donderdag 4 februari 2016

Hulp


In haar belangrijke en veelbesproken open brief aan Nederland schrijft verslaggever Nadia Ezzeroili over de speelse bijdehante stem uit mijn jeugd’. Mijn spellingscontrole zet een vermanend golvend lijntje onder ‘bijdehante’, Maar wat is er mis met dat woord?

Ik weet het niet. Een blik op Van Dale leert me evenmin iets.

Door lang naar het woord te staren begin ik het wel enigszins vreemd te vinden. Waarom worden bijvoeglijk naamwoorden als goed en rond, verstoord, onderkoeld wel verbogen als goede en ronde, verstoorde, onderkoelde? Wat is er dus zo bijzonder aan ‘bijdehand’ dat het niet ‘bijdehande’ wordt?

(En waarom denk ik meteen dat ik iets elementairs over het hoofd zie? Ben ik ‘bang dat ik op een gegeven moment ontmaskerd word’? Of dat Het is begonnen nu ik bij reflexmatig gebruik steeds vaker de namen van mijn twee dochters door elkaar haal?)

Het verbaast me dan weer niet dat Ezzeroili voor een brief heeft gekozen om haar punt te maken. Ooit berichtte ik al over de om zich heen grijpende aandrang om verontwaardiging in die vorm te stileren; gisteren besefte ik dat deze neiging een traditie heeft van pakweg Kafka’s Brief aan vader over Het einde van Amerika door Naomi Wolf tot Ta-Nehisi Coates’ Tussen de wereld en mij.

Ezzeroilis betoog, en de consequentie die ze eruit trekt, vertoont een paradox van meer strijdteksten tegen racisme: ze generaliseren dusdanig vanzelfsprekend over daders dat het verwijt een beetje terugslaat (de boemerang van het gelijk). Toch beroert deze open brief mij. Ezzeroili onderscheidt de stem uit haar jeugd van ‘de behoedzame, zakelijke stem die ik gebruik in de buitenwereld’ – die ze verbindt met de hogere blanke middenklasse.

Ik moest denken aan de film Caterina va in città van Paolo Virzi. Over een dertienjarig meisje uit de provincie dat in de grote stad met die klasse in aanraking komt. Zonder uitgesproken eigenschappen laat ze zich meeslepen, maar nooit te veel. Ze komt uit een eenvoudig gezin, waarin een bijna karikaturale vader veel wil maar machteloos fulmineert tegen ‘kliekjes’ die alles beslissen.

Volgens mij speelt deze film in de tijd, vroege jaren tachtig, waarin Cherry Wijdenbosch het liedje ‘De kleine man’ bracht. Daarin ontwaart dezelfde hogere middenklasse gewoonlijk het gedachtegoed van Wilders al. Misschien wel het grootste drama in Ezzeroilis betoog is dat ze verklaart te zijn opgegroeid tussen mensen die denigrerend Tokkies worden genoemd.

Haar solidariteit ligt daar waar ze is afgewezen, niet daar waar ze is binnengehaald. Nadia Ezzeroili heeft naar eigen zeggen een droombaan bij een kwaliteitskrant.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen