariteit en rasidentiteit, familiekringen en liefdesrelaties, kan een stad die je ooit geborgen heeft de meest gevaarlijke schutplaats worden op de planeet’.
Niet voor niets valt het woord ‘hermetisch’ nogal eens voor de toestand waarin het ik verkeert. Zelfs ontbreekt ‘ik’ als persoonlijk voornaamwoord en onderwerp van een zin geregeld – het is in de omgeving vervloeid.
Sporadisch verheft dit personage zich dan uit alle macht. Bijvoorbeeld door eraan te herinneren dat ze ‘door een gezaghebbend feministisch maandblad in Nederland was uitgeroepen tot een van de zes belangrijkste vrouwen van de afgelopen eeuw: IK!’

Bij een eerste verkenning, over een verhaal van Roemer, hield ik een motief van persoonlijke hygiëne nog voor een vrolijke lifestyletouch, waarbij het lichaam als het ware de rol toekwam die in het Westen lang ondergeschoven was. Maar in Liefde in tijden van gebrek worden lijf en huurkamer voortdurend gereinigd. Aanraking geeft kennelijk het risico van besmetting. Ook de welbewuste aankoop van flessenwater wil het ik zuiver houden.
Zo valt te begrijpen waarom een currylucht bij Roemer niet penetrant is maar ‘penetrerend’. Of dat er voor haar boeken geen reclame moet worden gemaakt maar ‘propaganda’. Cruciaal geachte gebeurtenissen voor de buitenwereld zinken daarbij in het niet. In één zinnetje kan Roemer evengoed op de moord op Van Gogh zinspelen als op een prijs van 75.000 euro van de bankloterij.
Wat het boek voor mij zo ontstellend maakt, is dat het bij alle analyses en diagnoses van de boze buitenwereld de mogelijkheid van misinterpretatie of verzinsel openlaat. Er staan nogal eens doktoren en verplegers voor de deur. Onverrichter zake vertrekken ze. Roemer citeert zelfs een verwijsbriefje voor een specialist: ‘Is mevrouw psychotisch?’ Meer dan een hoge bloeddruk kan ze bij zichzelf echter niet ontwaren en een neuroloog ontdekt in haar nek een ontregeld spiertje dat overreageert bij stress.
Zo blijft er een ongrijpbare rest: ‘Mijn organisme heeft een valkuil voor gebeurtenissen die mij dodelijk verwonden: ze verdwijnen compleet achter schotten waar ik niet bij kan’. (Merk op hoe traditioneel en westers deze beeldspraak is.) Die constatering is onmogelijk en daarom zo prachtig. Ze onderscheidt zich ook principieel van ‘How Cruel’ door Joan Armatrading, waaraan ik tijdens de lezing van Liefde in tijden van gebrek voortdurend moest denken. Het liedje wordt geleid door het idee dat ‘there must be something I have no control of’. De enige uitweg bij Armatrading is relativering of ten minste zelfspot (‘I bite my tongue and it bites me back’).
Op dat punt is Roemers boek wél on-Hollands. Ironie valt er niet in te bespeuren. Dat maakt Liefde in tijden van gebrek ook aangrijpend. Met een ijzeren wil houdt het centrale personage de bedreigingen van het lijf. Ze is heroïsch, ook in haar ernst uiteraard. De consequentie is dat ze dermate gefocust blijft vechten tegen het omringende, dat de wereld verdwijnt. Zodat Liefde in tijden van gebrek ook Roemers in eerdere boeken zo karakteristieke – en door de P.C. Hooft-prijs bekrachtigde – sociaal engagement ondermijnt. Ze komt er domweg niet aan toe; de urgentie van zelfbehoud verhindert activisme.
Ik voel me beschroomd om het centrale organisme met Roemer te identificeren. Het boek kant zich nota bene tegen een gangbare ontvangst waarbij ‘wensdenkende fans’ fictie herleiden tot onderdelen van Roemers persoonlijkheid die afgeranseld wordt. De schrijfster beweert dat ze daartegen haar verbeeldingskracht ‘rationeel’ inzet. Het speurwerk dat ze van de politie verlangt om criminelen in te rekenen privatiseert ze aan het einde van Liefde in tijden van gebrek: fictie kan dat ook bewerkstelligen.
Maar dan hebben alle darwiniaanse strategieën al geleid tot een besef dat de ondertitel Memoires van een thuisloze kracht bijzet: ‘Het vreemdeling-zijn heeft zich als een nieuwe identiteit aan mij gehecht. Nooit zal ik weer autochtoon zijn.’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen