donderdag 10 maart 2016

Stempelen tot onwaarheid


Eén van de leukste spelletjes die ik ken, is het woordenboekspel. Deelnemers schrijven ieder voor zich een definitie bij hetzelfde lemma uit Van Dale dat hun onbekend is. Voor het eerst deed ik dat als puber in een huiskamer vol mensen van wie ik vermoedde dat ze gestudeerd hadden. Mij staat bij dat ik me met schrandere zinswendingen wilde bewijzen en gaande de avond steeds vaker gehinderd werd door de slappe lach.

Het spel vormt de opening van Het nieuwe verdwijnwoordenboek van Ton den Boon, onder de naam verdwijnwoordenspel. Mij bekroop weemoed, die wegvloeide bij de kennisname van de lemma’s. De meerderheid ervan komt voort uit de betere klassen en suggereert een dubbele moraal.

Over hun onderbuikgevoelens, met talloze termen rond prostitutie en geilheid, uiteraard minachtend. Over hun minnaressen (later ‘hulpverloofden’ geheten) die ze ‘mainteneerden’, en bij wie zich een heel huisvestings- en financieringsgamma openbaart. Over hun personeel, dat in een onbeschermd soort loondienst de meest gedetailleerde deelfuncties uitoefende en van wie de vrouwen de vergaarnaam ‘meidengoed’ droegen.

Natuurlijk zijn er eveneens woorden die met andere uitgestorven beroepen te maken hebben, al dan niet wegens de voortschrijdende techniek. De ‘draaischijf’ van een telefoon uit het pre-gsm-tijdperk bijvoorbeeld. Den Boon bundelt logischerwijs ook zeer recente termen, feitelijk eendagsvliegen. Engels uit de computerbranche, die zich de laatste decennia spectaculair ontwikkelde en waarvan telkens de eindtijd voor de menselijke efficiency nabij leek.

Ik zou benieuwd zijn of de naam leppie die Mbark Boussoufa aan een laptop geeft verbreid is en zo ja, in hoeverre deze naam kans maakt op een plaats in een verdwijnwoordenboek van de nabije toekomst. Of dat de aandacht moet verlegd naar grotere eenheden, zegswijzen en grammaticale mallen, zoals in een uitspraak van een voetbalanalyticus over Davy Klaassen: ‘Die jongen heeft voetbalgogme van hier tot Tokio. We hebben het dus over de internationale top.’

Het nieuwe verdwijnwoordenboek serveert soms termen die me zijn bijgebleven uit het werk van J.B. Schuil en Multatuli. ‘Liplap’ bijvoorbeeld, de koloniale versie van ‘bastaard’. Verdwenen omdat we allemaal liplap geworden zijn, zeker na een gruwelijk nazi-intermezzo ten gunste van zogeheten raszuiverheid inclusief Sprachregelung?


Ik vroeg me ineens af hoe het Duits al die termen als Endlösung, Aussiedlung, Sonderbehandlung of Verlegung des Wohnsitzes heeft verteerd. Klassegewijs zei Hannah Arendt bij de eufemistische deklaag in die taal dat een sociaal lager ingestapte gebruiker als Eichmann expliciet en star was, terwijl de hoge bourgeoisie van officiersfamilies wendbaar bleef.

Van ‘liplap’ kan Den Boon uit het werk van Multatuli ondertussen een mooi voorbeeld geven:

De Europeaan vergist zich in de meening dat de hoogere beschaving waarop hy roemt, overal als 'n axioma wordt aangenomen. Ook hierin dat hy werkelyk in alle opzichten beschaafder is. Ik zou veel voorbeelden kunnen aanhalen, die van onzen beweerden roem te dezer zake een vraagstuk maken, en enkelen die hem stempelen tot onwaarheid. Het praedikaat dat liplappen en inlanders den Europeër geven, is: ongewasschen.

Het fenomeen hygiëne heeft ook veel termen opgeleverd, ik vrees wederom vanuit de hogere klassen en wederom voor het tegendeel. En Den Boon beweert dat ‘lijf’ inmiddels niet meer zo opwindend klinkt, wat mij fascinerend zou lijken als hypothese voor een studie over het verschil tussen ‘lijf’ en ‘lichaam’.

Misschien kan die doorwrochte tekst meteen de comeback geven van ‘ontlijven’. Het mag niet waar zijn dat dit verdwijnt, omdat dan een van de mooiste gedichten uit de Nederlandse literatuur, van Martinus Nijhoff, onbegrijpelijk zou worden. Den Boon citeert het slot ervan, mogelijk als oproep om het woord voor de volgende editie van dit boek alsnog teruggevonden te krijgen.

Ik stuitte op het verdwenen woord ‘eerloon’. Het betekent: ‘loon dat niet bepaald als wedde of bezoldiging te beschouwen is, honorarium’. Ik ben te weinig onderlegd om het verschil te weten tussen die termen, maar in België bestaat de variant ‘ereloon’. Die staat op afrekeningen van doktoren, toegestuurd door het ziekenfonds. Er blijkt dan een onderscheid tussen het officiële bedrag en het ereloon, dat oningevuld blijft. Het kan veel zijn, weinig of niks: het doet er eigenlijk ook niet toe. Het ereloon lijkt de geïnstitutionaliseerde schemerzone (uit Nederland herinner ik me dat in bepaalde restaurants rode wijn was te verkrijgen door ‘Turkse cola’ te bestellen).

Dat het woord ‘fuif’ echter vergeten zou zijn, kan alleen gelden voor het Noord-Nederlandse taalgebied. En ‘kannengeluk’ overleeft beneden Baarle-Nassau volgens mij als ‘flessengeluk’.

Zijn al die termen dus amusement? Het nieuwe verdwijnwoordenboek is systematisch maar licht opgezet. Een politieke agenda zoals in Het Atheïstisch Woordenboek van Paul Cliteur & Dirk Verhofstadt ontbreekt volkomen, tenzij als het mijden ervan in een veeleer ironische benadering.

Uiteraard is Den Booms verzameling ook leerzaam. Er blijkt in de zeventiende eeuw een ‘prachtwet’ te hebben bestaan, die uiterlijk vertoon verbood. Stoffen, goud, juwelen: je kon ervoor boeten. Zou zoiets alleen in Nederland kunnen? In Duitsland zou het de al genoemde proto-bureaucraat Eichmann nog onschuldiger doen lijken, terwijl hij volgens Susan Neiman, door een voorsprong in kennis diametraal anders interpreterend dan Arendt, een klassieke boosdoener was. Zelfs degenen die hem goed kenden wist hij te bedriegen. Zoals Kayzer Söze in The Usual Suspects, die de prachtwet al helemaal nooit zou hebben overtreden.

Verdwijning uit Het nieuwe verdwijnwoordenboek, en dus herinvoering in de taal, verdient wat mij betreft het ‘schoorsteengeld’. Misschien kan minister Turtelboom dat woord uittesten, in verband met de haar toegeschreven taks. Ergens wist ik nog dat men ooit belasting moest betalen naar rato van het aantal ramen in een huis – die soms dus dichtgemetseld werden. Maar vroeger blijkt er ook onroerendzaakbelasting te hebben bestaan voor het aantal schoorstenen. De vervuiler betaalde.

Ten slotte zijn best wat van Den Booms lemma’s niet helemaal verdwenen. Mijn poëzie heeft er onderdak aan geboden. Maar wat is een onderdak in deze tijden (ouders die klagen voor de gewenste school van hun kind te moeten verblijven in een camper)?

Verticaal klasseren moet je leren, schijnt het. Het is een sensatie na al die jaren te lezen wat die dichterlijk geworden woorden zoal betekenden.

Nu het verschil ontdekken tussen verdwijnwoorden en vergeetwoorden.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen